Home Blog Pagina 320

Circulaire gebouwinstallaties nieuwe stap verduurzaming

0
Circulaire gebouwinstallaties nieuwe stap verduurzaming

De automatisering van gebouwen neemt de laatste jaren een grote vlucht. Tegelijkertijd is ook duurzaamheid een hot issue. Toch is het nog geen uitgemaakte zaak dat automatisering en verduurzaming altijd hand in hand gaan. En dat terwijl een combinatie tussen die twee vaak wel voor de hand ligt. Met de komst van circulaire gebouwinstallaties lijkt er weer een stap in de goede richting gezet te worden.

Een aantal automatiseringspartijen heeft zich nu verenigd met als doelstelling de ontwikkeling en realisering van circulaire gebouwinstallaties. Het gaat om de bedrijven Carrier, Priva, Thermaflex, Van Dorp Installaties en Valstar Simonis, die elkaar kennen vanuit het TVVL netwerk.

Pilotproject

Na een aantal brainstormsessies deden de betrokken partijen eind mei een oproep voor het aanmelden van een geschikt pilotproject. Verduurzaming en automatisering vinden elkaar vaak op het vlak van energiereductie. Slimme meters, data analyse en wko zijn maar enkele voorbeelden van energiereductie waarbij automatisering van installaties een grote rol speelt. Het pilotproject dat nu wordt uitgerold in een rijksmonument heeft een andere insteek. Namelijk om bestaande materialen zo veel mogelijk her te gebruiken: circulaire gebouwinstallaties.

Veel animo

Na de oproep bleek er direct veel animo te zijn voor het onderwerp. Binnen een week waren er tien concrete aanmeldingen. Daarnaast bleken er veel geïnteresseerden in de werkwijze en melden partijen zich aan voor participatie in een werkgroep. De eerste beoordeling werd gedaan aan de hand van voorgenomen planning, concreetheid op het gebied van financiering of looptijd. Een tweede beoordeling vond plaats aan de hand van inhoudelijke aspecten. Het bekende model van de Ellen MacArthur Foundation werd gekoppeld aan de criteria die Cradle 2 Cradle stelt ten behoeve van haar certificering. De betrokken partijen hebben veel ambitie en gaan nu gezamenlijk aan de slag om hun ideeën te realiseren in het pilotproject.

Big data analyse vindt weg naar Nederlandse infrastructuur

0
Big data analyse vindt weg naar Nederlandse infrastructuur

Rijkswaterstaat is deze maand begonnen met een innovatieve verkeersproef die tot een betere doorstroming van verkeer moet leiden. Dat zou moeten gebeuren door gebruik van big data.

De proef omvat het verzamelen van verkeersdata uit de verkeerslichten, de toeritdoseer-installaties bij de snelwegen, radarsensoren en de (verwachte) brugopeningen. Door de verzamelde gegevens met elkaar te combineren en te analyseren, kan het verkeerssysteem de verkeerslichten beter laten samenwerken. Zo moet een beter doorstroom van verkeer worden bereikt.

Big data

Big data is dus niet alleen geschikt om gebouwen efficiënter te gebruiken, maar ook wegen. De proef met gekoppelde verkeersystemen duurt ruim drie maanden en wordt uitgevoerd op een van de drukste verkeersknelpunten in Noord-Holland, de Thorbeckeweg in Zaanstad (N516). Als de proef slaagt kan dit systeem in vergelijkbare situaties in Nederland gebruikt worden om de doorstroming bij drukke verkeerssituaties te verbeteren en de leefbaarheid te vergroten. De proef is eind november afgelopen, daarna worden de resultaten bekend gemaakt.

Smart Mobility

De proef in Zaanstad is onderdeel van Praktijkproef Amsterdam (PPA). De Praktijkproef Amsterdam heeft tot doel stapsgewijs toe te werken naar een toekomst waarin auto’s, verkeerslichten en informatieborden met elkaar zijn verbonden en volledig samenwerken. Zo draagt de Praktijkproef Amsterdam bij aan een betere doorstroming van het verkeer, minder files en goed gefaciliteerde weggebruikers. In het deelproject PPA Noord werken de provincie Noord-Holland, gemeente Zaanstad, stadsregio Amsterdam, Rijkswaterstaat en de gemeente Amsterdam samen aan deze ‘Smart Mobility’ technologieën.

Ondergronds park in lege tramlijn New York

0
Ondergronds park in lege tramlijn in New York

In New York zijn vergevorderde plannen voor een unicum: een ondergronds park. ‘The Lowline’ zoals het park wordt genoemd, zou aangelegd moeten worden in een oude tramlijn binnen de Lower East Side in New York. Een creatief staaltje herbestemming dus.

Vertegenwoordigers van het stadsbestuur hebben de ontwikkelplannen inmiddels goedgekeurd. De naam Lowline verwijst als letterlijk en figuurlijke tegenhanger van The High Line, een verhoogd park, eveneens in New York.

Lichtsysteem met glazvezelkabels en spiegels

De grootste uitdaging in het ontwerp is om het ondergrondse park van voldoende daglicht te voorzien, om het groen te kunnen laten groeien. Dat moet gaan lukken met behulp van een nieuw lichtsysteem dat daglicht genereert met glasvezelkabels en spiegels. Vorig jaar werd in een testruimte – The Lowline Lab – aangetoond dat het mogelijk is om een ondergronds park levend te houden. In de labruimte worden continue testen gedaan met lichtsystemen, wateropvang en temperatuurregeling. De komende twaalf maanden zullen de initiatiefnemers besteden om een definitief ontwerp te maken. Ook zal er nog tien miljoen dollar verzamelt moeten worden om het park, dat één hectare groot wordt, te kunnen realiseren. De totale kosten van het park zijn zestig miljoen dollar.

Iets voor Nederland?

Een ondergronds park, iets dat in Nederland ook zou kunnen? Nederland heeft niet veel lege ondergrondse tramlijnen. Wel is er sprake van een dichtbevolkt stedelijk landschap in ons land. Vanuit dat opzicht kunnen de ontwikkelingen best interessant zijn. De vraag naar groen in steden neemt alsmaar toe. Denk maar aan de vergroening van daken, die momenteel een vlucht neemt. Revolutionaire lichttechnieken zouden zeker kunnen helpen om bijvoorbeeld parkeergarages, bedrijfshallen, of lege kantoorruimtes ook onder die daken te ‘vergroenen’.

Nederlandse architecten doen het goed in het buitenland

0
Nederlandse architecten doen het goed in het buitenland

Nederlandse architecten zijn in trek in het buitenland. Bijna alle internationaal opererende architectenbureaus verwachten de komende tijd nog meer business uit het buitenland te gaan halen, met name uit Europa en Azië. Dit blijkt uit recent marktonderzoek van architectenbranche BNA. Fred Schoorl, BNA-directeur: “In landen als Engeland, België en Duitsland is veel vraag naar onze kennis en kunde. Azië is interessant, maar er valt nog voor weinig bureaus echt omzet te maken.”

Twee derde van alle internationaal werkende architectenbureaus uit Nederland verwacht een omzetgroei in het buitenland. De helft van de internationale bureaus verwacht groei in Duitsland. Ook in Engeland en België zien bureaus groeimogelijkheden. Dat blijkt uit het Verdiepingsonderzoek van de BNA, dat nog voor de Brexit is uitgevoerd.

Buitenlandse opdrachtgevers

Het internationaal verwerven van opdrachten vergt doorzettingsvermogen en is niet voor alle bureaus weggelegd. De meeste bureaus blijven sterk afhankelijk van de Nederlandse markt. Ondanks de groei in het buitenland komt branchebreed nog 96% van de omzet uit Nederland. Er zijn wel enkele grote internationaal werkende bureaus die meer dan de helft van hun omzet uit het buitenland. Voor internationaal opererende bureaus komt gemiddeld 7 procent van de omzet uit het buitenland halen. De bureaus verwachten dat dit aandeel zal gaan stijgen naar 8%. Hoewel de afgelopen jaren vooral grote bureaus internationaal zijn gaan werken, werken ook kleine en middelgrote bureaus steeds vaker met buitenlandse opdrachtgevers. Opdrachtgevers zijn vaak projectontwikkelaars en directe opdrachtgevers uit het land van het project. De meeste projecten vinden plaats in Duitsland, gevolgd door België en Frankrijk.

BNA International

De BNA zoekt als branchevereniging ook naar vergroting van de kansen van Nederlandse architecten in het buitenland. Via BNA International wordt bemiddeld tussen buitenlandse opdrachtgevers en Nederlandse bureaus, in de netwerken iTop en iNet, via matchmaking, workshops, miniconferenties en economische handelsmissies. Daarbij wordt gezocht naar actuele opgaven die aansluiten bij de Unique Selling Points van Nederlandse architectenbureaus. Zo wordt dit jaar de MakeHappen! Inspiration Day georganiseerd in de fotobeurs Unseen.

Beeld: Sociale woningbouw in Madrid door MVRDV Architecten

Van leegstaande bedrijfsruimte naar vluchtelingenopvang

0
Van leegstaande bedrijfsruimte naar vluchtelingenopvang

Hoewel het aantal vluchtelingen dat Nederland binnenstroomt de laatste tijd afneemt, blijft huisvesting nodig. De zoektocht naar geschikte oplossingen gaat onverminderd voort. Leegstaande bedrijfsruimte blijkt prima geschikt voor opvang. Met een op maat gefreesd inbouwpakket maakt een team van de TU Delft, faculteit Bouwkunde, er een nieuw ‘thuis’ van voor ontheemden. Het prijswinnende idee ‘ComfortCity’ zorgt voor diversiteit en leefkwaliteit en kent lage productiekosten.

Vluchtelingen en statushouders worden meestal ondergebracht in tijdelijke bouwsels. Maar waarom niet gebruik maken van de miljoenen vierkante meters leegstaande bedrijfsruimte, aldus Anneloes de Koff op de website van de faculteit. “Dan heb je het dak al. Als je die als ‘regenjas’ gebruikt kun je je volledig concentreren op de woningen. Met ons systeem worden ze comfortabeler en aanpasbaar aan de culturele achtergrond en gezinssamenstelling.”

Culturele diversiteit komt terug in ontwerp

De Koff studeerde af met haar project ComfortCity. Het systeem dat ze met haar begeleider Pieter Stoutjesdijk bedacht, bestaat uit OSB-platen (of EcoBoard) die door een CNC-frees op maat worden gezaagd. Dat is volgens de ontwikkelaars dankzij digitale productietechnieken een fluitje van een cent. Een demontabele staalconstructie fungeert als skelet. Nadat een professioneel bedrijf dat overeind heeft gezet, kunnen de vluchtelingen zelf bepalen welke woningindeling en meubelen ze willen. Met de panelen, die voldoen aan het Bouwbesluit, is bijna elke vorm te maken. Die aanpasbaarheid is belangrijk, stelt De Koff. “Arabische gezinnen hebben bijvoorbeeld graag een configuratie waarin de slaapvertrekken zijn gescheiden van de woonvertrekken. Dat is hiermee eenvoudig te realiseren.”

‘Stadje in een bedrijfshal’

De latere bewoners krijgen dus veel ruimte om zelf hun woning in elkaar zetten. De lichte, voorgezaagde standaardelementen vormen samen een soort jigsaw puzzel. Bouwen is simpel dankzij meegefreesde koppelingen, die zich laten vastzetten met een inbussleutel. De elementen zijn zo ontworpen dat ze maar op één manier in elkaar passen. Kamers zijn compact, conform de COA-eis. Maar door een tussenwand weg te halen is het vloeroppervlak simpel te verdubbelen tot een familiekamer. Het systeem van wand- en vloerpanelen is sterk genoeg om in twee lagen te bouwen. “Dat zorgt voor een lage vierkantemeterprijs en een levendige opzet”, zegt Pieter Stoutjesdijk. Het modulaire concept is vooral geschikt voor leegstaande bedrijfshallen, in kantoorpanden zouden tussenmuren het creëren van ‘dorpjes’ in de weg staan. Met het bouwconcept zijn namelijk ook winkeltjes en werkruimtes langs een centrale binnenstraat te maken. De onbewerkte houten panelen bieden daarbij privacy en zorgen voor verbetering van de akoestiek. “De hoogteverschillen, lange binnenstraat, open ruimtes en grillige vormgeving geven het gevoel van een stadje.”

Winnend ontwerp

ComfortCity is één van de zes winnaars van de prijsvraag ‘A Home away from Home’ van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA). Een jury koos het ontwerp uit 366 ingediende ontwerpvoorstellen voor innovatieve huisvesting van asielzoekers. Omdat het bouwmateriaal goedkoop is en de constructiemethode simpel, is de prijs volgens berekeningen ongeveer 2 euro per asielzoeker per dag. “Maar die prijs kan dalen naar €1,60 per dag, als ComfortCity minstens tien jaar op één plek blijft staan”, zegt Stoutjesdijk. Een energienul-variant is ook al doorgerekend. “Die is geüpgrade met zonnepanelen en een zonneboiler en gebruikt infraroodpanelen als verwarming”, vertelt De Koff. “Theoretisch kunnen we op het dak van het bedrijfsgebouw 290.000 kW stroom per jaar opwekken. Ruim genoeg voor iedereen.” Het Bouwkunde-team van TU Delft bouwt de komende maanden een proefhuis volgens het ComfortCity-concept. Dat is te zien tijden de Dutch Design Week 2016. Daar zijn ook prototypes van de andere winnaars van ‘A Home away from Home’ te bezichtigen.

Via sensoren naar efficiënte en gezonde gebouwen

0
Via sensoren naar efficiënte en gezonde gebouwen

Data-analyse blijkt, mits goed toegepast, een belangrijk hulpmiddel bij een efficiënt gebouwbeheer. Een juiste analyse van gebouwgebruik kan resulteren in lagere kosten, meer comfort en een duurzame omgeving. In het kantoor van Aegon in Den Haag is onlangs de pilot BeSense gestart. Daar vindt data-analyse plaats met behulp van sensoren in het gebouw.

De pilot is een samenwerking tussen Heijmans, CSU, Ericsson en Clickey. Door sensoren door heel het gebouw te koppelen aan een digitaal platform wordt het gebouwgebruik inzichtelijk gemaakt, waardoor bijvoorbeeld licht en temperatuur perfect afgestemd kan worden op gebruik. Dat zou moeten leiden tot kostenefficiency en een hogere beleving en kwaliteit voor werknemers. De pilot eindigt naar verwachting in het vierde kwartaal van 2016.

Sensor Based Cleaning

In het kantoor zijn zestien sensoren geplaatst. Twaalf werkplekken op werkplekken, twee in vergaderruimtes en twee in toiletunits. De sensoren registreren de anonieme bezettingsgraad van de locaties. Vanwege het veelvuldige flexwerken is die bezettingsgraad lastig op een andere manier bij te houden. BeSense levert data over temperatuur, luchtvochtigheid, CO2 en lichtintensiteit van gebouwen. Met Aegon wordt gekeken hoe dit kan worden omgezet in een zo efficiënt mogelijk gebouwbeheer. Voorgeprogrammeerde queries signaleren tevens waar en wanneer vervuiling optreedt zodat gerichter kan worden schoongemaakt: Sensor Based Cleaning.

Gezonde werkomgeving

Voor succesvolle innovatie op het gebied gebouw automatisering is de rol van de opdrachtgever annex eindgebruiker van groot belang. Deze moet vragen om vernieuwing en vervolgens begrijpen wat er met de techniek gedaan kan worden. Dat blijkt ook uit deze pilot. Aegon is vanaf de eerste ideevorming al onderdeel van het team. Heijmans is als regiepartner betrokken bij de ontwikkeling en de implementatie en levert, als onderhoud- en beheerpartner, kennis over het totale gebruik van het gebouw. Doel van de pilot is om te komen tot duurzame gebouwbeheeroplossingen en werknemers die zich prettiger voelen in hun werkomgeving. Daar wint niet alleen de eindgebruiker bij. Sensor Based Cleaning is onderdeel van zowel het innovatieprogramma 2Connect van schoonmaakleverancier CSU als van Heijmans Workspaces, dat streeft naar een werkomgeving die bijdraagt aan gezondheid, welzijn en productiviteit van gebruikers. Ericsson is in het BeSense project de service enablement partij die zorg draagt voor databeveiliging, datamanagement en het beschikbaar stellen van de geaggregeerde data.

Studenten bouwen eigen Stadsoase in Utrecht

0
Studenten bouwen eigen Stadsoase in Utrecht

Leegstand van grote gebouwen is in Nederland uitgegroeid tot een vraagstuk van nationale omvang. Maar hier en daar duiken verrassende initiatieven op die aantonen dat leegstand ook kansen biedt. In de Utrechtse wijk Kanaleneiland klussen studenten en professionele bouwers schouder aan schouder aan de transformatie van een oude ROC tot Stadsoase Utrecht.

Het oude schoolgebouw wordt omgebouwd tot multifunctioneel studentencomplex. Door zij aan zij te klussen met WEEVER bouw en sloopwerken b.v. krijgen studenten 10 procent korting op hun toekomstige huur in het pand. Het is het eerste grote zelfwerkzaamheidsproject midden in een woonwijk. Een revolutionaire methode om leegstand betaalbaar te transformeren.

Krachtstation/Stadsoase

“Het is hard aanpoten. En vroeg beginnen, om zeven uur ’s ochtends. Maar we hebben ook veel lol.” Ruben van der Schalie heeft zijn klusuurtjes in het nieuwe Krachtstation/Stadsoase er bijna opzitten. Samen met nog een kleine honderd studenten en onder begeleiding van bouwlieden van WEEVER bouw steekt hij deze zomer de handen uit de mouwen. Het gewezen opleidingscentrum opent na de transformatie de deuren als bruisend wijkondernemerscentrum annex studentenwooncomplex, kortom een Krachtstation. Straks staat er een multifunctioneel wooncomplex met 216 studentenkamers, bedrijfjes, horeca, ateliers, een bioscoop, kinderopvang en een sportschool.

“Frisse wind”

“Voor ons is dit nieuw”, zegt timmerman Ilja van Houten. “Maar het geeft wel een frisse wind, die jonge mensen in de bouw. En ze hebben er plezier in, zijn heel enthousiast bezig. Tja, ze komen hier zelf te wonen en dat stimuleert natuurlijk enorm.” Met het plaatsen van gipswandjes, aanbrengen van isolatiemateriaal en puin afvoeren verdienen de studenten dus een leuke korting op de voor Utrechtse begrippen toch al schappelijke huurprijs. “We wilden niet afhankelijk zijn van subsidie”, zegt architect Klaas Schotanus van HIK Ontwerpers, die de vorm en inhoud van de transformatie bedacht. “De huur die de studenten betalen, maakt de wijkcentrumfunctie mogelijk. Wij vinden die kruisbestuiving tussen buurt en studenten heel belangrijk.” Eind september moeten de eerste kamers klaar zijn. Na de interne verbouwing volgt het terrein rondom. “Daar maken we een ‘pottenpark’ van, een buurttuin compleet met hangmatten en barbecue’s, om ontmoeting te stimuleren.” De klusstudenten mogen straks ook als eersten hun kamer kiezen. Ruben heeft zijn keus al gemaakt: “Tweede verdieping op de hoek. Dan heb je mooi zicht op de ingang.”

Beeld: Bouwmeester Media

Marker Wadden: bouwen met de natuur

0
Marker-wadden-1

Slib wordt slik

Op 11 mei 2016 kwam een eerste puntje van de Marker Wadden boven water. Dit toekomstig vogelparadijs in het Markermeer moet de natuurwaarden in het door slib vertroebelde meer opkrikken, zodat waterplanten, vissen en vogels zich er weer thuis voelen. Ook bezoekers zijn er straks welkom. Vernieuwend idee is dat het slib een tweede leven krijgt in de vorm van eilanden met plas-grasnatuur.

In maart 2016 is begonnen met de eerste fase van een van de grootste natuurherstelprojecten van Europa: aanleg van een eerste eiland van zo’n 300 hectare, inclusief onderwaterlandschap, met rietmoeras, slikken, ondiepe plassen, kreken en brede, ondiepe watergeulen. Kortom, precies het soort natuur waar veel vogelsoorten graag verblijven. ‘Jaarlijks trekken talloze trekvogels over Nederland. Het IJsselmeer en het Markermeer zijn voor deze dieren van groot belang als tussenstop om op te vetten en bij te komen. Voor andere soorten is dit straks een mooi broedgebied of een rustige plek om te ruien en te overwinteren,’ vertelt boswachter André Donker, die het nieuwe natuurgebied onder zijn hoede krijgt.

Artist Impression van de Marker Wadden
‘Het bijzondere aan de Marker Wadden is dat natuurlijke en economische belangen zo goed samengaan’, volgens André Donker

Het Markermeer, dat maar liefst 700 vierkante kilometer beslaat, is bestempeld tot Natura 2000-gebied. Dat betekent dat Nederland een internationale inspanningsverplichting heeft om de natuurlijke kwaliteit ervan minimaal in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. Met die natuurlijke kwaliteit is het echter al decennialang niet best gesteld, sterker nog, die holt achteruit, weet Donker. ‘De ellende begon allemaal met de aanleg van de Houtribdijk, tussen Lelystad en Enkhuizen, in 1976. Die sloot het watersysteem als het ware op, samen met andere hoge dijken van asfalt, beton en basalt. We wisten toen wel dat dit nadelig zou zijn voor de natuur, maar dat zag niemand als probleem aangezien hier de Markerwaard gepland was. Pas in 2006 is dat idee definitief afgeschoten (Nota Ruimte VROM, 2006).’

Troebel water

Intussen stuwt de overwegende zuidwestenwind al 40 jaar lang met regelmaat grote watermassa’s hoog op tegen de dijk, waarna het weer terugklotst in het meer en slib loswoelt van de kleibodem. Met troebel water als gevolg. Het bodemleven, met onder meer driehoekmosselen – een lekker hapje voor schelpdierliefhebbers als kuifeenden en zaagbekken – raakt verstikt door het weer neerdalende slib. Door het gebrek aan natuurlijke oevers zijn er geen rustige plekken voor vissen om te paaien, en wat er nog aan vis rondzwemt is door het troebele water niet zichtbaar voor visetende vogels, zoals aalscholver en visdief. Verder is dit deel van het Markermeer, ruim 4 meter diep, sowieso niet geschikt voor waterplanten, zodat ook de zogenoemde grondelaars (zwanen en verschillende eendensoorten) niet aan hun trekken komen.


‘We komen er steeds meer achter dat we de kracht van de natuur maar beter kunnen benutten’

Stefan Dekker


‘De Houtribdijk ligt ongeveer op de grens tussen twee bodemsoorten: zand in het IJsselmeer en klei aan de kant van het Markermeer, wat zich manifesteert in een duidelijk kleurverschil,’ legt Donkers uit. ‘Slib was hier dus altijd al, maar vroeger werd dat afgevangen door de moerasnatuur die van oorsprong overal langs de randen van de voormalige Zuiderzee voorkwam, zoals je die nu nog aantreft in het Nationaal Park Weerribben-Wieden. Met de Marker Wadden bouwen we die wetlands en natuurlijke oevers terug.’

Snijkopzuiger

Corné Appelo, projectleider Marker Wadden bij Boskalis, vertelt hoe dat in zijn werk gaat: ‘Een paar kilometer van de bouwlocatie hebben we een 30 meter diepe put gemaakt om zand te winnen van onder de 8 meter dikke kleibodem van het meer. Zand is veel steviger, dus dat gebruiken we voor de randen van het eiland, dat deel van het werk is gesneden koek voor ons. Binnen die ringdijken, waar we straks rietmoeras gaan maken, spuiten we klei en veen op. Dat gebeurt in verschillende lagen, of “slagen” zoals wij dat noemen, want elke laag heeft tijd nodig om in te klinken: het water moet eruit zakken.’ Een zogeheten snijkopzuiger, een stationair of zelfvarend schip voorzien van een roterende snijkop, vermaalt de klei op de bodem, slurpt het op en pompt het via een drie kilometer lange drijvende leiding naar een sproeiponton. Het ponton vaart vervolgens naar de gewenste plek en spuugt het daar weer uit. ‘Dat gaat gps-gestuurd,’ vertelt Appelo, ‘heel wat makkelijker dan vroeger, toen het allemaal met de hand ging en we gebieden moesten uitzetten met stokken in het water.’ Hoogteverschillen ontstaan door het gecontroleerd af laten stromen van water. ‘We spuiten de klei op met grote hoeveelheden water en dat creëert kreekjes en geulen. Reliëf krijg je ook doordat de modder met enorm hoge snelheid uit de pijp komt zetten. De zwaarste deeltjes bezinken vlak bij de uitstroomopening, de lichtere deeltjes komen verder weg neer.’

Marker-wadden-©boskalis-straystone
© Boskalis Straystone

Weinig steen

De aanbesteding verliep wat anders dan anders, vertelt Donker: ‘Waar we normaliter werken met behoorlijk dichtgetimmerde bestekken, hebben we nu een programma van eisen opgesteld en hebben we de markt aangejaagd met een open vraag: “Er moet hier moerasnatuur komen, hoe zou je dat invullen?”’ Boskalis en partners kwamen met het beste plan, inclusief rietaanplant en publieksvoorzieningen, zoals een jachthaven, wandelpaden, vogelkijkhutten, een uitkijktoren en voor kinderen een waterspeelvallei. ‘Wij waren het enige consortium dat tenderde met een constructie van zand in plaats van stenen,’ vertelt Harry Mols van advies- en ingenieursbureau Witteveen+Bos. Dat is best verrassend, want het eiland ligt naar waterbouwkundige maatstaven ongunstig: van over het hele Markermeer komen golven aanrollen die er tegenaan beuken. Ecologisch gezien is dat juist gunstig, want die golven zorgen voor verschillen in waterstand. Samen met Boskalis en Arcadis hebben we dus een slim ontwerp bedacht, met onder meer zacht glooiende oevers.’ Appelo: ‘Alleen het deel dat het meest wordt aangevallen door de wind, krijgt een harde dijk van stortsteen, net als de twee havenhoofden. Verder komt er aan die kant van het eiland een flauw aflopend zandstrand dat de golven moet opvangen. Dat dit natuurlijke principe goed werkt, weten we al van de Noordzeekust.’ Achter het strand bouwt Boskalis een duinenrij van een meter of 4 à 5 hoog. In de luwte daarvan komt het rietmoeras te liggen. ‘Daar creëren we veel ondiepe zones, waardoor waterplanten zich kunnen ontwikkelen en het gebied aantrekkelijk wordt voor vissen, schelpdieren en vogels.’ De golven die terugslaan van de Houtribdijk lopen straks aan die kant de moerasnatuur in, waar ze tot rust komen. De slibdeeltjes bezinken hier, waardoor helder water terugstroomt. Dit wordt dus een dynamisch gebied waar invloeden van wind en verschillen in zomer- en winterpeil schommelingen van zo’n 20 tot 30 centimeter kunnen veroorzaken. ‘Vandaar dat we spreken van wadden,’ verklaart Donker, ‘windwadden om precies te zijn.’

Nieuw ecosysteem

Donker is benieuwd of het in de praktijk gaat werken als verwacht. ‘Zeker weten doen we dat niet.’ Stefan Dekker, als onderzoeker aan de Universiteit Utrecht (Copernicus-instituut) betrokken bij de Marker Wadden, beaamt dat. ‘We hebben hier te maken met een “novel ecosystem concept”, oftewel een nieuw ecosysteem. We weten dus eigenlijk niet wat er gaat gebeuren.’ Vooraf is er wel het nodige onderzoek gedaan, nuanceert hij. Zo is in opdracht van Rijkswaterstaat vlak voor de Houtribdijk een 10 hectare tellend proefeilandje aangelegd, als onderdeel van het project Natuurlijker Markermeer/IJmeer. Ook water- en bodemspecialist Deltares, die zich al jaren bezighoudt met de ecologie van het Markermeer, heeft veel voorbereidend onderzoek verricht.
‘Het onderzoek dat wij doen draait vooral om het principe Building with Nature, want niet alleen de mens kan zijn omgeving “engineeren”, de natuur heeft dat zelf ook altijd gedaan. We komen er steeds meer achter dat we die kracht maar beter kunnen benutten. In het geval van de Marker Wadden onderzoeken we wat nu precies de rol van de natuur en in het bijzonder die van vegetatie is bij de vorming van zo’n eiland, en bij het stabiliseren ervan. Zand is vrij stabiel gebleken, maar klei en slib zijn veel gevoeliger voor erosie. We zijn dan ook benieuwd wat hier spontaan gaat groeien en wat er gebeurt als je ingrijpt, bijvoorbeeld door wilgengroei tegen te gaan. Of door riet te planten.’


‘Biodiversiteit is heel moeilijk om te zetten in geld’

Stefan Dekker


De verwachting is dat rietaanplant het inklinkproces van klei en slib zal versnellen, maar dat is nooit uitgetest. Dat gaan Dekker en consorten nu doen, op afgerasterde plots, kleine stukjes grond, op het eiland. ‘Althans dat hopen we, want we hebben net een groot projectvoorstel ingediend bij Stichting Toegepaste Wetenschappen, samen met TU Delft en Universiteit Nijmegen.’

Yoghurt

Ook voor Boskalis vormen de Marker Wadden een experiment. ‘Bouwen’ met slib is nog niet eerder gedaan. Het fijnere slib waarmee volgende eilanden gebouwd zullen worden – daar zal veel minder zand aan te pas komen – moet zich eerst verzamelen in een diepe, 2 kilometer lange, geul. Door de natuurlijke stroming in het meer, veroorzaakt door wind en golven, moet het slib vanzelf in de geul terechtkomen. De ervaringen met de vaargeul Amsterdam-Lelystad wekken de verwachting dat dit goed komt. ‘Het duurt waarschijnlijk een jaar, misschien twee, voordat er genoeg slib is om mee aan de slag te gaan. Deze “yoghurt” gebruiken we pas in fase 2, die valt niet binnen dit project,’ aldus Appelo.
Als het aan Natuurmonumenten ligt, komt ook dat volgende eiland er. En dat niet alleen: in het droom­scenario groeit het gebied op termijn uit tot een archipel van maar liefst 10.000 hectare. Met als resultaat een prachtig natuurgebied én een betere waterkwaliteit in het Markermeer.

Markermeer lijkt groen door slib en het IJsselmeerwater is blauw
Het Markermeer is vanuit de lucht te zien als een groene waas (troebel door slib), terwijl het IJsselmeerwater blauw is, een teken van helder water.

Business Case?

De financiering voor fase 1 is nog niet helemaal rond. De vraag is dan ook waar het geld voor fase 2 en 3 vandaan moet komen. Dat is een ander onderwerp waar Dekker en consorten zich mee bezighouden: is er een soort business case te bedenken voor dit project, zodat ook volgende fases realiseerbaar zijn? ‘Biodiversiteit is heel moeilijk om te zetten in geld, dat is een bekend probleem. Van belang is in elk geval dat veel verschillende partijen de meerwaarde van het project inzien en bereid zijn erin te investeren.’ In dat opzicht lijken de seinen op groen te staan: er zijn niet voor niets twee ministeries – Infrastructuur & Milieu en Economische Zaken – aan boord. Volgens Donker komt er voor echt goede ideeën uiteindelijk altijd geld vrij. ‘Dat is mijn ervaring na 33 jaar natuurbeheer. Het bijzondere aan de Marker Wadden is dat natuurlijke en economische belangen zo goed samengaan.
De natuurwaarde van het gebied zal toenemen, maar tegelijkertijd kan deze onderneming een boost betekenen voor het baggerwerk als exportproduct: als het bouwen met slib succesvol blijkt, is dat uitstekend nieuws voor de Nederlandse waterbouw. Slib is tenslotte een wereldwijd probleem. Prachtig dat de ­neuzen zo één kant op staan, zeker als je bedenkt waarvoor: een weergaloos vogelparadijs!’

[tabs]
[tab title=”Marker Wadden”]

Financiering

Met 15 miljoen euro uit het Droomfonds van de Nationale Postcode Loterij kon Natuurmonumenten samen met vaste partner Rijkswaterstaat een begin maken met dit ambitieuze plan voor nieuwe natuur in het Markermeer.
De overheid investeerde 30 miljoen euro en provincie Flevoland­ droeg 3,5 miljoen euro bij, waarna aanleg van het eerste en grootste eiland van start ging. De kosten voor dit eiland zijn relatief hoog, omdat het – als enige – toegankelijk zal zijn voor publiek. De complete eerste fase is begroot op circa 75 miljoen euro. Natuurmonumenten hoopt nog op bijdragen van provincie Noord-Holland, Europa en private partijen. Ook een crowdfundingcampagne staat op stapel.

Uitvoering

Uitvoerder is baggeraar Boskalis, ondersteund door advies- en ingenieursbureau Witteveen+Bos voor de ecologische knowhow en ontwerp- en adviesbureau Arcadis voor specifieke kennis van morfologie (sedimentbeweging). Landschapsarchitectenbureau Vista tekende voor het ontwerp. Geestelijk vader van de Marker Wadden, tevens projectdirecteur, is Roel Posthoorn.

Natura 2000

Het Markermeer is een van de 160 Natura 2000-gebieden in Nederland (Markermeer/IJmeer). Natura 2000 vormt de kern van het EU-beleid ter behoud en herstel van biodiversiteit in de Europese Unie, gebaseerd op de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Het Markermeer/IJmeer is van internationaal belang als broed-, foerageer-, rui-, rust- en overwinteringsgebied voor tal van vogelsoorten. Deze zijn afhankelijk van een gezonde visstand en onderwaternatuur.

Bezoekers

Het eerste eiland is waarschijnlijk eind dit jaar (onder begeleiding) te bezoeken. Speciaal hiervoor richt Boskalis een tijdelijk drijvend informatiecentrum in. Medio 2018 kunnen natuurliefhebbers aanmeren in de jachthaven of vanuit Lelystad of Enkhuizen een uitstapje maken naar de Marker Wadden.

Info: Natuurmonumenten


Marker Wadden – Van droom naar werkelijkheid (Natuurmonumenten)


Marker Wadden Vogelparadijs (Arcadis)

[/tab]
[/tabs]

Nieuw Bezoekerscentrum Grebbelinie bij Fort aan de Buursteeg

0
Nieuw Bezoekerscentrum Grebbelinie op Fort aan de Buursteeg

De Grebbelinie krijgt een nieuwe toeristische trekpleister: Bezoekerscentrum Grebbelinie. Binnenkort gaat de bouw van start. Het gebouw komt te staan op Fort aan de Buursteeg, gelegen tussen Ede, Veenendaal en Renswoude. Het centrum vertelt het verhaal van het fort, dat stamt uit de 18e eeuw. Een verhaal dat begint bij Napoleon en via de Tweede Wereldoorlog uitkomt bij de reconstructie van het fort, in 2014.

Fort aan de Buursteeg is strategisch opgebouwd uit kazematten, bastions, dijken, vestingwallen en grachten. Het bezoekerscentrum, opgedeeld in een museum en een restaurant, wordt gebouwd binnen de grachten van het fort.

Winnend ontwerp

Bijzonder aan het fort is dat het feitelijk een verkeersknooppunt is. Zo loopt de spoorlijn Utrecht – Arnhem er dwars doorheen, gebruik makend van de historische toegangswegen naar het fort. Station De Klomp-Veenendaal ligt vlakbij, net als de A12 en de Grebbelinieroute voor fietsers en wandelaars. Het bezoekerscentrum vertelt, naast informatie over het fort, ook het verhaal van het Nationaal Park Grebbelinie en diens geschiedenis. Buro 3515 leverde het winnende ontwerp voor het bezoekerscentrum. Met de aanleg van een lange betonnen gevel wordt slim de link gelegd met de historische fortenbouw en tegelijkertijd een geluidswal opgeworpen tegen de parallel gelegen spoorlijn. Afgelopen 30 mei zijn de gunningsstukken getekend door Staatsbosbeheer, die namens de partijen de opdracht voor de bouw heeft gegund aan aannemer Temmink.

Opening Bezoekerscentrum Grebbelinie

Naast de bouw van het bezoekerscentrum komt er een nieuw parkeerterrein en een nieuwe wandelverbinding tussen station de Klomp en het fort. Plannen voor de ontwikkeling van het zuidelijk deel van het fort worden nog verder uitgewerkt. Ook wordt rekening gehouden met een tunnelproject van ProRail in 2019, tussen het zuidelijk en noordelijk deel. De realisatie van het bezoekerscentrum is mogelijk door de samenwerking tussen de provincies Utrecht en Gelderland, Staatsbosbeheer, Waterschap Vallei en Veluwe, Gebiedscoörperatie O-gen, Regio Foodvalley en de omliggende gemeenten Renswoude, Veenendaal en Ede. De bouw neemt naar verwachting een jaar in beslag. Na de zomervakantie beginnen de voorbereidende werkzaamheden en in de zomer 2017 wordt Bezoekerscentrum Grebbelinie geopend voor publiek.

Beeld: Buro3515

Station Breda eerste station met appartementen

0

Station Breda is volledig vernieuwd. Na jarenlange verbouwing is het nieuwe station af. Het immense gebouw is niet alleen een plek waar men op de trein stapt, er wordt ook in gewoond. Uniek in Nederland.

Het volledige complex is veel groter dan het oude station, dat op dezelfde plek lag. Appartementen, kantoren en winkels: het station is een multifunctioneel gebouw geworden. En dat voor een relatief klein station, met 3 perrons en zeven sporen. Daar tegenover staat 9.000 vierkante meter winkelruimte en 22.000 m2 aan kantoren. Gisteren is het complex opgeleverd.

Eerste station met woningen

Breda is de eerste stad met een station waar ook in gewoond wordt. In het gebouw bevinden zich 150 appartementen, die zo zijn geïsoleerd dat de bewoners geen geluidsoverlast van het treinverkeer ondervinden. De verkoop van de commerciële ruimtes verliep voorspoedig. De meesten zijn al verhuurd. Van de kantoorruimte is 90 procent verhuurd, met de Belastingdienst als grootste huurpartij. Eind 2017 zullen er naast het station nog drie gebouwen komen, waarvan 15.000 m2 zal bestaan uit kantoorruimte.

Uitdaging

Het hele proces van idee tot realisatie nam tien jaar in beslag, waarvan vier jaar bouwtijd. Een helelogistieke legpuzzel, aldus de betrokken partijen. Met name omdat het treinverkeer geen hinder van de verbouwing mocht ondervinden. Volgens het ontwerpteam, bestaande uit RoyalHaskoningDHV en Movares, was het ontwerp van een groot parkeerdek op het stationsdak de grootste uitdaging. Dit dek ligt boven de treinsporen en heeft ruimte voor 720 auto’s. Met behulp van een lichte staalconstructie werd ervoor gezorgd dat er minimale gevolgen waren voor de dienstregeling.

Groei station Breda

De capaciteit van Station Breda is nu veel groter. Daarbij is rekening gehouden met verder groei in de toekomst. De NS en ProRail verwachten dat er in 2020 dagelijks 57.000 reizigers per dag instappen. Meer dan een verdubbeling ten opzichte van de 28.000 per dag in 2009. Dat komt vooral doordat internationale in de toekomst vanuit Breda rechtstreeks naar Antwerpen en Brussel zullen rijden. 8 september wordt het nieuwe station feestelijk geopend. De plaatselijke VVD-fractie denkt momenteel na over de aanleg van een goede looproute van het station naar de binnenstad.