Home Blog Pagina 381

Uitverkoop rijksvastgoed

0
Uitverkoop rijksvastgoed

Vooralsnog zonder kortingen

Door een efficiëntere en kleinere overheid zal het Rijk tot en met 2020, 3,5 miljoen vierkante meter beschikbaar vloeroppervlak afstoten. Van uniek monument tot kantorencomplex, van kazerne tot gevangenis; een generieke oplossing voor een nieuwe invulling van de totale oppervlakte is er niet. De overheid is druk bezig de organisatie van de afstoot op poten te zetten. Is financiële opbrengst daarbij leidraad, of is er ook genoeg aandacht voor de maatschappelijke kansen die de afstoot met zich meebrengt?

Het is een opgave zonder precedent, in een tijd waarin werk- en leefruimte in Nederland alles behalve schaars is. Hoe kan het dat plotseling zo veel ruimte overbodig blijkt te zijn? Volgens minister Blok is het Rijk de grootste bezitter van leegstaande vierkante meters van Nederland. De afstootopgave is het gevolg van bezuinigingen en een krimpende overheid, maar de hoeveelheid aan overtollig vastgoed doet vermoeden dat ook het Rijk schuldig is aan het overaanbod op de vastgoedmarkt, met name waar het kantoren betreft. Er is gebouwd en geïnvesteerd waar het niet nodig was. Een deel van de af te stoten gebouwen staat al leeg en een enkel gebouw is zelfs afgeschreven. Op het eerste gezicht is de gigantische afstoot dan ook opportuun. Het aanbodoverschot op de Nederlandse vastgoedmarkt, met name op de kantorenmarkt, zal een nieuwe boost krijgen, wat funest kan zijn voor vastgoedhoudende marktpartijen.
December jongstleden vond de presentatie plaats van twee adviezen over de thematiek, geïnitieerd door de minister voor Wonen en Rijksdienst, Stef Blok. Zowel het College van Rijksadviseurs, CRA, als de Raad van Leefomgeving en Infrastructuur, RLI, bracht een onafhankelijk rapport uit. Gemeenschappelijke deler van beide adviezen is dat de overheid niet enkel naar de financiële opbrengst dient te kijken, maar ook naar maatschappelijk rendement en de morele verantwoordelijkheid jegens de gebouwen en hun omgeving. Iets concreter: de hoogste bieder hoeft niet per se de beste koper te zijn. Daarnaast werd afgeraden van te voren per object een maximale opbrengst in te boeken.
Een half jaar voor deze adviezen vond het symposium ‘diversiteit van de leegstand’ plaats, een oriënterende bijeenkomst over de problematiek van leegstand in Nederland. Op beide gelegenheden sprak minister Blok als een volleerd makelaar over de panden die hij in de aanbieding heeft. Toch bespeurde rijksadviseur van het CRA, Eric Luiten, bij de afgelopen bijeenkomst een verandering van houding bij de minister. “Was hij eerst nog wat opportuun over de objecten die voor een aanvaardbare prijs moeten worden verkocht, nu ging het al meer over de verantwoordelijkheid voor de gebouwen en de context.”
De minister sprak over ‘balanceren op verschillende doelen’. “Net zo wezenlijk als de vraag: ‘wat levert het op’, is de vraag ‘wat doe je met het weefsel van een stad, hoe voorkom je rotte plekken’.” Om daar direct aan toe te voegen dat het zijn taak is ‘het onderste uit de kan te halen’.

Geld van de belastingbetaler

De afstootopgave gaat gepaard met reorganisatie van de vastgoedhoudende diensten van de overheid. Sinds 1 juli 2014 zijn vier van de negen diensten samengegaan onder de noemer ‘Rijksvastgoedbedrijf’. Deze clustering heeft mijns inziens voor- en nadelen voor de afstoot. Het voordeel is dat op overheidsniveau gezamenlijk, integraal, met een visie aan de slag kan worden gegaan, dat makkelijk geschakeld en overlegd kan worden en dat men niet snel langs elkaar heen zal werken. Het nadeel is dat de reorganisatie en de juiste afstemming daarvan, tijd kost. Het CRA constateert een achterstand wat betreft het integreren van vormgeving en uitvoering van de plannen en de koppeling met al bestaand ruimtelijk regionaal beleid. Terwijl het proces al is gestart, is de organisatie nog volop in ontwikkeling. Een andere bijkomstigheid is dat door fusering diverse mentaliteiten bij elkaar zijn gebracht, die gezamenlijk zullen moeten opereren. Tijdens de bijeenkomst in december was van verschillende kanten te horen dat het Rijksvastgoedbedrijf de goede weg heeft ingeslagen, maar dat in zijn totaliteit nog steeds te traditioneel wordt gedacht: bij afstoot gaan voor het volle pond. Genoegen nemen met minder dan de marktprijs voor een gebouw, wordt door het Rijksvastgoedbedrijf uitgelegd als staatssteun of een onverantwoorde omgang met het geld van de belastingbetaler.
Met de start van het Rijksvastgoedbedrijf en de start van de unieke afstootopgave is het tijd voor een andere benadering. Dat is de conclusie van de adviseurs en externe betrokkenen. En deels ook van de organisatie zelf. Toch werden belastingbetaler en staatssteun weer genoemd om te beargumenteren dat men op de centen blijft. Yvonne van der Bruggen, directeur Portefeuillestrategie en Portefeuillemanagement van het RVB, reageerde op de bijeenkomst op de adviezen: “We hebben nog niet één-twee-drie voor elkaar hoe we invulling geven aan het verkopen van vastgoed. Maar enkel naar geld kijken is verleden tijd. We bevinden ons in een spagaat tussen verantwoordelijkheid voor het geld van de belastingbetaler dat in de gebouwen is gestopt en verantwoordelijkheid voor de omgeving.”
Een opmerkelijke regel in het advies van de RLI werpt een ander licht op het ‘geld van de belastingbetaler’. De zin luidt: ‘Rijksvastgoed vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde, een waarde die niet of nauwelijks in de rijksbegroting is opgenomen’. Zo beschouwd is de opbrengst van de verkoop van de gebouwen te formuleren als winst voor de staatskas. Daar komt bij dat de afstootopgave het gevolg is van bezuinigingen door een kleinere en efficiëntere overheid en – volgens de RLI – nooit als middel is geformuleerd om tekorten te dichten. Dat zou ook onverstandig zijn met een portefeuille die zo verweven is met de ruimtelijke omgeving.
Wanneer er sprake is van maatschappelijk rendement kan de overheid dus genoegen nemen met minder dan het volle pond, zonder dat het pijn doet in de portemonnee. De redenatie aangaande de belastingbetaler is naar mijn mening een vreemde, aangezien het geld dat in de gebouwen is gestoken, al is gebruikt. De overheid heeft te veel geld in gebouwen geïnvesteerd en wil het overschot nu verkopen. Vasthouden aan het volle pond betekent dat, achteraf bekeken, de overheid het geld min of meer ‘belegd’ heeft in de gebouwen. Deze fout erkennen en de gebouwen ‘teruggeven’ aan de maatschappij is een logische oplossing. Bijdragen aan maatschappelijke ontwikkeling is wat de belastingbetaler juist graag ziet gebeuren met zijn of haar geld.

Liefdesrelatie

Zowel in de adviezen, als in de woorden van de sprekers op de bijeenkomst, Marnix Norder en Martin Cnossen,­ (die beiden opereren in het gebied tussen markt en overheid) klinkt de raad voor de overheid door, om van tevoren ervan uit te gaan dat niet alle gebouwen verkocht kunnen worden voor de getaxeerde waarde. Waar kopers uitblijven, is het geven van kortingen aan maatschappelijk rendabele projecten, of projecten die aansluiten bij landelijke, provinciale of gemeentelijke beleidsdoelen een oplossing. In het huidige beleid is die ruimte er nog niet. Staatssteun en marktondermijning zijn gevaren die bij het geven van kortingen op de loer liggen. Maar elke opstelling van de overheid ten spijt, men kan stellen dat er sowieso sprake is van marktondermijning door een dergelijk groot aantal vierkante meters op de markt te brengen. Dat neemt niet weg dat marktondermijning verantwoord of onverantwoord plaats kan vinden.
Langdurige leegstand, wachten op een koper die niet komt, zal negatieve maatschappelijke en economische gevolgen voor een regio of stad hebben. Men moet niet huiverig zijn om initiatieven met maatschappelijke of economische uitstraling tegemoet te komen. De huidige opgave zonder precedent vereist ook een aanpak zonder precedent. Zo luidde in het kort het pleidooi van Marnix Norder, oud-wethouder Den Haag.
Er staat een rode loper in de kast voor marktpartijen en burgerinitiatieven met geld of goede ideëen. De komende maanden zal blijken in hoeverre de overheid dit beseft en of het die loper uit zal rollen. Het is denk ik de enige manier om van de afstootopgave een succes te maken. Na de overdracht van de adviezen vond een levendige discussie plaats hoe het Rijk – en met name het Rijksvastgoedbedrijf – als verkopende partij zou moeten opereren. Kopende partijen moet duidelijk zijn dat er een voordelige situatie is, en waar niet, zal die situatie gecreëerd moeten worden. Marnix Norder sprak van een liefdesrelatie. Men gaat op zoek naar de partner met de juiste eigenschappen, die wordt vervolgens verleid, waarna tijdens de relatie geïnvesteerd moet blijven worden in de liefde. Daarbij bekritiseerde hij de wijze waarop werd geadviseerd om de EMVI-methode toe te passen. Deze methode, uitgaande van de economisch meest voordelige inschrijving, selecteert uit verschillende bieders degene met de beste prijs-kwaliteit verhouding. Een te afwachtende houding; voor met name de grotere gebouwen zal zich dan niemand melden, verwacht Norder.
Er is sprake van een diversiteit aan objecten en ieder object heeft een eigen benadering nodig. Er kunnen en moeten misschien diverse draaiboeken voor diverse vastgoedcategorieën ontwikkeld worden, maar iedere opgave is uniek. Waar sprake is van een monumentaal pand met uitstraling op de hele omgeving, kan het stellen van eisen, via de EMVI-methode, wellicht functioneren. Beste voorbeeld is het Armamentarium in Delft, dat kampt met leegstand sinds het Legermuseum vertrok naar Vliegbasis Soesterberg. Bij een dergelijk prestigieus pand kan men zich makkelijker veroorloven een pakket van eisen en voorwaarden samen te stellen. Extra positief is dat bij het Armamentarium sprake is geweest van samenspraak tussen Rijksvastgoedbedrijf, gemeente en burgerinitiatief om te komen tot de juiste voorwaarden. Komende maanden zal bekend worden welke partij de beste prijs-kwaliteit verhouding heeft en dus de nieuwe eigenaar wordt. Dan wordt gelijk duidelijk of dit systeem functioneert. Een dergelijke aanpak gaat echter vooral op voor rijksmonumenten met uitstraling.

Lokale aangelegenheid

Norder gebruikte het op de markt brengen van een compleet ministeriegebouw als voorbeeld voor zijn relatietheorie. Daar waar de markt wringt, waar het zoeken wordt naar kopers, moet de overheid de hand toereiken. “Kopende partijen moeten veel onderzoek doen naar gebouw en techniek, en ook naar gemeentelijke bepalingen als parkeernormeringen. Daarin kan de overheid een rol spelen, door dergelijke bepalingen in het voordeel van de koper te wenden. De waardebepaling kan dan alsnog objectief plaatsvinden via een openboek benadering.”
Het Rijksvastgoedbedrijf voelt echter nog geen ruimte wat betreft regelgeving en financiën, om het kopers en ontwikkelaars naar de zin te maken. Van der Bruggen: “Het kan niet zo zijn dat wanneer een ondernemer naar ons toekomt met een goed idee, we direct zeggen ‘knijp, we gaan aan de slag’, omdat je de partij die zich aanbiedt dan een voorkeurspositie geeft. Het is interessant om te verkennen hoe je de ondernemers op een gelijk platform krijgt en naar het beste bod gaat, dat niet per se de beste prijs hoeft te zijn.”
Gezien het overaanbod, met name wat betreft kantoren (zie kadertekst), zal de overheid echter in veel gevallen blij moeten zijn wanneer een marktpartij zich aanbiedt met een goed idee en is het verstandig om dan gericht te handelen. Bij een relationele aanpak zoals Norder die bepleit, is een belangrijke rol weggelegd voor gemeenten. Gemeenten gaan over bestemmingswijzigingen en kunnen met gemeentelijke bepalingen ingrijpen om de aantrekkelijkheid voor een eventuele koper te vergroten. ‘Ontwikkeling is een lokale aangelegenheid’, was een pijler in het betoog van Norder. Daarnaast verzekerde hij dat de huiverigheid om te snel in zee te gaan met een marktpartij nergens voor nodig is. “Iedere grote gemeente gaat zo te werk. Ook vanuit Europese wetgeving is er niks op tegen.”
Het advies van de RLI: ‘benader gemeente en provincie, in die volgorde’, en het CRA, dat nadrukkelijk wees op de verantwoordelijkheid voor de lokale context van de gebouwen, sluiten hierbij aan. De beleidsstrategie van het Rijk zou hierop kunnen inhaken door in te zetten op een strategie met een luisterend oor voor markt en gemeente. Om zo per object, per gemeente en per regio, de beste oplossingen, niet zo zeer zelf te verzinnen, maar te faciliteren en te ‘belonen’. Dat voorkomt tevens dat het Rijksvastgoedbedrijf te veel hooi op de vork neemt en overbelast raakt. Dit geldt ook voor het bepalen van de fasering van de afstoot. Gemeenten kennen de kansen en problemen per stad en per regio vaak beter dan het Rijksvastgoedbedrijf. Daarnaast kan de afstootopgave geïntegereerd worden met beleidsdoelen van gemeente en provincie. Het Rijksvastgoedbedrijf haakt hierop in, door gemeente en provincie voor alle objecten de eerste koopoptie te geven. Echter voor niets minder dan het volle pond, zo meldt het Rijksvastgoedbedrijf in reactie op de adviezen.

Flevoland als voorbeeld

Eric Luiten mist nog een stukje organisatie van de organisatie, ook al constateert hij wel dat het de goede kant opgaat: “In het Rijksvastgoedbedrijf huizen verschillende zielen in één organisatorische borst. Verschillende posities, meningen, verwachtingen en beschouwingen met betrekking tot de afstootopgave. Ons advies is niet dat iedereen zich buitengewoon contextueel en maatschappelijk zou moeten gaan gedragen, maar dat explicieter wordt gemaakt wanneer een bredere waardebenadering dan een financiële op zijn plaats is en wanneer niet. Hoe dit nu wordt bepaald, hangt in grote mate af van de rolopvatting van de betrokken persoon van het Rijksvastgoedbedrijf per project en de wil van de gemeente om zich via het bestemmingsplan te mengen in de casus. Afwegingen verlopen zelden verifieerbaar.” Luiten pleit voor heldere instrumenten om orde en transparantie te creëren. Ziet hij die gedachte terug bij het Rijksvastgoedbedrijf? “Ik zie mensen daar naar toe werken. Ik zit er niet bovenop, maar op verschillende fronten worden pilots opgestart en bredere analyses gemaakt, waardoor het onderbouwen van die bredere benadering gestalte krijgt. Maar het is nog in de aftastfase. Wat mij betreft wordt er een volwaardige afstootprocedure doorontwikkeld.”
Vooralsnog lijkt het Rijksvastgoedbedrijf diverse werkwijzen uit te proberen, om te zien welke succesvol zijn en welke niet. De ontwikkelde “Rijksvastgoedportefeuillestrategie” wordt periodiek herijkt. Op beleidsmatig gebied is de overheid dus druk bezig de afstoot vorm te geven en het is positief dat daarvoor aan diverse kanten hulp en advies wordt gevraagd. Ook wordt geëxperimenteerd om bestaande instanties en beleidsdoelen van verschillende departementen samen te voegen. Het CRA constateert dat de uitvoering van ruimtelijk beleid voor een groot deel in handen is gelegd van andere overheden dan vastgoedhoudende. Zowel het huisvestingsvraagstuk als ruimtelijke ontwikkelingen in de publieke sector zijn de laatste jaren grotendeels georganiseerd op provinciaal en gemeentelijk niveau. De vastgoedportefeuille zou dat voorbeeld volgens de adviezen kunnen volgen en, waar een regionaal probleem of regionale ambitie aanwezig is, integreren met de doelen van deze departementen.
De provincie Flevoland is de eerste provincie dat elk project eerst onderzoekt via de gebiedsgerichte aanpak MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport). In een samenwerking tussen Rijk, provincie en gemeente wordt in Lelystad gekeken naar het af te stoten kantooroppervlak, dat – ook daar – plaatsvindt
in een omgeving waar al veel kantoorleegstand is. Volgens de op de bijeenkomst aanwezige ambtenaar
van provincie Flevoland is een strategische regionale benadering noodzakelijk, in een situatie van overaanbod. Er wordt gezocht naar integratie met andere ruimtelijke opgaven en economische activiteit in de regio. De eerste ervaring is dat problemen in regel-
en wetgeving door de samenwerking sneller worden overwonnen. Het bleek dat de provincie het liefst nog eerder, helemaal vanaf het begin, bij de plannen van het Rijk was betrokken. Het RLI adviseert om het Rijksvastgoedbedrijf te organiseren volgens de gebiedsindeling van het MIRT, in acht verschillende regio’s in Nederland, om zo de koppeling met MIRT te kunnen maken en het ontwikkelen van een strategie per provincie en gemeente en politieke besluitvorming te versoepelen.

Loslaten

In vergelijking met de instanties die voorafgingen aan het Rijksvastgoedbedrijf, is de houding van de overheid volgens de betokkenen dus al enigszins opengebroken. De komende maanden zal blijken in hoeverre deze lijn zal worden doorgezet en hoe ontvankelijk de minister en de strategiebepalers zijn voor de adviezen. De cruciale vraag is natuurlijk, ziet de overheid de enorme kans op maatschappelijk rendement?
Ronald Rietveld, van architectenbureau RAAAF, hield in B+U 5 2014 een pleidooi voor creatieve oplossingen. Zijn gedachtegoed verdient volgens mij navolging, ook waar de realiteit uit het oog verloren wordt. Zonder fantasie gaat het voor veel gebouwen niet lukken om een nieuwe invulling te vinden. Zeker wat betreft herbestemming kan er niet genoeg in kansen en buiten de lijntjes worden gedacht. Een interessante optie die nog niet genoemd is, maar wel door het CRA wordt aanbevolen, is sloop van langdurig leegstaand vastgoed. Met name van kantoren die langer dan drie jaar in onbruik zijn.
Na een termijn van drie jaar is het zeer onwaarschijnlijk dat zich nog een partij meldt, beargumenteerde Rudy Stroink op het symposium ‘diversiteit van de leegstand’.
Hier komt de Januskop van de overheid om de hoek kijken. Voor de overheid als private partij op de vastgoedmarkt is sloop een tegennatuurlijke actie. Wat betreft de publieke taak van de overheid dient sloop echter twee doelen. Ten eerste wordt in krimpgebieden een negatieve spiraal voorkomen of doorbroken. De rol die langdurige leegstand speelt in de negatieve spiraal waarin krimpgebieden zich bevinden moet uitgeschakeld worden. Enkel door zéér creatieve herbestemming, of door sloop en aanleg van parken en natuur, is het mogelijk om langdurige leegstand te hervormen tot een stimulans voor krimpgebieden. Daarnaast helpt sloop volgens Stroink om het evenwicht op de markt te herstellen. Waar kantoorpanden die langer leegstaan dan drie jaar nooit meer verkocht zullen worden, verstoren ze wel de markt, door de prijzen van functioneel vastgoed laag te houden. Afschrijving en sloop werkt in dat opzicht ook in het voordeel van de private functie van de overheid om ander, nog functionerend vastgoed, van de hand te doen voor een reële prijs. Het CRA wijst op de mogelijkheden tot recycling van materiaal, waardoor sloopkosten gereduceerd worden.
Met in gedachten de mentaliteit van Rietveld, is de afstootopgave een momentum voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Nederland. Door wetgeving is het bevoordelen van de ene partij boven de andere door de overheid verboden, tenzij een economische activiteit het algemeen belang dient. Dit schept ruimte om vol in te zetten op maatschappelijk gewin, waar kopers met een serieus bod uitblijven. Daarbij hoeft het niet het Rijk, de provincie of gemeente te zijn die de nieuwe invulling gaat verzinnen. Wanneer er duidelijk wordt gecommuniceerd zijn architecten als RAAAF prima in staat om het algemeen belang te dienen. En bij dergelijke architecten schuilt ook de meeste kennis en creativiteit omtrent het vraagstuk van leegstand, herbestemming en herontwikkeling, terwijl bij marktpartijen kennis schuilt over economisch rendabele invullingen.
Juist de noodzaak die de opgave en de huidige markt­situatie met zich meebrengt voor rijk, provinice, gemeente, ontwerpers, aannemers, ondernemers en burgers om samen te werken, behelst een belofte dat een succesvolle samenwerking een nieuwe economische en maatschappelijke dynamiek op gang kan brengen. Het Rijk dient te beseffen dat een sterke sturende en bepalende houding daarbij frustrerend werkt en zo mogelijk losgelaten kan worden. Burgers en markt­partijen moeten op hun beurt beseffen dat ongevraagd initiatief wel eens beloond kan worden. Dat sluit goed aan bij de opvattingen van dit kabinet over de partici­patiesamenleving. Want de afstootopgave van de overheid is ‘een mooie opgave, een opgave voor de hele samen­leving’, aldus minister Blok. Durf in ruil daarvoor een deel van de verantwoordelijkheid voor het vastgoed over te dragen en een deel van de financiële waarde los te laten.

[tabs]
[tab title=”Cijfers en data”]
Tot en met 2020 zal het Rijk 3,5 miljoen vierkante meter overbodig vloeroppervlak afstoten. Daarvan is 1 miljoen kantooroppervlak. Het Rijk beschikt met 5 miljoen m2 over 10% van het totale kantooroppervlak. Het Rijk stoot dus 20% van het eigen gebruikte kantooroppervlak af en 2% van het totaal kantooroppervlak in Nederland. In 2014 stond zowat 20% leeg van de circa 50 miljoen m2 beschikbaar vloeroppervlak in Nederland. De helft van die leegstand is structureel, langer dan drie jaar. Stagnerende bevolkingsgroei en het ‘nieuwe werken’ (flexwerken en slimmere en effectievere omgang met ruimte), maakt dat de vraag naar kantoorruimte op zowel de korte als lange termijn niet sterk zal stijgen.
De regionale verschillen wat betreft de afstoot zijn groot. In Drenthe vindt een afname plaats van 47,7% van rijkskantoren, terwijl dat in Noord-Brabant 19,5% is. In Den Haag vindt logischerwijs verreweg de grootste afstoot plaats: in totaal 296.991 m2 tegenover 6.595 m2 in Flevoland. Exclusief Den Haag zoekt in Zuid-Holland nog eens 160.043 m2 naar een nieuwe eigenaar. Door een voorkeur voor het afstoten van huurpanden, zal het aantal panden in eigendom van de overheid stijgen van 55% naar 70%. Door de bezuinigingen op kosten voor huisvesting en werkplekken beoogt het Rijk vanaf 2020 jaarlijks € 142 miljoen te besparen, waarvan € 62 miljoen in Den Haag.
Eind maart 2015 komt de Algemene Rekenkamer met een advies, waarin naar eigen zeggen de mogelijkheid van maatschappelijk rendement via de afstoot zal worden meegenomen. In het voorjaar volgt ook een officiële reactie van het kabinet op de adviezen. Daarnaast wordt de te volgen strategie zoals vastgesteld in de Rijksportefeuillestrategie door een interdepartementele commissie periodiek herijkt.
5 december 2014 verscheen de publicatie ‘Rekenen op herbestemming’, waarin de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verslag doet van 25+1 succesvolle herbestemmingen in Nederland.

(Bronnen: Advies ‘Vrijkomend rijksvastgoed – over maatschappelijke doelen en geld’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur en Planbrueau voor de Leefomgeving)

[/tab]
[/tabs]

Sustainable Urban Deltas

0

Los zand of fundament voor de toekomst?

High Tech Campus, Eindhoven. Buiten is het donker, binnen geeft Kees van Grieken, Technisch Directeur van Priva, op uitnodiging van projectbureau REEF zijn visie op Sustainable Urban Deltas. ‘Ik heb geen glazen bol, maar ontwikkelingen als Big Data en Internet of Things zullen van grote betekenis zijn voor de gebouwde omgeving.’

De realisatie van Sustainable Urban Deltas is bittere noodzaak. Waarom? Omdat er wereldwijd 180.000 mensen verhuizen van het platteland naar de stad. Per dag! Over vijftien jaar woont 60 procent van de wereldbevolking in grootstedelijke gebieden. Noodzaak genoeg, zou je zeggen. En toch, de realisatie van deze duurzame Deltas staat nog in de kinderschoenen, zo vernemen we van Kees van Grieken. ‘Eigenlijk is Nederland één grote delta. De geografische mogelijkheden zijn aanwezig, en in technologisch opzicht is er ook al zo veel mogelijk. Het wordt tijd dat we dat zien en het gewoon gaan doen.’

Delta

Een delta is een stelsel van aftakkingen van een rivier, voordat deze in zee of in een groot meer uitmondt. Nederland bestaat voor een groot deel uit het aaneengesloten deltagebied van de Rijn, Maas en Schelde. Hun mondingen liggen in Zeeland en Zuid-Holland. De Randstad vormt hiermee het hart van de Nederlandse Delta.

Water

Door de aanwezigheid van water zijn Deltas vruchtbare gebieden. Ze zijn verder dichtbevolkt en bieden veel werkgelegenheid en economische activiteit. Ze zijn vaak ook laaggelegen. Dat maakt ze tegelijkertijd kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatverandering. Stadsbesturen van deltasteden over de hele wereld werken nu al samen om de gevolgen van de klimaatverandering in goede banen te leiden.

Visie

Vorig jaar presenteerde Priva tijdens de Hannover Messe een wel heel bijzondere visie op de wereldwijde trend van verstedelijking. Kees van Grieken: ‘In een Sustainable Urban Delta is het prettig wonen en werken. Het is het duurzame antwoord op de toenemende bevolkingsgroei in stedelijke gebieden. Maar hoe realiseer je zo’n duurzame stedelijke delta? Hoe zorg je dat al die mensen te eten krijgen? Wat doe je om zo min mogelijk water te verspillen en energiestromen zo efficiënt mogelijk in te zetten? Twee dingen. Het gaat er om dat je vraag en aanbod bij elkaar brengt. En dat je er in slaagt om kringen te sluiten.’

Aanjager

Werk maken van Sustainable Urban Deltas betekent
dat je kansen moet zien en herkennen. Op de website www.sustainableurbandelta.com heeft Meiny Prins, algemeen directeur van Priva, verschillende cases verzameld op het gebied van water, voedsel, kennis en energie. Goede voorbeelden van projecten die binnen hun eigen context bijdragen aan de realisatie van de Nederlandse duurzame delta. We lichten er enkele uit.

Urban farming

Op het dak van een oude Philips fabriek in Den Haag komt een kas van 1200 vierkante meter te staan. Het pand staat nu zo goed als leeg en zal zich in de toekomst verder ontwikkelen tot stadslandbouwcentrum ‘Urban Farming De Schilde’. Met een totale investering van 2,6 miljoen euro wordt De Schilde de grootste commerciële stedelijke voedselproductievoorziening van Europa. In de kas op het dak worden exclusieve groenten geteeld. Maar ook een indoor visboerderij is onderdeel van het concept.

Leiding over Noord

Ander voorbeeld is Leiding over Noord, een pijpleiding die het noordelijk deel van Rotterdam met het Rotterdamse havengebied verbindt. Bij de petrochemische industrie en afvalverwerking in Rotterdam komt veel warmte vrij. Deze warmte wordt geloosd in de Nieuwe Maas en dat is zonde. Door overtollig heet water uit het havengebied te transporteren naar de stadsverwarming op de noordoever van Rotterdam, worden Rotterdamse huishoudens met restwarmte uit de industrie verwarmd. Dat is natuurlijk veel duurzamer dan het gebruik van fossiele brandstof. Het zuidelijk deel van de stad is al aangesloten op restwarmte uit de industrie.

Uniek

Leiding over Noord is een uniek project. Het maakt deel uit van de zogenaamde warmterotonde, een energienetwerk in Zuid-Holland waarop restwarmte van de industrie gebruikt kan worden om huizen en kantoorpanden te verwarmen. Op den duur zou er een netwerk moeten ontstaan in Zuid-Holland waarop iedereen die warmte ‘over’ heeft, kan leveren. En waar iedereen die warmte nodig heeft, kan afnemen. Het unieke aan dit project is dat het grootste glastuinbouwgebied ter wereld, het Westland, nog geen 10 kilometer naast een van de grootste havens ter wereld ligt. Kees van Grieken legt uit waarom: ‘De tuinbouw kan ook andere restproducten zoals CO2 benutten. Deze worden gebruikt om de groei van bloemen en groenten te bevorderen. Afval wordt voedsel dus.’

Smart Polder

Nog zo’n aansprekend project is Smart Polder, een oplossing die watermanagement combineert met de opwekking en het efficiënte gebruik van hernieuwbare energie. In de Smart Polder wordt het wegpompen van oppervlaktewater gecombineerd met het onttrekken van warmte en kou aan oppervlaktewater. Via een warmtewisselaar wordt energie getransporteerd door middel van een ‘Smart Thermal City Grid’ waarmee woningen, kantoren en andere gebouwen worden opgewarmd of gekoeld.

Samen

De website heeft de functie van een community. Kees van Grieken legt uit: ‘Laat het duidelijk zijn dat de realisatie van Sustainable Urban Deltas geen Priva product of dienst is. Het is onze visie op de toekomst. Om die te realiseren, zijn meerdere partijen nodig. Wij kunnen dat niet alleen. Innovatie vindt juist plaats op het snijvlak van sectoren, waar verschillende branches elkaar ontmoeten en vraag en aanbod samenkomen. Het is de kunst om het juiste klimaat te creëren waarbinnen innovaties tot stand kunnen komen. Zo kom je samen verder.’

Mind shift

De rol van technologie is een belangrijk onderwerp van gesprek tijdens de REEF-deelt-kennisbijeenkomst. Kees van Grieken voorspelt de aanzienlijke invloed van big data en Internet of Things op de interconnectiviteit van de gebouwde omgeving. ‘Big data en IoT zijn op het hoogtepunt van de hype. Iedereen heeft het erover, maar we zijn er nog lang niet. We hebben een mind shift nodig. Waar wij techneuten prestaties tot op de tiende nauwkeurig willen kunnen meten en regelen, vereist de komst van big data juist dat we leren vertrouwen op de kracht van al die gegevens samen. Hoe gaan we om met die gigantische hoeveelheid data die we 24/7 en real-time tot onze beschikking hebben? Dat is big data: met slimme algoritmes kunnen juist uit grote hoeveelheden goedkope, minder betrouwbare metingen, resultaten behaald worden die goed genoeg zijn.’

Waarden

Een van de vragen die tijdens de lezing van Kees van Grieken wordt gesteld, is de vraag of de mens de technologie zou moeten volgen of de technologie de mens. Kees van Grieken: ‘Technologisch gezien is alles mogelijk, ook dat wat we nu nog niet kunnen bedenken. Big data en IoT zijn indrukwekkende ontwikkelingen, maar brengen inderdaad ook risico’s met zich mee, zoals dataverlies, schending van privacy en cybercrime. Hoe complexer en minder inzichtelijk de technologie wordt, hoe belangrijker het is dat bepaalde waarden in acht worden genomen. Voor mij zijn dat transparantie, respect en daadkracht. Maak inzichtelijk wat je doet. Bedenk dat je altijd met en voor mensen werkt die bepaalde wensen en eisen hebben. En maak waar wat je belooft.’

Concentratie versus fragmentatie

Op de vraag hoe technologische bedrijven zich strategisch kunnen voorbereiden op al deze ontwikkelingen, antwoordt Kees van Grieken: ‘Ik zie een ontwikkeling van concentratie versus fragmentatie. Enerzijds zullen er megabedrijven ontstaan die de middelen en mogelijkheden hebben om te investeren in R&D, systemen en infrastructuur. Anderzijds hebben we, meer dan ooit, kleine technologische bedrijfjes nodig die al die innovaties naar de gebruikers brengen. Servicegericht, lokaal, vertrouwd en dichtbij. Open staan voor elkaar en willen samenwerken zijn dus essentiële eigenschappen voor alle betrokkenen.’

Wie gaat het doen?

Tot slot. Hoe gaat het verder? Wie gaan de Sustainable Urban Deltas definitief op de kaart zetten? Kees van Grieken: ‘Het mooie is dat partijen die op het oog totaal verschillend zijn, samen moeten komen. Wat daarvoor nodig is? Een open blik en de wil om te vernieuwen. Het is daarbij belangrijk dat de overheid het juiste klimaat creëert, de goede voorwaarden en omstandigheden bepaalt die het aantrekkelijk maken voor het bedrijfsleven, de wetenschap en consumenten om ook in te stappen. Hier en daar gebeurt dat al. Dit zijn de voorbeelden die laten zien wat er mogelijk is, die laten zien dat Nederland echt een unieke uitgangspositie heeft.’

Sustainable Urban Deltas. Gedreven door noodzaak, belofte van de toekomst.

[tabs]
[tab title=”Over REEF”]
REEF voert uiteenlopende projecten uit bij grote en middelgrote organisaties. Expertise is daarbij van grote waarde, net zoals de resultaatverplichting die REEF aangaat. Voortdurende, goed georganiseerde kennisoverdracht is het fundament onder de dienstverlening van REEF. De hele organisatie is er op gericht om kennis op een slimme manier te delen. Zo halen ze het maximale uit de aanwezige expertise en verbeteren ze de doorlooptijd én het effect van projecten. Een voorbeeld daarvan zijn de openbare kennisbijeenkomsten die REEF vier keer per jaar organiseert.

REEF

[/tab]
[tab title=”Over Priva”]
Priva ontwikkelt en produceert duurzame technologische oplossingen om op vernieuwende wijze omgevingscondities te besturen in de tuinbouw en gebouwde omgeving. Samen met lokale partijen biedt Priva wereldwijd een platform van hoogwaardige hardware, software en diensten.

Priva

[/tab]
[tab title=”Info”]

Sustainable Urban Delta

[/tab]
[/tabs]

Stalen strip voorkomt instorten galerijen

0
Metalen strip voorkomt instorten galerijen

Naar aanleiding van een ingestorte galerij van een flatgebouw in Leeuwarden is ingenieur Rob Treels aan de slag gegaan met het bedenken van een oplossing. Hij kwam uiteindelijk met een zeer eenvoudige doch effectieve oplossing. Een stalen strip moet voorkomen dat galerijen nog instorten.

Nominatie De Vernufteling

Door middel van een staalstrip die wordt bevestigd aan de overgang van galerijen worden de galerijen veel sterker gemaakt. Zijn vinding is genomineerd voor De Vernufteling, de innovatieve prijs van de Nederlandse ingenieurswereld.

Financiële besparing

De stalen strip, van een paar tientjes, kan naar schatting bij zo’n 200 tot 300 probleemflats geplaatst worden (van de in totaal 1.000 probleemflats). Bij brede galerijen werkt de strip niet. De stalen strip koppelt de twee galerijen aan elkaar waardoor ze elkaars gewicht dragen en de krachten worden verdeeld.

Onderzoek

Uit onderzoek bleek dat de lijnbelasting op de rand van de galerij vaak maatgevend is. En dan vooral ter plaatse van de overgang van de ene naar de andere galerijplaat. Uitgebreide berekeningen lieten zien dat als de platen onderling worden gekoppeld, ze wél veilig zijn. Een eenvoudig stalen stripje is daarvoor voldoende. De kosten: geen 500, maar slechts zo’n 40 euro per vierkante meter.

Grote besparing

Op de strip is geen patent aangevraagd. Daarnaast loopt de bedenker van de strip ook niet binnen, hij rekent gewoon het uurtarief om de strip te installeren. Woningcorporatie Havensteder heeft achttien flats in Rotterdam en Capelle aan den IJssel met wankele galerijen. Bij deze flats kan de strip geïnstalleerd worden. Zij zijn dan ook zeer content met de uitvinding aangezien zij nu veel geld kunnen besparen.

In onderstaande video wordt uitgelegd hoe de stalen strip werkt.

Nieuw gebouw International Criminal Court (ICC)

0
Nieuw gebouw International Criminal Court (ICC)

Universeel en uniek

Het International Criminal Court (ICC) verhuist naar een nieuwe, permanente huisvesting in Den Haag. Brink Management & Advies ondersteunt het ICC bij zowel strategische, tactische als operationele vraagstukken. We praten met Peter Timmermans, managing partner en manager van het project, over de uitdagingen én de bijzondere contractvorm: NEC3.

Het ICC is een permanent hof voor het vervolgen van mensen die verdacht worden van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Voor de nieuwe permanente huisvesting van deze organisatie geldt een complex programma van eisen met de strengste veiligheidsmaatregelen. Het programmeren, ontwerpen, bouwen, inrichten en operationeel krijgen van de organisatie is dan ook een veelomvattend project.

Verschillen

In 2015 gaat het ICC van de temporary premises (drie gehuurde locaties) naar de permanent premises op één locatie. Waarom? Het ICC moet het internationale recht representeren en daarom juist één universeel gebouw zijn, los van bebouwingscontext en tijdsaanduidingen zoals mode, zonder associaties, verwijzingen of herinneringen, en door alle culturen van de wereld meteen begrepen. Een gebouw ontdaan van alle religieuze, ­politieke of lokale symboliek.

Wat zijn de verschillen tussen de oude en nieuwe huisvesting? Peter Timmermans: “We breiden van twee court rooms uit naar drie en hebben voorbereiding getroffen voor een vierde. Dit heeft alles te maken met hoeveel rechtszaken in de toekomst te verwachten zijn. De current premises kent vergaderzalen die verspreid liggen in de gebouwen. In de permanent premises krijgen we een vergadercentrum – met up to date audiovisuele middelen – op een centrale plek op de begane grond. Een groot verschil met het huidige onderkomen is, dat het gebouw veel meer op publiek gericht is; publiek dat rechtszaken wil bijwonen en publiek dat meer over het ICC wil weten. Hiertoe bouwen we een visitors centre en betere cateringvoorzieningen. Daarnaast worden er goede faciliteiten voor journalisten gerealiseerd. Het gebouw, het terrein er om heen en de binnentuinen creëren een heel veilige en rustgevende omgeving voor slachtoffers en getuigen en versterken het imago dat het ICC nastreeft.”

Uitdagingen

Over de bouwtechnische uitdagingen zegt Timmermans: “Het concept van het gebouw is terug te leiden naar de vroegere burchtenbouw. We hebben gekozen voor fysieke barrières, ook buiten het gebouw. Zoals het plaatsen van de nieuwe huisvesting op een plint in een bak water. Een uitdaging is, dat het ICC niet op een gevangenis mag lijken. Het gebouw is ingepast in het duinlandschap. Een landschap dat geen hekken kent. Wel plaatsen we opstaande randen, die duidelijk maken dat je een terrein betreedt. De grootste uitdaging ligt in het maken van een vriendelijk gebouw, dat goed beveiligd is met daarbij de juiste logistieke routing. We brengen fysieke schillen aan, waardoor je de gebouwgrens niet zomaar kunt bereiken. Zo kennen we een aparte security booth, los van het gebouw. Eenmaal in het gebouw treden zoneringen op. Je komt bijvoorbeeld niet zomaar de toren in van de aanklager. Uniek aan het ICC is onder andere dat aanklager, rechter en verdediging in hetzelfde gebouw werken. Logistiek en ook bouwtechnisch gezien, houden we hier rekening mee. Ze mogen elkaar namelijk niet tegen komen voordat ze de rechtszaal binnen lopen. Daarom dat we te maken hebben met onder meer veel stijgpunten; trappen en liften.” Peter Timmermans haalt ook nog de noodzakelijke bomblast beveiliging van het ICC aan. Oftewel, het gebouw moet een bepaalde druk van een bom aan kunnen. Wat enorme eisen aan de gevel stelt.

Duidelijkheid

Niet alleen het nieuwe gebouw zelf is uniek, ook de contractvorm mag speciaal genoemd worden. Timmermans legt uit: “Het Engineer & Construct gedeelte hebben we ingericht onder de voorwaarden van een NEC(New Engineering Contract)3 target contract. NEC3 is in feite een stelsel van afspraken, dat je op meerdere typen bouworganisatievormen kan toepassen. Het is afkomstig uit Engeland. Engelse overheidsopdrachten worden al zo’n twintig jaar via deze systematiek gemanaged.
De variant die wij hebben gekozen, is vergelijkbaar met de Nederlandse UAVgc (Uniforme Administratieve Voorwaarden voor geïntegreerde contractvormen). Eveneens bedoeld voor het maken van afspraken binnen een geïntegreerd contract. De NEC3 doet dit echter op een meer sophisticated way. Het uitgangspunt van NEC3 is duidelijkheid. UAVgc is mijns inziens vager en minder gericht op samenwerking in de keten. NEC3 legt de nadruk op vertrouwen en samenwerking. Wat wordt ondersteund door bijvoorbeeld het sharing mechanism, waarmee besparingen worden gedeeld.”

Voordelen

NEC3 is nooit eerder in een Nederlands bouwproject toegepast. Omdat de marktpartijen nog niet goed bekend zijn met deze systematiek, heeft Brink tijdens de aanbesteding alle gegadigden een NEC3 cursus gegeven. Timmermans: “Opdat ook zij NEC3 gingen omarmen en de voordelen ervan inzien. Wat die voordelen zijn? Het is opgeschreven in normale taal. Niet juridisch. Er zitten geen verwijzingen in. Alles staat letterlijk uitgeschreven. NEC3 bestaat, zoals eerder gezegd, uit basisafspraken, Core Clauses, waarop een aantal keuzes te maken zijn. De mogelijkheid bestaat aanvullende clausules te definiëren. Daar zijn we echter heel voorzichtig mee. NEC3 is geheel gericht op het goed managen van zowel de kant van de opdrachtgever als -nemer van het project. Het vroegtijdig met elkaar in gesprek zijn over mogelijkheden en kansen, is een must. Als de ene partij iets inbrengt, moet de andere partij binnen een bepaalde tijd reageren. Doet hij dit niet, dan accepteert hij wat is ingebracht. Het project ligt hiermee continu op een hoog niveau. Niemand kan dingen vooruit schuiven. Meerwerk wordt niet opgespaard. Wat een positief effect heeft op onder andere de looptijd van het project. We zitten nu nog steeds op de afgesproken opleverdatum. Of er nog meer voordelen te noemen zijn? Zeker. Eén van de uitgangspunten van NEC3 is, dat de opdrachtgever er voor zorgt dat de aannemer geen negatieve kasstroom heeft. Er wordt eigenlijk vooruit betaald (red: er is wel een bankgarantie). De projectmanager van de opdrachtgever bepaalt wat er gefactureerd mag worden, kijkend naar de voortgang van het werk en vier weken vooruit. Hij legt dit vast in een payment certificate. De aannemer mag dit bedrag factureren en heeft het geld binnen op het moment dat de productie gemaakt is.”

Kick

Nog een klein jaar en dan is het ICC operationeel op de voormalige Alexanderkazerne in Den Haag. Hoe je het nieuwbouwproject ook bekijkt, aan alle kanten is het uniek te noemen. Dat mag uit dit verhaal duidelijk zijn. Ondanks dat er vele aspecten aan dit project zitten, vragen we Peter Timmermans toch wat voor hem persoonlijke de grootste kick geeft. Hij lacht en zegt: “De stuurgroep ICC bestaat uit veelal juristen. Elke maand leggen we ze uit hoe het project verloopt en waar ze een besluit over moeten nemen. Zaken waar ze soms helemaal geen verstand van hebben. Ook niet hoeven te hebben. Als het ons lukt, hen een besluit te láten nemen, geeft mij dat een bijzonder goed gevoel.”

[tabs]
[tab title=”Feiten ICC Project”]
[table caption=”” width=”578″ colwidth=”178|400″ colalign=”left|left”]
2008,Prijsvraag ontwerp architecten
2009,Selectie architect Schmidt Hammer Lassen
2010,Start ontwerp fase
2013-2015,Bouw

Architect:,Schmidt Hammer Lassen
Technische adviseur:,Royal Haskoning
Engineer and Construct:,Courtys (VolkerWessels-ondernemingen Visser & Smit Bouw en Boele & van Eesteren)
Projectmanagement:,Brink Management en Advies
,Circa 55.000 m2 nieuwbouw bestaande uit een rechtszaal­toren en vijf kantoorgebouwen met een openbaar gebied op de begane grond met tuinen en een spiegelplas.
Locatie:,voormalige Alexanderkazerne te Den Haag
[/table]

[/tab]
[tab title=”Info”]
ICC Permanent Premises
Youtube
Brinkgroep
NEC Contract

[/tab]
[tab title=”Eigenschappen NEC3″]
De belangrijkste eigenschappen van NEC3 op een rij:
[list color=”dark”]

  • Stimuleert samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer
  • Transparante manier van werken
  • Vroegtijdig signaleren van risico’s en problemen en deze bespreekbaar maken
  • Betrokkenheid van een proactieve opdrachtgever
  • Uniek prijsmechanisme op basis van incentives en winstdeling
  • Geschreven in ‘Easy English’, geen juridische taal

[/tab]
[/tabs]

Alle appartementen At Amstel verkocht

0
Alle appartementen AtAmstel verkocht

Een voor deze periode bijzonder doel is bereikt. Alle 41 appartementen en 3 penthouses van At Amstel in Amsterdam zijn verkocht. In oktober 2014 zijn Van Wijnen Projectontwikkeling Midden B.V. en Maarsen Groep van start gegaan met het project.

Strategie

Dat alle appartementen en de penthouses al verkocht zijn, is het gevolg van diverse aspecten. Zo is er een intensieve online marketingcommunicatiestrategie opgezet, maar ook het hoogwaardige afwerkingsniveau droeg bij aan de verkoop van de appartementen.

Oplevering

Begin mei dit jaar begint Van Wijnen met de bouw van de appartementen. Het doel is dat deze in de zomer van 2016 aan kopers kunnen worden opgeleverd.

Verkoop

Broersma Nieuwbouw Makelaars en Gerard W. Bakker Makelaars begeleiden de verkoop van de woningen namens Maarsen Groep en Van Wijnen Projectontwikkeling Midden.

At Amstel

Een historische locatie, in de bocht van de Amstel, met een imponerend uitzicht op de bruisende binnenstad van Amsterdam en een ruime blik op het prachtige naastgelegen Park. Op die plek verrijst At Amstel, een speels woongebouw van architect Pi de Bruijn van Architecten Cie. Het gebouw bevat luxe koopappartementen en penthouses, variërend in grootte vanaf circa 63 vierkante meter tot circa 198 vierkante meter. Parkeren is mogelijk in de parkeergarage onder het gebouw. Alle appartementen zijn inmiddels verkocht.

Zie ook: Akkoord project Zuidasdok.

Nieuwe versie Financieringswijzer Energiezuinig (ver)bouwen

0
Nieuwe versie Financieringswijzer Energiezuinig (ver)bouwen

De “Financieringswijzer Energiezuinig (ver)bouwen” geeft een overzicht van de huidige financieringsmogelijkheden. Bouwbedrijven kunnen hiermee klanten adviseren over hun financieringsmogelijkheden energiezuinig (ver)bouwen.

“De Financieringswijzer Energiezuinig (ver)bouwen wordt periodiek herzien. In maart 2015 is de Financieringswijzer aangepast”

Energiezuinig bouwen

Technisch is het mogelijk energiezuinig, neutraal of zelfs leverend te (ver)bouwen. Steeds meer mensen willen een energiezuinig(er) comfortabele woning. Maar het verkrijgen van financiering voor verbouwen of bouwen is lastig. Veel partijen weten de financiële mogelijkheden die er zijn vaak niet te vinden, zo geeft Bouwend Nederland aan.

Overzicht van financieringsconstructies

Er bestaan diverse regelingen en financieringsconstructies voor energiezuinig (ver)bouwen. De Financieringswijzer geeft een overzicht van deze financieringsconstructies. Naast subsidies wordt aangegeven welke tijdelijke regelingen er bestaan en welke financiële producten banken aanbieden.

De belangrijkste wijzigingen in de update van maart 2015:

Particulieren

  • De verruiming van de hypotheek bij een nul-op-de-meter woning is verhoogd van € 13.500 naar € 25.000 sinds 1 januari 2015.
  • Het verlaagde Btw-tarief voor renovatie- en herstelwerkzaamheden geldt nog tot 1 juli 2015.
  • De rente van de Energiebespaarlening is gedaald naar 2,9% voor leningen met een looptijd van 7 jaar. Voor leningen met een looptijd van 10 jaar is dit gedaald naar 3,3%.
  • Er is een nieuw initiatief toegevoegd voor het leasen van zonnepanelen.

Woningcorporaties/vastgoedbeleggers:

  • Het Fonds Energiebesparing Huursector (FEH) hanteert de Energie-Index per 1 januari 2015 voor het aangeven van de energieprestatie.
  • Bij de Stimuleringsmaatregel Energieprestatie Huursector (STEP) hangt per 1 januari 2015 de hoogte van het subsidiebedrag af van de Energie-Index die per woning wordt bereikt.
  • Onder ESCo’s is de GebiedsESCo toegevoegd en een verwijzing naar ESCoNetwerk, een onafhankelijk platform voor ESCo’s.

Zie ook: Database voor energiezuinige bouwprojecten.

Duurzaamste zorggebouw voor Brunssum

0
Duurzaamste zorggebouw

In Brunssum (Limburg) is de bouwcombinatie Bouwontwikkeling Jongen/Compaan gestart met de bouw van het Zorgplein, het duurzaamste zorggebouw van Nederland.

Het Zorgplein is een bundeling van zorgfuncties, -ondernemers en -organisaties. Al deze groepen komen samen in het Zorgplein. Zo ontstaat er een duidelijke meerwaarde voor patiënten, maar ook voor de zorgondernemers zelf. Dat maakt het voor hen aantrekkelijk om zich in Brunssum te vestigen. Hierdoor zal de toekomstige zorgverlening stevig verankerd zijn in Brussum.

Duurzaam en bewust

Bij de realisatie wordt gewerkt aan de hand van de certificeringen BREEAM 2 sterren en Bewuste Bouwers. Zo gebruikt de bouwcombinatie onder meer milieuvriendelijk en energiebesparend materiaal en installaties. Daarnaast zijn de milieubelasting en geluidsoverlast minimaal.

Uitvoering zorggebouw Brunssum

Bouwontwikkeling Jongen is een dochteronderneming van VolkerWessels en werkt bij dit project in samenwerking met de gemeente Brunssum. De oplevering staat gepland vanaf het eerste kwartaal van 2016. AMA-group Associated Architects uit Maastricht heeft voor het ontwerp gezorgd.

Het Zorgplein, waar zorg, wonen en aanverwante functies samenkomen. Een plek waar bewoners en bezoekers elkaar ontmoeten. Naast de poliklinieken van het Atrium Medisch Centrum biedt deze locatie nu onderdak aan enkele huisartsenpraktijken, een apotheek, een tandheelkundig centrum en praktijken voor ergotherapie, fysiotherapie, verloskunde en logopedie. De gebruikers delen samen verschillende ruimten. Het Zorgplein is een visitekaartje voor Brunssum. Belangrijker is het bovendien dat belangrijke zorgfuncties voor de regio behouden zijn gebleven.

Duurzaamste zorggebouw voor Brunssum. Zie ook:
Pareltjes van architectuur in de zorg.

Laserinspectie nu ook toegepast in de mijnbouw

0
Laserinspectie nu ook toegepast in de mijnbouw

TNO en Nederlands MKB’ers demonstreren de succesvolle oplevering van een prototype instrument dat veel kosten kan besparen bij mijnbouwoperaties. Een laserdetectietechniek bepaalt real-time het gehalte aan waardevolle grondstoffen in het gesteente dat uit de mijn komt. Hierdoor bepaalt de operator straks met behulp van laserinspectie direct of de gedolven stenen waardevol genoeg zijn voor verwerking of niet.

Snelle check mogelijk

In de mijnbouw wordt heel veel steen verwerkt waar achteraf te weinig grondstof in zat om met winst te verkopen. Dit zorgt voor onnodig hoge kosten, waardeloze stenen hadden immers beter meteen weggegooid kunnen worden. Maar het is ook een onnodig zware belasting voor het milieu. Bij het winnen van grondstoffen zoals goud en koper gebruikt men nog steeds veel milieuonvriendelijke chemische processen. Deze chemicaliën moeten uiteraard niet worden ingezet voor niet waardevolle stenen. Dankzij de ontwikkelde techniek kan de mijnoperator straks real-time meten wat de samenstelling is van stenen die uit een mijn komen en dus direct bepalen of de stenen verwerkt moeten worden.

Diverse toepassingen LIBS

De techniek die gebruikt wordt, heet Laser Induced Breakdown Spectroscopy (LIBS). Bij LIBS schiet een hoog vermogen laser een minuscuul gaatje in de steen. Hier komt licht vanaf dat karakteristiek is voor de elementen die in de staan aanwezig zijn. Door het licht te analyseren is de chemische samenstelling, en dus de hoeveelheid aanwezige grondstof, te bepalen. TNO heeft deze techniek eerder toepasbaar gemaakt om leven op Mars aan te tonen. In een vervolg project in het kader van het TNO SBIR programma hebben TNO, SonicSampDrill, IHC Merwede Mecon en de TUDelft LIBS geschikt gemaakt voor de mijnbouw op aarde.

Zeer snelle bepaling

Het consortium heeft een werkend prototype van wat tot de ‘LIBS ore sorter’ is gedoopt. In een zeecontainer is een transportband opgebouwd met daarboven het LIBS systeem. Stenen met daarin kopererts lopen onder het LIBS systeem door en het LIBS systeem meet met 20 metingen per seconde de koperconcentratie in de stenen die voorbij komen. De kracht van het huidige prototype is dat delen afkomstig zijn uit de ruimtevaart waar betrouwbaarheid en robuustheid cruciaal zijn. Enorme stofontwikkeling door vallende en bewegende stenen en trillingen als gevolg van bewegende transportbanden hadden geen invloed op de meetresultaten.

Einddoel

Het uiteindelijke doel van het consortium is om de LIBS ore sorter te koppelen aan een transportband die uit een mijn komt. De LIBS ore sorter bepaalt dan real-time de koperconcentratie van de stenen. Vervolgens bepaalt de mijnoperator of die stenen voldoende waardevolle grondstof bevatten om te verwerken in de fabriek die aan het einde van de transportband staat.

Eerste Watergezant van Nederland benoemd

0
Eerste Watergezant van Nederland benoemd

De ministers Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu), Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) en Kamp (Economische Zaken) hebben Henk Ovink benoemd tot Nederlands eerste Watergezant. De Watergezant versterkt in zijn rol als thematisch ambassadeur de internationale waterambitie van Nederland; hij draagt bij in het nog beter internationaal vermarkten van de Nederlandse kennis en kunde.

Pionier

Ovink is vereerd de nieuwe functie als eerste te mogen bekleden. “Water is wereldwijd de verbindende opgave. Nederland maakt met zijn integrale aanpak van waterschaarste, waterveiligheid, waterkwaliteit en logistiek en transport over de hele wereld het verschil. We zijn koploper, en dat past ons maar verplicht ook tot blijvend investeren en innoveren, in Nederland en in het buitenland. De Nederlandse kennis en kunde zijn uniek, ik zie volop kansen die nog beter internationaal te benutten zijn.”

Economisch diplomaat

De belangrijkste taak van de Watergezant is economische diplomatie: als boegbeeld van de watersector zorgt hij voor goede relaties met buitenlandse overheden, kennisinstellingen, coördinerende en vertegenwoordigende gremia, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Hij zorgt voor verbindingen met de andere relevante topsectoren (energie, landbouw, creatieve industrie). Hij werkt nauw samen met de Nederlandse ambassades, consulaten en Permanente Vertegenwoordigingen en onderhoudt ook zelf rechtstreeks contact met bi- en multilaterale spelers als de Wereldbank, de Verenigde Naties, OESO en de EU. Hij neemt deel aan internationale waterbijeenkomsten, zo nodig ter vervanging van de ministers.

Evaluatie en samenwerking

De Watergezant rapporteert rechtstreeks aan de drie ministers en wordt benoemd voor een periode van drie jaar, met een mogelijke verlenging van nog eens drie jaar. Het gezantschap wordt na twee jaar geëvalueerd door de Adviescommissie Water. De drie departementen werken sinds eind 2014 samen in het Interdepartementaal Water Cluster (IWC). Ook de Dutch Risk Reduction Teams (preventie en wederopbouw) en de Dutch Surge Support (noodhulp bij waterrampen) zijn onderdeel van de nieuwe samenwerking.

Directeur en adviseur

Ovink was eerder waarnemend Directeur-Generaal Ruimte en Water op het ministerie van Infrastructuur en Milieu en directeur Nationale Ruimtelijke Ontwikkeling. Op dit moment is Ovink vanuit het ministerie van IenM gedetacheerd als adviseur van de Amerikaanse Federale Overheid. Eerder adviseerde hij de Hurricane Sandy Rebuilding Taskforce van president Obama. Met de benoeming tot Watergezant eindigt deze detachering. Ovink ontwikkelde en leidde voor de wederopbouw van de regio New York en New Jersey de prijsvraag ‘Rebuild by Design’, door CNN uitgeroepen tot één van de meest innovatieve ideeën van 2013. Op dit moment zijn 15 Nederlandse bedrijven en organisaties aan het werk met de uitvoering van de winnende projecten.

Werkzame leven

Verder was Ovink onder meer curator van de 5e Internationale Architectuur Biennale Rotterdam, is lid van de International Advisory Board van de stad Rotterdam, geeft les aan Harvard GSD en adviseert de Rockefeller Foundation in hun waterveiligheidsaanpak.

TNO bedenkt Ontwateringplaat; minder onderhoud sluizen nodig

0
TNO bedenkt Ontwateringplaat; minder onderhoud sluizen nodig

TNO heeft een oplossing bedacht om water weg te laten stromen bij sluizen, kanalen of beschoeiingen. Water hoopt zich nu vaak op, op plekken waar water blijft staan en waar ook veel lucht bij komt. Deze combinatie van water en lucht zorgt er voor dat hout extra snel rot en dus sneller moet worden vervangen. TNO bedenkt Ontwateringplaat; minder onderhoud sluizen nodig.

TNO heeft daar nu een oplossing voor bedacht. Door het plaatsen van een kunststof plaat met gleuven erin kan het water gemakkelijk weg stromen

Ontwateringplaat in de markt

De Ontwateringplaat is getest in Katwijk. Die testen vielen positief uit. De Ontwateringplaat komt naar aanleiding van die testen komt de Ontwateringplaat in maart op de markt. Voor geïnteresseerden is de Ontwateringplaat nu al te bezichtigen bij Aqua Dock (een initiatief van de gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf, de Hogeschool Rotterdam en Clean Tech Delta. Bij Aqua Dock wordt diverse innovaties op het water getest, gedemonstreerd en geproduceerd.

Werking Ontwateringplaat

Om het principe van de Ontwateringplaat praktisch toepasbaar te maken is er gebruik gemaakt van kennis uit een Technologiecluster (TC). TNO en MKB-bedrijven delen hierin kennis om ideeën in de praktijk toepasbaar te maken. In dit TC werd de degradatie van hout in kaart gebracht. Met die kennis kon de Ontwateringplaat zodanig worden ontwerpen dat deze efficiënt werkt, eenvoudig is aan te brengen en kosteneffectief.