Home Blog Pagina 398

Dé Rotterdam een stad in een stad

0
Dé Rotterdam een stad in een stad

Het is de nieuwe ‘eye catcher’ op de Wilhelminapier van Rotterdam: De Rotterdam, ontworpen door Rem Koolhaas. Het 150 meter hoge gebouw – bedoeld voor wonen, werken en ontspannen – bestaat uit drie onderling verbonden torens, kent 44 verdiepingen en heeft een totaaloppervlak van circa 162.000 m2. We praten met Johan Koudijs, divisie directeur van DGMR. Het ingenieursbureau dat bij de bouw van De Rotterdam adviseerde over onder andere brandveiligheid en bouwfysica.

De Rotterdam manifesteert zich tot een complete stad in een stad en is verdeeld in zogenaamde ‘areas’. De ‘Leisure Area’ (8000 m2) bevindt zich in het voetstuk van het gebouw en biedt ruimte voor retail, horeca, fitness, wellness en cultuur. De ‘Office Area’ (40.000 m2) in de Mid- en East Tower is, zoals de naam al doet vermoeden, bedoeld voor ondernemingen. Ook kent De Rotterdam een boulevard, de zogenaamde ‘Waterfront Area’. Werknemers, bewoners en bezoekers kunnen er winkelen en even op adem komen op een van de terrassen. In de ‘Living Area’ in de West Tower bevinden zich 240 woningen variërend van 65 m2 tot 250 m2 -, gerealiseerd in samenwerking met Amvest. Uiteraard is er ook een ‘Hotel Area’ waar het 3de nhow Hotel in de wereld, met in totaal 278 kamers en congresruimtes, is gerealiseerd. De ‘Parking Area’ biedt 670 beveiligde parkeerplaatsen op parkeerdekken. Daarnaast is er ruimte voor fietsen, elektrische oplaadpunten en scooters. De ‘Rotterdam Square’ is de grote, centrale lobby in het gebouw Vanaf dit plein zijn de ‘Office Area’, ‘Leisure Area’ en het hotel te bereiken.

Crisissen

In de periode 1997 tot 2000 veroorzaakte de snelle oprichting van de vele internetbedrijven een hausse. Juist uit deze periode dateert het eerste ontwerp van De Rotterdam. Omdat de ‘zeepbel’ van de dot-com economie in 2000 knapte, veroorzaakte deze wereldwijd een recessie. Het project ‘De Rotterdam’ kwam tot stilstand. “In 2006 is het ontwerp opnieuw gestart”, vertelt Johan Koudijs. “In 2009 kregen we de bouwvergunning. Helaas vond er in deze periode weer een economische crisis plaats. Dat het project toch gestart is, heeft een politieke reden. De gemeente wilde het gebouw per se bouwen. Met name ten behoeve van de werkgelegenheid in de crisis. Dus nam de gemeente maatregelen die het voor de projectontwikkelaar mogelijk maakte het gebouw neer te zetten. Zo werd de grond in erfpacht gegeven in plaats van het te verkopen. En niet onbelangrijk, de gemeente zelf heeft de hele Mid Tower als huurder afgenomen.”

Brandveiligheid

Een van de zaken die komt kijken bij het realiseren van een gebouw als De Rotterdam, is de brandveiligheid. Hoe moeten mensen het gebouw uit bij een brand?, is volgens Koudijs dé vraag. “Brandveiligheid speelt zich af in de kern van het gebouw, daar waar zich de liften en trappen bevinden. Met name bij hoogbouw is een goed kernontwerp van uitermate belang. Zowel de normale verkeersstroom als de verkeersstroom in geval van calamiteiten moet goed geregeld zijn. In het kernontwerp houden we ook rekening met de technische installaties die door de kern van het gebouw naar boven moeten. Daarbij proberen we zo min mogelijk vierkante meters te gebruiken. Immers, elke vierkante meter die we niet gebruiken, kan verhuurd worden. Kortom, we kijken naar bijvoorbeeld de breedte van de trappen. En of het mogelijk is de trappenhuizen op de verdiepingen bij een brand gedurende een bepaalde tijd te beschermen. Zo blijven de trappenhuizen van De Rotterdam 90 minuten veilig. Daarnaast zorgen we er in het ontwerp voor dat een beginnende brand beperkt in omvang blijft. Immers, het is lastig een brand op de veertigste verdieping te bestrijden. We kunnen geen ladder tegen de hemel zetten. Bij De Rotterdam hebben we daarom een sprinklerinstallatie toegepast. Om de trappenhuizen extra veiligheid te geven, hebben we een installatie neergezet die in geval van brand deze ruimtes onder overdruk zet. Hiermee voorkomen we dat er bij brand rook in de trappenhuizen komt.”

Integraal Plan Brandveiligheid (IPB)

Met name op het gebied van brandveiligheid vraagt een hoogbouwproject van deze omvang bijzondere aandacht,- dat mag duidelijk zijn. Om er voor te zorgen dat alle voorzieningen op elkaar afgestemd zijn, heeft DGMR voor De Rotterdam een IPB opgesteld. Hierin worden alle bouwkundige en installatietechnische brandveiligheidsvoorzieningen gedetailleerd omschreven. Koudijs is er trots op dat dit plan ook echt van de grond gekomen is. Hij zegt: “Voorheen werkten we anders. Dan verzon de ene adviseur bijvoorbeeld waar de brandwerende scheidingen moesten komen, terwijl een andere vertelde hoe de sprinklerinstallatie er uit moest zien. Dat leidde in de uitvoeringsfase nogal eens tot discussie met onder andere de brandweer. Voor De Rotterdam hebben we daarom gewerkt met een IPB. Het mooie was, dat we binnen twaalf weken een bouwvergunning hadden.” Om de kosten van de voorzieningen in de hand te -houden, zijn onderzoeken uitgevoerd. Een van de risico’s dat daarbij moest worden afgedekt, was het ontstaan van een plasbrand op de Maas ten gevolge van lekslaan van een binnenvaarttanker. Omdat de gevel van het gebouw te dicht bij de Maas ligt, moesten voorzieningen in de gevel worden getroffen om te voorkomen dat de brand meteen overslaat naar het gebouw. Johan Koudijs: “Dan kom je er op uit, dat de onderste 40 meter van de gevel aan de zijde van de Maas brandwerend moet worden uitgevoerd, zo’n 4.500 m2. Gezien de daarmee gemoeide kosten is veel energie gestoken in het vinden van een optimale oplossing. Door het maken van berekeningen en het doen van brandproeven, is de hoeveelheid brandwerend glas uiteindelijk beperkt tot ca. 1.200 m2.”

Bouwfysica

“Kijkende naar de bouwfysica, zijn we begonnen op stedenbouwkundig niveau”, vervolgt Johan Koudijs. “We hebben onder andere onderzoek gedaan naar de invloed van De Rotterdam op het windklimaat in de omgeving. Immers gevaarlijke windsnelheden op troittoirniveau zijn niet wenselijk.”

“Gedetailleerd denken is een ander aspect in de bouwfysica van een gebouw als De Rotterdam”, zegt Koudijs. “Let wel, elke spijker voor een woning komt 240 keer terug. We willen niet zoveel keer dezelfde fout maken. Dat kost te veel geld.” Het detaildenken komt ook tot uiting bij geluidswering. “Trekt de bovenbuurman de wc door, dan wil je niet dat dit tot vijf verdiepingen lager ook te horen is.”

Voor De Rotterdam is een aluminiumelementengevel toegepast. Wat normaal is voor kantoorgebouwen, maar minder vanzelfsprekend voor woongebouwen. Bij deze laatste gebouwen lopen normaliter de vloeren en muren tussen de woningen door. De gevel – het binnenspouwblad – wordt er tussen gezet. Bij De Rotterdam is de gevel voor de vloeren en wanden er langs getrokken. Om toch aan de eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen – onder andere met betrekking tot geluidsisolatie – vond heel wat onderzoek plaats. Koudijs: “De dikke betonwand, die zich tussen de woningen bevindt, moesten we aansluiten op een gevel met een aluminium stijl, waarvan de dikte 160 mm is. Daarom ontwierpen we een brandwerend en geluidsisolerend passtuk voor aansluiting op de gevel. In de gevel zelf maakten we hiervoor een akoestische ontkoppeling.”

Daglicht is het laatste aspect dat we aansnijden. Wettelijk gezien gelden voor de bouw van woningen strenge eisen op dit gebied. “De torens staan dicht bij elkaar. Samen met de architect hebben we behoorlijk gepuzzeld om aan de daglichteisen te kunnen voldoen.”

Prijs

In juni van dit jaar maakte de ‘Council on Tall Buildings and Urban Habitat’ (CTBUH) bekend welke vier gebouwen in 2014 de titel ‘Best Tall Building’ mogen dragen. Vanuit verschillende delen van de wereld werden bouwprojecten beoordeeld. Een van de vier regionale winnaars is… De Rotterdam! Een terechte prijs volgens Johan Koudijs. “De Rotterdam is een markant gebouw, uniek in omvang en echt een stad in een stad.”

[tabs]
[tab title=”Enkele feiten over Dé Rotterdam”]
[table caption=”” width=”640″ colwidth=”320|320″ colalign=”left|left”]
Onderdeel,Hoeveelheden
Gross floor area:,162.000 m2
Plot size:,107 m x 36 m (3.852 m)
Height:,150 m
Façade area:,50.000 m
Investment:,Euro 340 million
Weight of building:,230.000 tons
Concrete volume:,74.000 m3 (12.000 concrete mixer trucks)
Weight of reinforcement:,12 tons
Number of foundation piles:,1.165 (total length of 24 km)
Number of doors:,6.100
Number of elevators:,24
[/table]
(Bron: DGMR)

Sustainability (Greencalc A Label Offices)

Energy efficient
Economical in use
Maximum use of daylight
Optimum climate control
Flexible and unstrained layout
Intelligent design including innovative applications

[/tab]
[/tabs]

Bio based bouwen komt eraan

0
Bio based bouwen komt eraan

Bij de transitie naar een meer bio based economy denkt men in eerste instantie aan de energiesector. Maar ook in de bouwwereld kan – en volgens insiders, zal – deze transitie plaatsvinden. De overgang van fossiele naar biologische brandstoffen wordt tegenwoordig geschaduwd door onderzoek naar het ontwikkelen van grondstoffen, (bouw)materialen, uit biologisch materiaal. De avant-garde van de bouwsector rommelt aan de deur naar, bijna letterlijk, een sprookjesbos. Bio based bouwen komt eraan.

Dinteloord, Noord-Brabant, of all places, huisvest sinds 2013 het symbolisch epicentrum van de transitie naar een bio based economy in de bouwsector. Curieus, een tikkeltje pretentieus, maar bovenal ingenieus, is het kleine gebouw temidden van kantoren en kassen, dat architect Marco Vermeulen ontwierp voor het nieuwe Agro & Food -Cluster te Dinteloord. Op het eerste gezicht lijkt het gemaakt van chocoladeletters, en het blijkt hier inderdaad te gaan om ‘de eerste bio based gevel ter wereld’. Niet helemaal te controleren, maar feit is dat het materiaal van de gevels uniek is. Geen cacao-bonen, maar biohars en hennepvezel dienen als grondstoffen voor het composietmateriaal dat is ontwikkeld door NPSP Composieten. Curieus is dat de ‘chocolade’-letters enkel bestaan uit de letters H, C en N. Het blijkt om de chemische- formules te gaan waaruit aardgas kan ontstaan. Waterstof (H), koolstof (C) en stikstof (N). Een eerbetoon aan aardgas in een biologisch jasje? Een paradox dat juist een gebouw voor gasontvangst de eerste bio based gevel ter wereld heeft. Het toont aan dat beide werelden elkaar niet hoeven bijten. Architect Marco Vermeulen hierover: “Een gasontvangstgebouw is brandgevaarlijk en moet aan allerlei extra eisen voldoen. De Gasunie zat er bovenop dat alles volgens de regels gebeurde. We hebben expres juist bij een dergelijk veeleisend gebouw gekozen voor gevels uit plantaardige grondstoffen. Het gebouw is uniek bewijsmateriaal dat er veel mogelijk is.”

De opdrachtgever, Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij Brabant, zette in op een volledig bio based cluster voor glastuinbouw en bedrijvigheid in de directe omgeving van Dinteloord. Studio Marco Vermeulen werkte dit uit over een terrein van circa 600 hectare. Een ontwerp waarin gebouwen en gebruikersfuncties zo op elkaar zijn afgestemd, dat een duurzame koppeling plaatsvindt wat betreft energie, water en reststromen. Een puzzel- als een rubik’s cube. Of als een schilderij van Escher. In het beste geval gaat het immers om kringlopen die genoeg hebben aan zichzelf. Zichzelf draaiende houden. Dat is in Dinteloord als volgt uitgewerkt: restwarmte van de Suiker Unie wordt gebruikt door de omliggende glastuinbouw- en agrobedrijven. De Suiker Unie zelf verricht onderzoek naar het winnen van grondstoffen uit suikerbiet voor onder andere plastic en medicijnen. Het terrein wordt omsloten door verhoogde gietwaterbassins-, geconstrueerd met bietengrond, restafval van de suikerfabriek. Verder ontvangen zo’n 5000 huishoudens in Dinteloord groen gas via een biomassavergistingsinstallatie, die plantaardig afval en bietenafval omzet in biogas.

Chemische ‘sweet spot’

Op dergelijke wijze wordt duidelijk hoe integraal de bio based economy functioneert. De bouw- en ontwerpsector speelt een belangrijke rol in het op juiste wijze aansturen en stimuleren van deze ontwikkelingen. Planologisch- functioneert de zoektocht naar nieuwe materialen als volgt: organisch restmateriaal uit omliggende land- en tuinbouwbedrijven wordt in een innovatief bedrijvencluster aangewend voor groene grondstoffen. Dat materiaal wordt op moleculair niveau ‘veranderd’ in bruikbare grondstoffen. Het organisch materiaal dat overblijft wordt gebruikt voor duurzame energieopwekking voor, in het beste geval, de tuin- en landbouwbedrijven. De hierna resterende grondstof in de vorm van koolstof of compost komt terug in de cyclus. Een kringgesprek tussen boeren en chemici, daar is een vertaler geen overbodige luxe. Het is een opgave voor overheden, ruimtelijk ontwerpers en architecten om dergelijke complexe projecten tot een goed einde, 
of überhaupt op gang te brengen.

De juiste invulling van een dergelijke kringloop is in -eerste instantie een ontwerpopgave. Dat blijkt wel uit een tweede project in dezelfde regio waar Marco Vermeulen- bij betrokken was, een duurzaam ontwerp voor Logistiek Park Moerdijk. Toen alle bestuurlijke beslissingen al genomen waren, bleek dat het veel efficiënter was geweest wanneer het glastuinbouwgebied in de directe omgeving van het logistiek park was aangelegd. De restwarmte van de petrochemische industrie en het hoge CO2-gehalte van het logistiek park hadden perfect aangewend kunnen worden voor de glastuinbouw. Vermeulen pleit vervolgens dan ook voor een fundamentele en grootschalige blik op dergelijke projecten. En hij vindt gehoor bij de provincies Noord-Brabant en Zeeland. Dat het deze twee provincies betrof is niet -toevallig. Logistiek ligt het gebied perfect, tussen de twee wereldhavens Rotterdam en Antwerpen. Sinds jaar en dag herbergt de regio veel industriële bedrijven die landbouwmaterialen verwerken, mogelijk door de aanwezigheid van een grote agrofood industrie met bedrijven als de Suiker Unie en Royal Cosun. Agro meets chemistry. Het blijkt dé formule voor de transitie naar een bio based economy.

Grootschaliger

Marco Vermeulen ziet dat bio based initiatieven te veel op kleine schaal plaatsvinden. Voor de overheid is het moeilijk om dat proces te sturen. De huidige samenwerking tussen Vermeulens studio en diverse provinciën toont aan dat de overheid wel haar verantwoordelijkheid neemt. “We zijn nu in opdracht van en in samenwerking met de provincies Noord-Brabant, Zuid–Holland en Zeeland een visie aan het ontwikkelen op de ruimtelijke consequenties van de transitie naar een bio based economy. We zoeken naar mogelijke verbindingen -tussen al bestaande of nog te ontwikkelen clusters in de regio die economisch en ecologisch voordeel opleveren.” Alsnog wordt gekeken of de restwarmte van het Logistiek Park Moerdijk opgevangen kan worden door het glastuinbouwgebied. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar een bestaande buisleidingenstraat tussen Rotterdam en Antwerpen. Die wordt nu maar deels benut en zou wellicht kunnen functioneren voor C02 transport of transport van biomassa. In het beste geval kan men over de provincie- of zelfs landsgrenzen van elkaars reststoffen profiteren. Het onderzoek is tegelijk een testcase voor een nieuw soort samenwerking tussen provincie en ruimtelijk ontwerpers bij dergelijke complexe opgaven. ‘Een fundamentele heroriëntatie op bestaande ruimtelijke- modellen en verbanden’ kan volgens Vermeulen enkel goed doen. Men moet volgens hem gaan beseffen dat het ontwerp de functionering van een gebied bepaalt. Zeker in het geval van dergelijke ontwikkelingen, waarbij verschillende bedrijven of zelfs clusters, gebruik maken van elkaars restwarmte en afvalstoffen. Dat moet door bedrijven en overheid onderkend worden. Een integratie van en samenwerking tussen de verschillende kennisvelden is essentieel voor een optimaal ontwerp.

De huidige ontwikkelingen in zuidwest Nederland zijn het resultaat van een langere samenwerking tussen overheid, bedrijfswereld en onderwijs aldaar. Het gebied is koploper van Nederland als het gaat om een transitie naar een duurzame economie. ‘Bio based Delta’ werd het project gedoopt. Grote aanjager binnen het gebied is de Green Chemistry Campus, op het terrein van chemiebedrijf SABIC te Bergen op Zoom. Inmiddels doet TNO met het Belgische VITO en de regionale industrie daar onderzoek naar het vervaardigen van aromaten (chemische verbindingen) uit suikers. Het laatste nieuws afkomstig van de campus is dat het hard op weg is om de chemische ‘sweet spot’ van Europa te worden. Doordat de EU heeft besloten vanaf 2017 het suikerquotum af te schaffen, bezit Europa ‘voor het eerst zélf grootschalig de grondstof van de toekomst’, zo vermeldt de website van de campus. Verder geeft het bericht enige technische toelichting: “In de Biobased Delta worden chemische bouwstenen niet alleen uit eerste generatie suiker (uit de suikerbiet) gewonnen, maar ook uit suikers uit onder meer hout en zetmeel. In een tweede route worden chemische bouwstenen gewonnen uit de suikers die lignocellulose (de stof die planten stevigheid geeft) bevat. Daaruit worden vervolgens tweede generatie suiker en lignine (de stof die stevigheid geeft aan hout) gewonnen.” Dat laatste klinkt al meer als mogelijk gevelmateriaal, maar vooralsnog lijkt in de Bio Based Delta in eerste instantie te worden ingezet op ontwikkelingen van de traditionele materialen die de petrochemie produceert; plastic en kunststof, uit plantaardige grondstoffen.

Nederland betonland

Voor bio based materiaal voor de bouw moet men bij NPSP zijn, het bedrijf dat het materiaal ontwikkelde voor het gasontvangststation in Dinteloord. Het materiaal dat zij ontwikkelen is ‘nabasco’, afgeleid van nature based composites. De gangbare grondstof van composiet is glasvezel, vanzelfsprekend geen -natuurlijk materiaal. Dit composiet is nu nog iets goedkoper dan bio based composiet, maar dat verschil is volgens -Willem Böttger, van de afdeling onderzoek & ontwikkeling van NPSP, slechts te wijten aan het feit dat de productie van biocomposieten zich in de opstartfase bevindt. Wat nabasco voorheeft op glasvezel, is dat het composiet lichter gemaakt kan worden en dat het biologisch afbreekbaar is, in groene stroom kan worden omgezet. “De meeste composieten die wij produceren bevatten vezels gemengd met hars. Vezels geven de hardheid, hars de bescherming aan het materiaal. We ontwikkelen verschillende materialen met verschillende toepassingsmogelijkheden, afhankelijk van de vraag van de klant. Het grootste voordeel van composiet materiaal is dat het heel makkelijk is om vormvrij te werken. Het maken van een vlak blad is net zo moeilijk en duur als het maken van een dubbel gekromd blad, wat met ander materiaal veel moeilijker en duurder is.”

Composiet is dus het materiaal van de toekomst. In Nederland is dat echter nog niet echt doorgedrongen tot de bouwwereld. Wellicht wacht men totdat de productiemethoden goedkoper worden, maar het is een feit dat zonder een stabiele vraag, de productiemethoden zich niet snel zullen ontwikkelen. Een ander probleem is dat nieuw materiaal nieuwe kennis vereist van ontwerpers en architecten. Willem Böttger ziet dat men bijvoorbeeld in Frankrijk al veel verder is. “Nederland is staal, hout en betonland. De kennis ontbreekt. In Frankrijk zie je veel meer composietentoepassingen in de bouw. Voor de nieuwe formule 1 hotels bijvoorbeeld. Maar Frankrijk kent dan ook betere omstandigheden. Naast een grote agrarische sector kent het ook een grote industriesector. Dat laatste missen we in Nederland een beetje. En de bouw in Nederland is net iets te versnipperd, waardoor je heel veel partijen warm moet zien te krijgen voor biomateriaal voordat je een project kunt doen. De green deals zijn een stap voorwaarts, maar het gaat allemaal nog niet erg snel. Waar we twintig jaar geleden nog voorop liepen, is dat nu zeker niet meer het geval.–” -Marco Vermeulen sluit vanuit zijn vakgebied hierbij aan. Hij ziet dat in Nederland wat betreft duurzame kringlopen te veel op kleine schaal gebeurt. “Hoe grootschali-ger– een kringloop wordt opgezet, of verschillende gebieden met elkaar worden verbonden, hoe rendabeler en efficiënter het resultaat.” De laatste jaren pompen het rijk, provincies en hier en daar een Europees fonds, geld in onderwijs en onderzoek om de kennis te verbreden. Zo is aan de Hogeschool Avantis een nieuw lectoraat ‘bio based bouwen’ geïntroduceerd.

Voordelen van composiet

Dat biologisch gevel- of bouwmateriaal in Nederland nog in de kinderschoenen staat, blijkt wel uit het faillissement dat NPSP begin dit jaar meemaakte. Het bedrijf oogstte lof na oplevering van het gasontvangststation, maar grote orders bleven uit. Na een overname door Poly Products verhuisde het bedrijf van Haarlem naar Werkendam. Ook in dit geval bleek zuid-west Nederland de plek om het hoofd boven water te houden in deze branche. Werkendam ligt namelijk aan de rand van de Biesbosch, in de Bio Based Delta dus, waar NPSP dan ook ‘lid’ van is. De verhuizing heeft NPSP dan ook het een en ander aan nieuwe samenwerkingen met bedrijfsleven en onderzwijsinstellingen opgeleverd. Samen met Isobouw wordt gewerkt aan biocomposieten gevels voor slecht geïsoleerde woningen uit de jaren zestig in Zeeland. Deze gevels worden als een soort sandwich aan de bestaande gevel gehangen. Daarbij wordt geprofiteerd van drie voordelen van composiet materiaal: de lichtheid maakt een dergelijk huzarenstukje überhaupt mogelijk, het hoge isolerend vermogen verbetert de woningen, en de vormvrijheid van het materiaal en de mogelijkheid tot kleurgebruik bieden architecten de kans om de grauwe wijken letterlijk een make-over te geven.

Zit het er op korte termijn in dat composiet van biologisch restmateriaal op de normale markt kan concurreren? Böttger blijft erin geloven. “Er moet over de hele keten, van grondstofwinning tot klant, het besef ontstaan wat de mogelijkheden zijn.” Maar zowel Marco Vermeulen als Willem Böttger geeft aan dat de bedrijfswereld te veel naar de korte termijn kijkt. Traditioneel bouwmateriaal is nu nog goedkoper en lange termijn visies zijn op het moment in de bouwwereld even niet gewenst. Daarnaast lijkt het materiaal simpelweg nog niet bekend genoeg onder ontwerpers en architecten. Hoe groot de voordelen van werken met composiet ook kunnen zijn. De overheid daarentegen heeft grote ambitites, maar niet de middelen. Vermeulen: “De term ‘bio based economy’ behelst heel veel ambitie en belofte. Maar er bestaat een discrepantie tussen wat de overheid hoopt en waar het bedrijfsleven op dit moment staat. Laatstgenoemde wil in eerste instantie op normale schaal materialen kunnen produceren. Voor alle duidelijkheid, het gasontvangstgebouw is kostbaarder dan wanneer je dat traditioneel van baksteen had gebouwd. Maar de vraag of het economisch rendabel is, is dezelfde als de vraag of architectuur economisch rendabel is. Je geeft ergens inhoud aan, dat doe je door vorm én door materiaalkeuze.”

Willem Böttger gelooft dat bio based composieten vanzelf voordeliger zullen worden als er genoeg afzetmogelijkheden zijn. Als de verwerking van restafval beter georganiseerd wordt, zal dat de prijs naar beneden brengen. Daarnaast vereist de productie van nabasco minder energie dan traditioneel bouwmateriaal. “Als men werkelijk niet meer van olie afhankelijk wil zijn en men vindt dat het met het milieu beter moet, moeten er stappen gezet worden die in eerste instantie wat duurder, maar uiteindelijk een goede investering zijn. En op termijn goedkoper.”

De toekomst van Nabasco is dus gekoppeld aan de -herordening van het landschap zoals Marco Vermeulen die vormgeeft in zijn projecten. Niet alleen door de kringlopen van biologische afvalstoffen voor de chemische industrie beter te ordenen, maar ook door bij te dragen aan de gedachte dat gesloten kringlopen, groene -brand- en– grondstoffen en duurzame energie, economisch voordeel kunnen opleveren. De bio based economy verandert van toekomstmuziek langzaam in moderne muziek.

System integrator centraal bij renovatie Ymere

0
System integrator centraal bij renovatie Ymere

Van nood-verband tot effectieve gebouwautomatisering

De business case oogt op het eerste gezicht niet spectaculair. Maar wat een uitdaging in gebouwautomatisering is er waargemaakt achter de kantoorgevel van Ymere in Diemen. Een mislukte renovatie moest worden ‘gerepareerd’. Het verhaal legt pijnlijk bloot hoe onzorgvuldig gebouwautomatisering nog vaak in de praktijk wordt uitgevoerd. Uit deze business case blijkt des te meer hoe het wél kan en dus ook moet. System integrator centraal bij renovatie Ymere.

Het is een herkenbaar scenario. Een goed gebouw wordt in de loop der jaren verbouwd en gerenoveerd door verschillende eigenaren. Bij wisseling van gebruikers en gebouwbeheerders gaat waardevolle technische documentatie verloren, als er al informatie is vastgelegd. Niemand weet nog hoe het gebouwbeheersysteem is ontworpen en gerealiseerd, en zeker het inzicht in de integratie van de geïmplementeerde systemen raakt zoek. Dan komt er een moment dat het gebouw dusdanig veel klachten voortbrengt, dat rigoureus ingrijpen de enige mogelijkheid is. Zo ging het ook bij het gebouw van Ymere, blijkt uit de verhalen van Gert Krook, locatiebeheerder facilitair bedrijf Ymere, Peter Schumacher, projectleider/adviseur van de -divisie Buildings bij Royal HaskoningDHV, en Joop Dekker, partner bij system integrator BUILDING Technology.

Overdracht

Het kantoor van Ymere in Diemen werd gebouwd in de jaren ‘60 van de vorige eeuw. Rond de eeuwwisseling werd het eigendom van de Rabobank. Peter Schumacher was als adviseur toen al betrokken bij het gebouw. ‘Het gebouw werd volledig gestript en hoogwaardig vernieuwd met de beste materialen en de meest innovatieve technologieën van dat moment, maar met een vaste, statische indeling. Daar koos de eigenaar toen bewust voor; er werden weinig wijzigingen voorzien en er werd een Life Cycle Cost analyse gemaakt die aantoonde dat het aanpassen van het systeem bij ruimtewijziging voordeliger zou zijn dan volledig flexibel uitleggen.’

Zo’n tien jaar later werd woningcorporatie Ymere de nieuwe eigenaar. Peter vervolgt: ‘Op dat moment ging het al mis, al was dat niet direct merkbaar. Er is bij de overdracht van het pand een informatie gap ontstaan. De aanwezige technische documentatie werd weliswaar overgedragen, maar de ontwerp- en regelfilosofie niet. Het gevolg was dat Ymere aanpassingen ging doen om flexibel ruimtegebruik binnen het gebouw mogelijk te maken. Maar informatie over wat dat zou kunnen betekenen voor de gebouwautomatisering, die was er niet. Omdat de aannemers toen niet goed wisten hoe ze met de gebouwautomatisering om moesten gaan, ontstonden er al snel allerlei problemen. Daar kwam bij dat aannemers vaak geen visie hebben op gebouwautomatisering. Joop vult aan: ‘Je moet goed nadenken over de wijze waarop je een aannemer aanstuurt. Dat speelt extra wanneer het gaat om een verbouwing waarbij het gebouw in gebruik blijft. Hoe wil je dat een aannemer omgaat met de installaties bij nieuwe, flexibele indelingen?’

Noodverbandjes

Over het verdere verloop vertelt Gert Krook: ‘We kwamen er niet meer uit. Ook niet met de onderhoudspartij die we toen hadden. Dit bedrijf had veel kennis van werktuigbouwkunde, maar niet van systeemintegratie. Wat er dan gebeurt, is dat er werktuigbouwkundige oplossingen worden geboden voor een probleem in de gebouwautomatisering, de zogenaamde noodverbandjes. De oplossingen die we aanbrachten, voldeden een paar maanden en dan ontstond er ergens anders weer een vergelijkbaar probleem. Zo ging het van kwaad tot erger, terwijl we steeds meer geld uitgaven en almaar verder verwijderd raakten van een echte oplossing. Intern hebben we toen een groep samengesteld die ging uitzoeken hoe we het klimaat het beste konden verbeteren. Welke klachten en problemen zijn er? Hoe zou een nieuw klimaatsysteem eruit moeten zien? Op basis van die analyse hebben we toen partijen aangeschreven, waaronder Royal HaskoningDHV.’ Peter: ‘Samen hebben we in beeld gebracht hoe het gebouw zou moeten functioneren. Wat mij betreft is dat een kritische factor voor succes bij dergelijke projecten. Want gebouwautomatisering is niet de kern van het probleem. Cruciaal is dat je de gewenste functionaliteit goed beschrijft. De techniek moet dat vervolgens mogelijk maken.’

Gebruikersconcept

Het was de bedoeling om hooguit 1,5 ton te investeren in aanpassing van de aanwezige gebouwautomatisering. Al snel werd duidelijk dat er een half miljoen nodig was. Royal HaskoningDHV heeft toen een omgevingspsycholoog bij het project betrokken. Peter: ‘Deze heeft samen met de gebruikers de eisen bepaald ten aanzien van een flexibele indeling en het gewenste effect van de installaties. Dit gebruikersconcept was nadrukkelijk niet gericht op de techniek, maar op het functionele gebruik van het gebouw en op de opbrengsten, bijvoorbeeld uit -productiviteitswinst. Om de investering te verantwoorden, hebben we er zodoende een business case van gemaakt door de productiviteitswinst te kwantificeren die Ymere met een dergelijke investering zou kunnen boeken. Wat is de geschatte schade die je oploopt wanneer je niks doet? Wat is de winst die je boekt in termen van minder ziekteverzuim? Welke productiviteitswinst levert het op? Als je productiviteitswinst kunt én durft te betrekken, dan is een dergelijke investering te overzien. Wij hebben een rekensom gemaakt waaruit een kritische grens rolde van bijna 3 procent productiviteitswinst. Gelet op het grote aantal gebouwgerelateerde klachten, hebben we op basis van deze rekensom de investering van uiteindelijk zeven ton verantwoord.’

System integrator als hoofdaannemer

In verband met de eis dat het gebouw in bedrijf moest blijven en omdat de regeltechniek en het gebouwbeheersysteem dominante factoren waren, adviseerde RoyalhaskoningDHV aan Ymere een bouwteam te formeren met een system integrator als hoofdaannemer-. Vooraf beschreven Ymere en Royal HaskoningDHV op functioneel niveau het projectdoel. Van daaruit zijn gespecialiseerde partijen gezocht en geselecteerd. Doel van de opzet was de kennis van de system integrator optimaal te benutten, de advieskosten te beperken en extra waarde toe te voegen. Het kiezen voor de system integrator als hoofdaannemer is traditioneel gezien geen voor de hand liggende keuze, maar bij projecten waarin de regelstrategie bepalend is, is het wel een -aantrekkelijke optie. Joop Dekker: ‘Juist bij renovatieprojecten kun je als system integrator de expertise van de gebouwgebruiker direct meenemen. Dat levert het best denkbare voortschrijdend inzicht op. Zo kom je tot een beter resultaat. Bij nieuwe projecten ligt dat anders. Daar ligt het zwaartepunt, ook in financieel opzicht, niet bij de regeltechniek, maar bij de werktuigbouwkundige installaties. De system integrator als hoofdaannemer is een keuze die zich heel goed laat vertalen naar vergelijkbare projecten.’

Technische uitwerking

Op basis van het gebruikersconcept en het functionele Programma van Eisen hebben Ymere, Royal -HaskoningDHV en BUILDING Technology een technische uitwerking gemaakt die aan de verwachtingen zou voldoen. Functioneel gezien vormde verbetering van het comfort en de ergonomie het vertrekpunt. Daar lagen de meeste serieuze klachten. Adequate klimaatregeling en verlichtingsschakeling per aangegeven zone waren vereist. En het nieuwe gebouwbeheersysteem zou de gebruiker meer inzicht moeten geven in het gebouw en monitoring mogelijk maken. Besparing op energie door een betere instelling van de regeling en de naregeling is meegenomen, maar was niet de voornaamste doelstelling. Gert: ‘Uiteindelijk voldoen we na de oplevering met ons energiegebruik aan de huidige benchmark die Ymere stelt. Op de Milieu Barometer scoren we iets hoger dan een gemiddeld kantoor. Dat zijn goede resultaten voor een gebouw dat in de jaren zestig werd gebouwd en zijn laatste grote refit nog voor 2000 kreeg. Bovendien zijn er meer medewerkers gekomen en hebben we meer ruimtes in gebruik, dus wij zijn tevreden met dit -resultaat.’

Flexibel

In de kantoren en spreekkamers heeft Ymere ruimteregeling, in de kantoortuinen zijn zoneregelingen toegepast. Daarbij zijn de zones wel nadrukkelijk gedifferentieerd; de zoneregelingen lopen als een soort golfpatroon over een afdeling. Hoekvertrekken worden anders geregeld, hoge bezettingen worden opgevangen, enzovoorts. Joop legt uit: ‘De inrichting is flexibel van opzet. Dus mochten er nog wandjes verzet of geplaatst worden, dan kan er nog drie keer in dat gebied individueel geregeld worden. In tegenstelling tot vroeger, toen het nogal eens gebeurde dat er een wand werd gezet waarbij de regeling ‘achterbleef’ in de naastgelegen ruimte. De gebruiker die aan de knoppen zat, regelde het voor zijn buurman.’ Gert vult aan: ‘Gemiddeld hebben we de temperatuur overal gelijk gehouden. In de kantoren kunnen de medewerkers zelf iets bijregelen, plus en min 3. In eerste instantie hadden we dat ook in de kantoortuinen, maar dat werkte niet. Het systeem piekte continu, of naar beneden of naar boven doordat verschillende mensen 
in zo’n kantoortuin hun individuele klimaat wilden instellen.’

Techniek

Het gebouwbeheersysteem dat in het pand van Ymere is toegepast, is Visi.Plus van Saia Burgess Controls. Joop licht toe: ‘Er zaten al DDC stations van Saia in met een ander fabricaat beheersysteem. Dat was tien jaar oud, dus bijna aan vervanging toe. De apparatuur, de hardware, werd nog wel ondersteund. We hebben samen vastgesteld dat we modernere technologie wilden toepassen, zoals een webbrowser in het DDC station, waarmee bediening op afstand mogelijk wordt. Een nieuw onderstation kost een fractie van de totale investering in termen van de Life Cycle Costs. Daarom hebben we besloten het hele gebouwbeheersysteem te vervangen.’ Er is één grote regelkast geplaatst met daarin de regeling van de primaire regelinstallatie en de seriële koppeling met de naregeling van het klimaat en het schakelen van de verlichting. De systeemboxen zijn prefab gemaakt. Klimaat en lichtsturing waren al gekoppeld en alle aansluitingen via verschillende chassis gedeeld. Met name in renovatieprojecten, waarbij een korte montagetijd op de locatie gewenst is, zijn dergelijke voorbereidingen een must.

Het doel was om de techniek zo toegankelijk mogelijk te maken voor de gebruiker. En dat is gelukt. Ymere heeft het beheer en de monitoring nu helemaal in eigen hand. Direct vanaf de plattegrond (zie afbeelding) kan Gert met een muisklik zien hoe de ruimtes er voor staan.

Continuïteit

De system integrator die eerder bij het gebouw betrokken was, had zijn activiteiten met Saia inmiddels gestaakt. De continuïteit op het gebied van de systeemintegratie was er dus niet meer. En dat is zeker zo belangrijk, vindt Joop. ‘Ook met het oog op onderhoud. Dat ligt vaak bij de werktuigbouwkundig installateur en niet alle -installateurs hebben de kennis van gebouwbeheertechniek voldoende in huis. We bieden altijd een onderhoudscontract aan. De DDC apparatuur gaat vrijwel nooit kapot. We noemen het daarom geen onderhoud, maar een functiecontrole. Momenteel werk ik aan een project waar we tien jaar garantie geven op de -apparatuur. Dat kan makkelijk.’

Verkeerde kant

Ymere heeft er voor gekozen om het onderhoud niet onder te brengen bij BUILDING Technology, tot op heden in ieder geval. Dat dit vergaande consequenties kan -hebben, verduidelijkt Peter met een anekdote: ‘Na oplevering van het project was er direct een strenge winter en waren er temperatuurklachten. Via het gebouwbeheersysteem was te zien dat de ketel vol bijstond en de regelafsluiters 100% werden aangestuurd. Toen is er een onderhoudspartij bij gekomen die na een eerste inspectie grotere ketels wilde monteren. Door verder te analyseren via het gebouwbeheersysteem en gebruik te maken van de mogelijkheid om te monitoren, hebben we de echte oorzaak van het probleem gevonden. Er bleek een pomp de verkeerde kant op te draaien, waarschijnlijk al jaren. Het was dus het nieuwe gebouwbeheersysteem dat dit uiteindelijk aan het licht bracht. Ook dat zijn opbrengsten.’ Gert reageert: ‘Ymere is een grote organisatie. Daar hoort bij dat het onderhoud van veel panden breed wordt aanbesteed. Ons eigen gebouw zat in zo’n samenvoeging. Wij moeten er heel alert op zijn dat we de architectuur en de functionaliteit van het gebouwbeheersysteem intact laten, ook binnen een dergelijke constructie.’

De business case van Ymere laat zien wat de meerwaarde van de system integrator kan zijn bij renovatieprojecten waarin het zwaartepunt bij de regeltechniek ligt. Bij Ymere zijn vrijwel alle klachten verdwenen. Het comfort is maximaal toegenomen. Tegelijkertijd laat dit project ook zien hoe verleidelijk het is om terug te vallen in oude patronen. Joop besluit: ‘Gebouwautomatisering heeft pas kans van slagen als elke schakel in de keten kan blijven vertrouwen op de kennis en expertise van de betrokken partners. Van gebouwbeheerder of vastgoedmanager tot adviseur en system integrator. Een keten is immers zo sterk als de zwakste schakel.’

Info

Gebouw Automatisering

Vervoersknoop wordt multimodaal transferpunt

0
Vervoersknoop wordt multimodaal transferpunt

In Breda verrijst een nieuwe OV-Terminal met alle ruimte voor voetgangers, fietsers én automobilisten. Deze laatsten kunnen als het ware door het station via de hellingbaan naar het immense parkeerdak rijden. “We wilden een gebouw waarin alle modaliteiten bij elkaar komen, zonder dat de partijen last van elkaar hebben”, zegt de architect.

Een ondergrondse parkeergarage was vanwege het hoge grondwaterniveau financieel niet haalbaar. De optie voor een half ondergrondse parkeergarage werd verworpen als zijnde “maaiveldvervuiling”. Want, zo zegt architect Koen van Velsen: “We wilden een gebouw voor de stad met winkels, kantoren en zelfs woningen. En dan wil je vanaf de straat niet tegen een parkeergarage moeten aankijken.” Van Velsen vond de oplossing op het dak van de door hem ontworpen OV-Terminal Breda. “Ik mocht een stationsdak maken. Dat bood mogelijkheden. “Door wat extra aanpassingen konden we het dak een extra functie geven als parkeerdak. Dat past ook goed bij een duurzaam gebouw als dit, waarin we diverse functies hebben gestapeld.” In het gebouw komen vrijwel alle transportmogelijkheden bijeen: treinen, bussen, auto’s, fietsen en een voetgangersnetwerk. Door hier de functies wonen, werken en winkelen aan toe te voegen, krijgt het gebouw een levendigheid die de architect heeft willen versterken door lichtkoven in het dak aan te brengen. Die zijn niet alleen voor het licht, maar ook voor het zicht. “Hierdoor kan je bijvoorbeeld vanaf de perrons ook de levendigheid op het dak zien”, aldus Van Velsen.

Bewuste keuzes

Het terminalconcept is een bewuste keuze geweest, verklaart René Vegter desgevraagd. Vegter werkt bij ProRail, maar spreekt ook namens de twee andere opdrachtgevers: de gemeente en NS. “Op basis van verkenningen is gekozen voor realisatie van alle modaliteiten onder één dak. Het doel was opwaardering van de vervoersknoop tot een kwalitatief, integraal en multimodaal overstap- of transferpunt. En dat is gelukt, denk ik. Waaraan ik nog wil toevoegen dat op het dak parkeren vanwege het daglicht prettiger en sociaal veiliger is dan parkeren in een parkeerkelder.” Dat parkeerdak is overigens bijna 20.000 m² groot en biedt plaats aan meer dan 700 auto’s. Er komen bomen in bakken te staan (evenals in de ruimtes onder de lichtkoven overigens) en een deel van het parkeerdak is overkapt. Ook dit alles is bedacht vanuit het oogpunt van levendigheid en vriendelijkheid. Architect Van Velsen: “Daarom hebben we ook heel zorgvuldig gekeken naar de gebruikte materialen. Voor het vloeroppervlak hebben we bijvoorbeeld gekozen voor donkerbruine betonplaten. Die ogen een stuk prettiger dan die kille grijze betonplaten.”

Speciaal ontworpen

Waar Van Velsen het over betonplaten heeft, spreekt Richard Maassen over tegels. Heel bijzondere tegels zelfs, want 1 bij 1.30 meter groot, 8 centimeter dik, en speciaal voor dit project ontworpen. “In het oorspronkelijk ontwerp stond een kleinere tegel met een wybertjesvorm. Dat vonden wij te licht en onstabiel. Daarom hebben we een alternatief aangeboden dat als gelijkwaardig is geaccordeerd. Een vergelijkbare oplossing, maar die zo vast ligt als een huis. Ook over tien jaar nog.” Maassen werkt bij Tetto Dakdesign, dat volgens de eigen reclameslogan maatwerk in dakinrichting levert. “Dakbestrating, dakterrassen, galerij ophogingen, parkeerterrassen en zo meer”, somt hij op. “In dit geval is gekozen voor een 40 millimeter dikke drukverdeelplaat van hard geperst rubber. Op de drukverdeelplaat staan rubberen positioneernokken, waarop de hoeken van vier tegels passen. Er komt dus geen zand aan te pas. Het voordeel hiervan is dat de tegels als het ware iets boven de oppervlakte zweven waardoor het regenwater snel afgevoerd kan worden. En in geval van een eventuele calamiteit kan je eenvoudig enkele tegels lichten om het probleem op te lossen. Daarna kan je ze even eenvoudig weer terugleggen.” De tegels zijn voorzien van schijnvoegen die de lijnen van de parkeervakken volgen. “Dat is lastig leggen”, zegt Maassen, “omdat ze niet recht maar diagonaal lopen. Om de lijnen te kunnen laten doorlopen, hebben we dan ook twee verschillende tegels moeten produceren.”

Vijf fasen

Het dak is (en wordt) in fasen aangelegd. “Je bouwt over het spoor heen”, zegt Arnold Flake, “zonder dat het spoorverkeer en de reizigers hier hinder van mogen ondervinden. Ook de winkels in de terminal moeten gewoon open kunnen blijven. De eerste vier fasen zijn inmiddels zo goed als afgerond. De vijfde en laatste fase volgt in de tweede helft van het volgend jaar.” Flake is hoofduitvoerder bij Boko Dakbedekkers, partner van Leven op Daken, dat het dak conform het bestek en stappenplan van LOD heeft aangelegd. Daardoor kan de in het bestek gevraagde 15 (10+5) jaar verzekerde garantie afgegeven worden. “Het dak is waterdicht gemaakt met een dubbele laag volledig verkleefd bitumen”, zegt hij. “Dat klinkt misschien simpel, maar deze klus was echt een uitdaging. Zoals alle grote opdrachten. Dan is het zaak om de logistiek en de werkzaamheden goed op elkaar af te stemmen. Daarvoor moet je goede afspraken maken en de juiste mensen op het werk zetten. Als ergens risico’s bij komen kijken, zoals hier, voelen wij ons als een vis in het water. En het komt altijd goed. Want als iets volgens ons niet kan, dan doen we het ook niet.” Volgens Flake is het dak al lang geen sluitpost meer. “Het is de vijfde gevel geworden. Ook kwalitatief en esthetisch zijn de nodige stappen zijn gemaakt. Kijk maar naar wat de architect er in dit geval van heeft gemaakt. In mijn beleving is het dan ook niet meer dan logisch dat bij de uitvoering van zo’n prachtig project deskundige partijen als Boko en Tetto Dakdesign worden ingeschakeld.”

Bron: Leven op Daken

GrooveTex voor het opruwen van wegen

0
Opruwen

Met het nieuwe GrooveTex systeem voor het opruwen van wegen verwacht wegonderhoudsbedrijf Klaruw zijn positie op de Britse markt verder te verstevigen. Na de eerste succesvolle praktijkervaring met de nieuwe machine op de snelweg M20 tussen Londen en Dover, is de GrooveTex klaar voor grootschaliger inzet.

Onderhoud en reparatie

Terwijl het bijna 100-jarige Brabantse familiebedrijf zich in Nederland bezighoudt met kleinschalig asfaltonderhoud en wegdekreparatie, is Klaruw ook al zo’n 30 jaar actief in het Verenigd Koninkrijk. Daar heeft het bedrijf zich ontwikkeld tot specialist in het verbeteren van de stroefheid van asfalt- en cementbetonverhardingen. Opruwen van wegen is in dat land een veelgekozen oplossing om de verkeersveiligheid te vergroten.

Veilig, goedkoop en milieuvriendelijk

Engeland, Schotland en Ierland hanteren strenge normen om de wegen voldoende stroef te houden. Dat heeft niet alleen te maken met het natte klimaat dat de kans op glijpartijen groter maakt, maar ook met de structuur van de wegen en de wijze van onderhoud. Doordat de ondergrond van de Engelse wegen doorgaans steviger is dan die van de Nederlandse, treden er minder verzakkingen en scheuren op. De bovenste asfaltlagen gaan langer mee, maar na verloop van tijd worden ze wel glad door polijsting. Om de wegen toch veilig te houden, moeten ze weer stroef gemaakt worden. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door een nieuwe deklaag of een speciale slijtlaag aan te brengen. Britse wegbeheerders kiezen meestal voor een derde optie, namelijk opruwen van de wegen. Dat is het terrein waar Klaruw zich in heeft gespecialiseerd.

Voordelen

Opruwen van wegen biedt veel voordelen vergeleken met het vernieuwen van het wegdek. Het is milieuvriendelijk doordat het proces een lagere CO2 uitstoot en een lagere kostprijs heeft. Daar komt bij dat deze methode de levensduur van de weg verlengt. Ook op de langere termijn levert dat dus besparingen op, omdat vervanging van het wegdek uitgesteld wordt. Stroevere wegen zijn daarnaast ook nog eens veiliger en stiller.

Eigen technologie

Bij het mechanisch opruwen van wegen, viaducten, bruggen of vliegvelden maakt Klaruw gebruik van eigen technologie: unieke specialistische machines die op de thuisbasis in Tilburg ontwikkeld worden. Ter aanvulling op het inmiddels bekende en beproefde KluruwTex systeem komt Klaruw nu met 2 nieuwe innovaties: GrooveTex (GRT) en MicroGrooveTex (MGT). Terwijl KlaruwTex de wegen licht hamert in een zigzagpatroon, zijn de GrooveTex en MicroGrooveTex diamantslijpsystemen. Dankzij de diamantzagen zijn de nieuwe machines in staat smalle groefjes van 3 mm (GrooveTex) en 2 mm (MicroGrooveTex) breed in de verharding te frezen in de lengterichting van de rijstrook. Die techniek verbetert zowel de micro- als de macrotextuur van het wegdek, waardoor de banden van voertuigen meer grip op de weg krijgen, ook in natte weersomstandigheden.

Universeel tractievoertuig

Net als de KlaruwTex bestaat de basis van de GrooveTex en de MicroGrooveTex uit een universeel tractievoertuig (UTV). Het verschil zit in de module die aan dit voertuig gekoppeld wordt. Deze bepaalt welke bewerking er uitgevoerd kan worden.

Kansen

In de Verenigde Staten wordt diamantslijpen al langer toegepast voor het opruwen van wegen. Engelse wegbeheerders en aannemers maakten pas enkele jaren geleden kennis met de Amerikaanse aanpak. Directeur John Klaassen van Klaruw zag direct kansen. In Engeland werd de techniek namelijk enthousiast ontvangen, maar de hoge prijs vormde een belemmering. Omdat Klaruw van oudsher thuis is in het opruwen van cementbetonverhardingen en het anti-slip maken van bedrijfsvloeren met eigen machines, besloot Klaassen zijn kennis en expertise in te zetten voor de ontwikkeling van een eigen systeem: kwalitatief minimaal even goed, maar dan goedkoper. Een belangrijke vereiste was ook dat de machine in natte weersomstandigheden probleemloos ingezet kan worden.

Prototype

Deze aanpak leverde een prototype op dat Klaruw aanvankelijk beproefde op kleine stukjes weg in Nederland en op een aantal Britse A-wegen. Na wat aanpassingen aan bijvoorbeeld de instelling van de diamantzagen en de aandrijving, volgde onlangs de ultieme test: een aantal rijstroken op de snelweg M20 tussen Londen en Dover met een lengte van zo’n 12 kilometer.

Geslaagde praktijkproef
De praktijk leert dat het lastig is om opdrachtgevers bereid te vinden om ’testoppervlak’ beschikbaar te stellen, terwijl dat een absolute voorwaarde is om nieuwe technologie tot een goed werkend product te krijgen. Inzetten van de GrooveTex op de M20 ging dan ook niet zonder slag of stoot. Er ging een jaar aan onderhandelen vooraf tussen Highways Agency (de Britse Rijkswaterstaat) en de hoofdaannemerscombinatie Balfour Beatty/Mott MacDonald, de opdrachtgever van Klaruw, voordat de toestemming rond was. Om de klus binnen de strakke termijn van 10 nachten te klaren, gebruikte Klaruw 2 machines voor de uitvoering. Eén machine ging mee als reserve. De ploeg, samengesteld uit Nederlandse en Engelse Klaruw technici, had de handen vol om de machines aan het werk te houden. Tussentijds is er dan ook nog het nodige gesleuteld. Het was spannend om de GrooveTex voor het eerst echt aan het werk te zetten, maar uiteindelijk lukte het om de opdracht binnen de gestelde termijn en naar tevredenheid van de opdrachtgever af te ronden.

Optimaliseren

Klaruw zal de praktijkervaring op de M20 gebruiken om de nieuwe machine verder te optimaliseren. John Klaassen heeft hoge verwachtingen van de laatste aanvulling op het eigen machinepark. ‘Innoveren doe je niet van vandaag op morgen. Dat is een zaak van de lange adem en je moet bereid zijn om erin te investeren. De GrooveTex geeft ons een voorsprong.’ Het ziet ernaar uit dat Klaruw de nieuwe machine in 2015 ook weer kan inzetten op verschillende wegtrajecten in het Verenigd Koninkrijk. Ook voor de Nederlandse markt is het een veelbelovend product.

Ithaka project ‘onderweg naar de gedroomde bestemming’

0
Ithaka-project-‘onderweg-naar-de-gedroomde-bestemming

Op een terrein van 2 hectare in het Homeruskwartier (Almere Poort) is een bijzonder woningbouwproject ontwikkeld: Ithaka. Genoemd naar het eiland Ithaka, waarvan volgens de Odyssee van de Griekse dichter Homerus Odysseus koning was. Ithaka staat voor het onderweg zijn naar de gedroomde bestemming. Dát is het ook geworden door samenwerking met woningzoekenden en dankzij onder andere een inventieve Koopgarantformule, die weerstand bood aan de economische crisis.

Almere wil zich de komende jaren laten zien aan het water, te beginnen bij Almere Poort. Het wordt bijna een nieuwe stad, een strandstad, met de ogen niet op de polder maar op Amsterdam gericht. Het Homeruskwartier is gelegen in het noordoostelijk deel van Almere Poort. Eind 2006 schreef de gemeente Almere een prijsvraag uit voor zeven bouwvelden in dit kwartier. Wethouder Adri Duijvestein zette groots in door iedereen het huis van zijn dromen te laten bouwen in een wijk.

Particulier Opdrachtgeverschap

“We waren vrij om het in te richten zoals we wilden. Alleen het aantal parkeerplaatsen en de maximale hoogte stonden vast. Wel moesten we het samen doen met medeopdrachtgevers”, vertelt André van Bekkum, directeur en eigenaar van de Van Bekkum Groep. “Het project was een vorm van Particulier Opdrachtgeverschap. Daar moesten we een oplossing voor vinden. Samen met Edwin Oostmeijer Projectontwikkeling hebben we mensen uit Almere uitgenodigd om mee te denken over het project. Veelal mensen die overwogen om er uiteindelijk te gaan wonen.” De jury selecteerde voor elk veld twee ontwikkelaars die met de toekomstige bewoners een plan moesten uitwerken. Het plan met de meeste bewoners mocht daadwerkelijk aan de slag gaan. “Wij kwamen als winnaar uit de bus van Veld C, een terrein van twee hectare”, vertelt Van Bekkum. De volgende stap was het afnemen van de grond. Glimlachend vervolgt hij: “Dat gebeurde op 5 december 2008. Die datum vergeet ik nooit meer. Toen ik bij de notaris zat, kwam er een Sinterklaas binnen.”

Van idee naar plan

Hoe is het ontwerp van Ithaka ontstaan? André van Bekkum: “Met de particulieren hebben we twee stedenbouwkundige modellen bekeken. We gingen op reis naar het woningbouwproject Fredensborg van architect Utzon in Denemarken en Halen van Atelier 5 in Zwitserland. Daarna zijn we met de mensen om tafel gaan zitten. Wat kunnen we met deze modellen? Hoe zouden wij het willen? De groep gaf aan zo veel mogelijk bebouwing te willen aan de randen met in het midden een groot park, waardoor er ruimte zou ontstaan. Ook werd ingezet op zo veel mogelijk verschillende woningen. Het moesten geen standaard huizen worden in een standaard straat. Met z’n allen zochten we naar een plek om ons thuis te voelen en tegelijkertijd vakantie te hebben. Toen ontstond het idee om in het park een gemeenschappelijke zwemvijver te creëren. Een vijver met water gefilterd door de grondsoorten, dus niet met chloor en onverwarmd.” En het lukte. Ithaka werd een feit. Op een YouTube film over het project, zegt een bewoonster: “Ithaka is als een soort woonwagenkamp in het Wilde Westen waar de vijand buiten zit en alle woonwagens naar binnen, naar elkaar gekeerd staan. In het park kunnen de kinderen rustig spelen, terwijl de Indianen buiten blijven.”

Crisis

Het plan was er. De volgende stap betrof het afnemen van de grond. Van Bekkum: “Maar ja, toen kwam de economische crisis om de hoek kijken. Alle mensen die belangstelling hadden voor Ithaka, verdwenen als sneeuw voor de zon. De gemeente verplichtte ons echter de grond gewoon af te nemen. Wat te doen? Om het geheel toch nog in goede banen te leiden, hebben we een aantal maatregelen genomen. Het eerste idee was om het project te faseren. Dan is het wat kleiner en gemakkelijker te overzien. Bovendien, als je weet hoe er op fase 1 gereageerd wordt, dan zijn bijstellingen voor fase 2 mogelijk. Fase 1 bestond uit 42 appartementen in de westvleugel en 10 boven/benedenwoningen. In fase 2 werden 52 appartementen in het hoofdgebouw en 12 werkruimtes gebouwd. De 23 tuinhuizen bewaarden we voor de laatste fase, in de hoop dat de crisis dan wel voorbij zou zijn. Maar niets was minder waar na de twee fases. Toch zijn we de tuinhuizen gaan realiseren, maar één voor één. Elke keer na een verkoop, bouwden we een nieuwe woning. Zo hebben we ons door de crisis heen gewerkt.” Maar dit was niet de enige maatregel die Van Bekkum nam. Om de koop van de woningen aantrekkelijk te maken, werd een Koopgarantformule ontwikkeld. Hij vertelt: “De formule bestond al voor woningbouw-coöperaties. Ontwikkeld door de stichting Op Maat. Samen met deze stichting hebben we onderzocht of dit product ook geschikt zou zijn voor de particuliere markt. Uiteindelijk bleek dit te kunnen. Van Op Maat hebben we een licentie van de Koopgarantformule gekocht en deze vervolgens losgelaten op de woningen van Ithaka. Toen begon de verkoop te lopen.” Bij de Koopgarantformule wordt de woning getaxeerd. Op dit bedrag geeft de Van Bekkum Koopgarant BV – opgericht voor deze formule – een korting van 30%. Wil de eigenaar van de woning het huis naar verloop van tijd verkopen, dan is hij verplicht dit te doen aan de BV. Er vindt dan opnieuw taxatie plaats en de woning wordt opnieuw verkocht. De korting die destijds gegeven is, moet als eerste terugbetaald worden. De BV en de particulier delen vervolgens de winst of het verlies op de woning.

Architectuur en vormgeving

Wat maakt Ithaka bijzonder? André van Bekkum antwoordt: “De architectuur en de vormgeving. De woningen liggen aan de rand van een enorm park met een zwembad van maar liefst 50 bij 10 meter. De woningen mogen aan de buitenkant veranderd worden. Denk aan bij- of aanbouw. De binnenkant, de parkkant, moet zo blijven als het is. Deze regel uit zich onder andere in het metselwerk. De parkkant ziet er keurig gemetseld uit. Het metselwerk aan de buitenkant kent echter zogenaamde baarden; de specie die bij het op elkaar drukken van de stenen eruit vloeit, hebben we laten zitten. Eigenlijk symboliseren we: ‘Aan de buitenkant komt het er niet zo op aan’.” Wat verder opvalt in het project zijn de grote balkons en terrassen aan de parkkant. Naast de woningen kent Ithaka twaalf bedrijfsruimtes. Inmiddels zijn deze ruimtes ingenomen door onder andere een tandarts, boekhouder, bakker en een kleine supermarkt. In de vier horecapanden zit onder meer een Thaise en Surinaamse afhaal.”

Trots

Bouwtechnisch bekeken, is Ithaka vrij traditioneel gebouwd. “Het bouwen zelf gaf daarom geen problemen”, vervolgt Van Bekkum. “Een probleem was wel om de markt vast te houden. Zoals gezegd, door de crisis liepen de kopers in eerste instantie weg. Omdat we het project in fases indeelden en we de Koopgarantformule in het leven hebben geroepen, konden we toch productie maken. De bouwvakkers en werkvoorbereiders, de ‘jongens’ die het moesten doen, sprongen een gat in de lucht dat het project door kon gaan.”

Op vier na zijn alle appartementen verkocht. De bewoners zijn enthousiast. En terecht. Ithaka is genomineerd voor De Gouden Piramide, de jaarlijkse Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap in de architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur, infrastructuur en ruimtelijke ordening. Over de nominatie zegt de jury: “Het project van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap is succesvol door de bouwcrisis geloodst. De bewoners zijn intensief bij de planontwikkeling betrokken geweest. Het resultaat is een attractief woonmilieu, met een hoge ontwerpkwaliteit van zowel de woningen als de collectieve buitenruimte.” Van Bekkum vult aan: “Het was gemakkelijker geweest te stoppen met het plan en opnieuw te beginnen. De plek zoveel mogelijk vol te bouwen. Geen zwembad en geen park. Dit deden we niet. We hebben oplossingen gezocht, vastgehouden aan het oorspronkelijke plan. Ook zijn we de behoefte uit de markt blijven volgen. Vroeg de crisis om bijvoorbeeld acht appartementen in plaats van vier op de verdieping, dan realiseerden we dit. Zonder dat de vormgeving aan de buitenkant veranderde. Zo zijn we samen met de bewoners onderweg gegaan naar hun gedroomde bestemming. En die bestemming, de eindstreep, hebben we behaald. Daar ben ik best trots op.”

Student implementeert controller noodverlichting

0
Student implementeert DALI controller in het Sint Maartenskliniek.

Student Robert Worm (20) viel met zijn neus in de boter. Voor de Sint Maartenskliniek in Nijmegen voltooide hij de implementatie van een Loytec DALI controller ten behoeve van de regeling van de noodverlichting in het ziekenhuis. Willy Frits, Hoofd Installaties Afdeling Onderhoud, is vol lof: ‘Robert heeft voor ons een blauwdruk gemaakt waar we op kunnen bouwen.’

Conflicten

Even terug naar het begin. De Sint Maartenskliniek wordt momenteel voorzien van nieuwe noodverlichting. Voor de oudbouw zijn in totaal 250 armaturen nodig. Inmiddels heeft Fagerhult 80 armaturen en pictogrammen geleverd. Die zijn geautomatiseerd, zodat ze via DALI aangestuurd kunnen worden. Vervolgens is er een communicatiemodule tussengezet om te communiceren met het gebouwbeheersysteem van Siemens. Aanvankelijk was de keuze gevallen op Helvar, maar dat functioneerde niet goed. Deze controller gaf conflicten op het interne netwerk van het ziekenhuis.

Blauwdruk

Robert Worm volgde de opleiding Middenkader -Engineering aan het ROC Nijmegen. Een half jaar lang onderzocht hij één dag in de week wat de beste oplossing was voor de Sint Maartenskliniek ter vervanging van de Helvar controller. Deze periode bestond vooral uit onderzoek, testen, gesprekken met leveranciers, inkopers enzovoorts. Uiteindelijk koos het ziekenhuis, op advies van Robert, voor een DALI controller van Loytec die werd geleverd door Vedotec. Nog eens een half jaar besteedde Robert 4 dagen in de week aan de -implementatie en toepassing van de DALI controller. De eerste pluk van 80 armaturen en pictogrammen is inmiddels geplaatst. De rest zal binnenkort volgen op basis van de blauwdruk die Robert maakte.

Integratie

De oudbouw van de Sint Maartenskliniek dateert uit 1994. De nieuwbouw is net opgeleverd. Willy Frits, Hoofd Installaties Afdeling Onderhoud, blikt terug: ‘In 1994 wilden we een pand bouwen dat 20 jaar mee zou kunnen. Als er in 2013 een nieuw gebouw zou moeten komen, dan zou dat naadloos moeten aansluiten op de oudbouw. Vanzelfsprekend is dat niet overal gelukt, maar we zitten inmiddels wel al in ons tweede migratietraject voor wat betreft de gebouwautomatisering. Het oorspronkelijke gebouwbeheersysteem, van Siemens, was van 1990. Er is tussentijds een migratie geweest, nu opereren we op het niveau van DesigoTM Insight, het Building Management systeem van Siemens, op basis van I/O modules. We hebben nu meer mogelijkheden. Zo kunnen we de branduren uitlezen, testen op afstand draaien, de verlichting en accucapaciteit controleren. Dus we meten niet alleen, we kunnen ook monitoren en bijsturen indien nodig.’

Vertrekpunt

Het was de wens van de Sint Maartenskliniek om de noodverlichting te integreren met de daglichtverlichting. Om dat voor elkaar te krijgen, was er inmiddels al wel sprake van drie partijen: Fargult als leverancier van de armaturen, Siemens als system integrator en DALI als communicatieprotocol. Al snel rees de vraag of de armaturen, de DALI controller en het gebouwbeheersysteem überhaupt wel dezelfde taal spraken. Willy Frits: ‘Het armatuur zou ‘iets’ uit moeten dragen, maar wij kregen er niet de juiste waardes uit. En als er niets uitkomt, kan er ook niets omgezet worden naar BACnet. We hadden dus een prachtig armatuur dat stand alone kon werken, maar waar we niets mee konden. Siemens heeft toen een armatuur opgestuurd naar Zwitserland. De laatste testen worden binnenkort met succes afgerond.’

Voordelen

In de periode tussen de twee fases die Robert doorliep, de onderzoeks- en de uitvoeringsfase, kwam Loytec als beste keuze naar voren. Op de vraag wat nu de criteria waren om voor Loytec te kiezen, antwoordt Robert: ‘In een ander gebouw van de Sint Maartenskliniek was de keuze al op Loytec gevallen. Met de communicatie naar BACnet en de translate module naar het gebouwbeheersysteem van Siemens kwam Loytec als beste uit de bus. Behalve dat je niet meer op locatie de hardware hoeft aan te passen, kun je nu ook via de webinterface van de controller kanalen heel eenvoudig aankoppelen en uitlezen. Daarop kun je weer de namen doorvoeren of testen draaien. Daar komt bij dat we met Loytec geen twee maar vier DALI kanalen tot onze beschikking hebben en dat de online webinterface heel gemakkelijk te bedienen en uit te lezen is.’

Achterstevoren

Waar je normaal begint met het schrijven van een Programma van Eisen, lag in de Sint Maartenskliniek eigenlijk al te veel vast. Op basis van de bestaande situatie heeft Robert een format gemaakt. Dat is eigenlijk het Programma van Eisen dat nu gebruikt gaat worden. Willy verklaart: ‘Uiteindelijk is de nieuwbouw de voorloper geweest voor de oudbouw. Dus als het gaat om het softwarematig aansturen en uitlezen van die armaturen hebben we nu alles al klaarliggen als de oudbouw straks aan de beurt is.’

Meer dan lichtregeling

En het gaat nog verder. Want met DALI kan veel meer dan alleen lichtregeling. Ook zonwering, temperatuur, verwarming, koeling enzovoorts kunnen erop aangesloten worden. Een DALI lijn is begrensd op 64 DALI -adressen op één kabel. Dus je kunt vrij eenvoudig rekening houden met toekomstige uitbreidingen en wijzigingen. Dat is hier ook gedaan. Daarbij merkt Willy Frits op: ‘We zijn voorbereid op toekomstige uitbreidingen, maar ik wil daarbij wel vermelden dat wij er altijd voor waken dat het systeem in zijn totaliteit functioneel en gebruiksvriendelijk blijft.’ Robert Worm vult aan: ‘De grootste valkuil is dat systemen te complex worden. Daarmee bedoel ik dat ik uitkijk naar een eenvoudiger systeem in zijn geheel. Een systeem dat gebruikmaakt van minder hardware koppelingen en een communicatietaal ‘spreekt’ die universeler en beter uit te lezen is.’

Duurzamer?

De toekomst moet uitwijzen of Roberts aanpak met de DALI controller duurzamer en efficiënter is. Willy legt uit: ‘Als je het hebt over energiebewegingen dan geldt hier dat onze armaturen vaker zullen schakelen. Daar komt bij dat ze in de aanschaf duurder zijn, ook omdat je meer componenten en intelligentie nodig hebt. In principe zou het efficiënter en duurzamer moeten zijn, mits de gebruikers van het gebouw er goed mee omgaan.’ Robert vult aan: ‘Voor het onderdeel dat we nu hebben gerealiseerd, de vluchtwegaanduiding, is er wel een grote energieverbetering geweest, omdat we van TL naar LED verlichting zijn gegaan. Dat is een belangrijke stap geweest, ook als het gaat om de zichtbaarheid van de pictogrammen.’

Iedereen tevreden dus. Willy: ‘Nu heb ik alles voorhanden in één systeem. Bovendien kunnen we testen draaien en iedere maand krijgen we een overzicht van de prestaties van de armaturen. Voor ons is dat absoluut de efficiëntieslag die we gemaakt hebben. Onze mensen hoeven niet meer het gebouw in.’ En Robert? Die rondde zijn opleiding af met een 9 en een 9,5 voor de implementatie van de DALI controller bij de Sint Maartenskliniek. Afgelopen september is hij gestart met een nieuwe opleiding: Technische Bedrijfskunde aan de AVANS hogeschool in Den Bosch. Robert Worm. Onthoudt u die naam!

[tabs]
[tab title=”Info”]

DALI
Digital Adressable Lighting Interface (DALI) is een fabrikantonafhankelijke standaard voor verlichtingsbesturing in gebouwen. Het is een protocol wat in staat is te communiceren met hardware. Als digitaal alternatief voor de gangbare 1-10V techniek biedt het met diverse intelligente functies hetzelfde comfort als omvangrijke bussystemen, maar is het wezenlijk eenvoudiger en voordeliger te installeren.

[/tab]
[/tabs]

System integrator centraal bij renovatie Ymere

0
System integrator centraal bij renovatie Ymere

De business case oogt op het eerste gezicht niet spectaculair. Maar wat een uitdaging in gebouwautomatisering is er waargemaakt achter de kantoorgevel van Ymere in Diemen. Een mislukte renovatie moest worden ‘gerepareerd’. Het verhaal legt pijnlijk bloot hoe onzorgvuldig gebouwautomatisering nog vaak in de praktijk wordt uitgevoerd. Uit deze business case blijkt des te meer hoe het wél kan en dus ook moet. System integrator centraal bij renovatie Ymere.

Het is een herkenbaar scenario. Een goed gebouw wordt in de loop der jaren verbouwd en gerenoveerd door verschillende eigenaren. Bij wisseling van gebruikers en gebouwbeheerders gaat waardevolle technische documentatie verloren, als er al informatie is vastgelegd. Niemand weet nog hoe het gebouwbeheersysteem is ontworpen en gerealiseerd, en zeker het inzicht in de integratie van de geïmplementeerde systemen raakt zoek. Dan komt er een moment dat het gebouw dusdanig veel klachten voortbrengt, dat rigoureus ingrijpen de enige mogelijkheid is. Zo ging het ook bij het gebouw van Ymere, blijkt uit de verhalen van Gert Krook, locatiebeheerder facilitair bedrijf Ymere, Peter Schumacher, projectleider/adviseur van de -divisie Buildings bij Royal HaskoningDHV, en Joop Dekker, partner bij system integrator BUILDING Technology.

Overdracht

Het kantoor van Ymere in Diemen werd gebouwd in de jaren ‘60 van de vorige eeuw. Rond de eeuwwisseling werd het eigendom van de Rabobank. Peter Schumacher was als adviseur toen al betrokken bij het gebouw. ‘Het gebouw werd volledig gestript en hoogwaardig vernieuwd met de beste materialen en de meest innovatieve technologieën van dat moment, maar met een vaste, statische indeling. Daar koos de eigenaar toen bewust voor; er werden weinig wijzigingen voorzien en er werd een Life Cycle Cost analyse gemaakt die aantoonde dat het aanpassen van het systeem bij ruimtewijziging voordeliger zou zijn dan volledig flexibel uitleggen.’

Zo’n tien jaar later werd woningcorporatie Ymere de nieuwe eigenaar. Peter vervolgt: ‘Op dat moment ging het al mis, al was dat niet direct merkbaar. Er is bij de overdracht van het pand een informatie gap ontstaan. De aanwezige technische documentatie werd weliswaar overgedragen, maar de ontwerp- en regelfilosofie niet. Het gevolg was dat Ymere aanpassingen ging doen om flexibel ruimtegebruik binnen het gebouw mogelijk te maken. Maar informatie over wat dat zou kunnen betekenen voor de gebouwautomatisering, die was er niet. Omdat de aannemers toen niet goed wisten hoe ze met de gebouwautomatisering om moesten gaan, ontstonden er al snel allerlei problemen. Daar kwam bij dat aannemers vaak geen visie hebben op gebouwautomatisering. Joop vult aan: ‘Je moet goed nadenken over de wijze waarop je een aannemer aanstuurt. Dat speelt extra wanneer het gaat om een verbouwing waarbij het gebouw in gebruik blijft. Hoe wil je dat een aannemer omgaat met de installaties bij nieuwe, flexibele indelingen?’

Noodverbandjes

Over het verdere verloop vertelt Gert Krook: ‘We kwamen er niet meer uit. Ook niet met de onderhoudspartij die we toen hadden. Dit bedrijf had veel kennis van werktuigbouwkunde, maar niet van systeemintegratie. Wat er dan gebeurt, is dat er werktuigbouwkundige oplossingen worden geboden voor een probleem in de gebouwautomatisering, de zogenaamde noodverbandjes. De oplossingen die we aanbrachten, voldeden een paar maanden en dan ontstond er ergens anders weer een vergelijkbaar probleem. Zo ging het van kwaad tot erger, terwijl we steeds meer geld uitgaven en almaar verder verwijderd raakten van een echte oplossing. Intern hebben we toen een groep samengesteld die ging uitzoeken hoe we het klimaat het beste konden verbeteren. Welke klachten en problemen zijn er? Hoe zou een nieuw klimaatsysteem eruit moeten zien? Op basis van die analyse hebben we toen partijen aangeschreven, waaronder Royal HaskoningDHV.’ Peter: ‘Samen hebben we in beeld gebracht hoe het gebouw zou moeten functioneren. Wat mij betreft is dat een kritische factor voor succes bij dergelijke projecten. Want gebouwautomatisering is niet de kern van het probleem. Cruciaal is dat je de gewenste functionaliteit goed beschrijft. De techniek moet dat vervolgens mogelijk maken.’

Gebruikersconcept

Het was de bedoeling om hooguit 1,5 ton te investeren in aanpassing van de aanwezige gebouwautomatisering. Al snel werd duidelijk dat er een half miljoen nodig was. Royal HaskoningDHV heeft toen een omgevingspsycholoog bij het project betrokken. Peter: ‘Deze heeft samen met de gebruikers de eisen bepaald ten aanzien van een flexibele indeling en het gewenste effect van de installaties. Dit gebruikersconcept was nadrukkelijk niet gericht op de techniek, maar op het functionele gebruik van het gebouw en op de opbrengsten, bijvoorbeeld uit -productiviteitswinst. Om de investering te verantwoorden, hebben we er zodoende een business case van gemaakt door de productiviteitswinst te kwantificeren die Ymere met een dergelijke investering zou kunnen boeken. Wat is de geschatte schade die je oploopt wanneer je niks doet? Wat is de winst die je boekt in termen van minder ziekteverzuim? Welke productiviteitswinst levert het op? Als je productiviteitswinst kunt én durft te betrekken, dan is een dergelijke investering te overzien. Wij hebben een rekensom gemaakt waaruit een kritische grens rolde van bijna 3 procent productiviteitswinst. Gelet op het grote aantal gebouwgerelateerde klachten, hebben we op basis van deze rekensom de investering van uiteindelijk zeven ton verantwoord.’

System integrator als hoofdaannemer

In verband met de eis dat het gebouw in bedrijf moest blijven en omdat de regeltechniek en het gebouwbeheersysteem dominante factoren waren, adviseerde RoyalhaskoningDHV aan Ymere een bouwteam te formeren met een system integrator als hoofdaannemer-. Vooraf beschreven Ymere en Royal HaskoningDHV op functioneel niveau het projectdoel. Van daaruit zijn gespecialiseerde partijen gezocht en geselecteerd. Doel van de opzet was de kennis van de system integrator optimaal te benutten, de advieskosten te beperken en extra waarde toe te voegen. Het kiezen voor de system integrator als hoofdaannemer is traditioneel gezien geen voor de hand liggende keuze, maar bij projecten waarin de regelstrategie bepalend is, is het wel een -aantrekkelijke optie. Joop Dekker: ‘Juist bij renovatieprojecten kun je als system integrator de expertise van de gebouwgebruiker direct meenemen. Dat levert het best denkbare voortschrijdend inzicht op. Zo kom je tot een beter resultaat. Bij nieuwe projecten ligt dat anders. Daar ligt het zwaartepunt, ook in financieel opzicht, niet bij de regeltechniek, maar bij de werktuigbouwkundige installaties. De system integrator als hoofdaannemer is een keuze die zich heel goed laat vertalen naar vergelijkbare projecten.’

Technische uitwerking

Op basis van het gebruikersconcept en het functionele Programma van Eisen hebben Ymere, Royal -HaskoningDHV en BUILDING Technology een technische uitwerking gemaakt die aan de verwachtingen zou voldoen. Functioneel gezien vormde verbetering van het comfort en de ergonomie het vertrekpunt. Daar lagen de meeste serieuze klachten. Adequate klimaatregeling en verlichtingsschakeling per aangegeven zone waren vereist. En het nieuwe gebouwbeheersysteem zou de gebruiker meer inzicht moeten geven in het gebouw en monitoring mogelijk maken. Besparing op energie door een betere instelling van de regeling en de naregeling is meegenomen, maar was niet de voornaamste doelstelling. Gert: ‘Uiteindelijk voldoen we na de oplevering met ons energiegebruik aan de huidige benchmark die Ymere stelt. Op de Milieu Barometer scoren we iets hoger dan een gemiddeld kantoor. Dat zijn goede resultaten voor een gebouw dat in de jaren zestig werd gebouwd en zijn laatste grote refit nog voor 2000 kreeg. Bovendien zijn er meer medewerkers gekomen en hebben we meer ruimtes in gebruik, dus wij zijn tevreden met dit -resultaat.’

Flexibel

In de kantoren en spreekkamers heeft Ymere ruimteregeling, in de kantoortuinen zijn zoneregelingen toegepast. Daarbij zijn de zones wel nadrukkelijk gedifferentieerd; de zoneregelingen lopen als een soort golfpatroon over een afdeling. Hoekvertrekken worden anders geregeld, hoge bezettingen worden opgevangen, enzovoorts. Joop legt uit: ‘De inrichting is flexibel van opzet. Dus mochten er nog wandjes verzet of geplaatst worden, dan kan er nog drie keer in dat gebied individueel geregeld worden. In tegenstelling tot vroeger, toen het nogal eens gebeurde dat er een wand werd gezet waarbij de regeling ‘achterbleef’ in de naastgelegen ruimte. De gebruiker die aan de knoppen zat, regelde het voor zijn buurman.’ Gert vult aan: ‘Gemiddeld hebben we de temperatuur overal gelijk gehouden. In de kantoren kunnen de medewerkers zelf iets bijregelen, plus en min 3. In eerste instantie hadden we dat ook in de kantoortuinen, maar dat werkte niet. Het systeem piekte continu, of naar beneden of naar boven doordat verschillende mensen 
in zo’n kantoortuin hun individuele klimaat wilden instellen.’

Techniek

Het gebouwbeheersysteem dat in het pand van Ymere is toegepast, is Visi.Plus van Saia Burgess Controls. Joop licht toe: ‘Er zaten al DDC stations van Saia in met een ander fabricaat beheersysteem. Dat was tien jaar oud, dus bijna aan vervanging toe. De apparatuur, de hardware, werd nog wel ondersteund. We hebben samen vastgesteld dat we modernere technologie wilden toepassen, zoals een webbrowser in het DDC station, waarmee bediening op afstand mogelijk wordt. Een nieuw onderstation kost een fractie van de totale investering in termen van de Life Cycle Costs. Daarom hebben we besloten het hele gebouwbeheersysteem te vervangen.’ Er is één grote regelkast geplaatst met daarin de regeling van de primaire regelinstallatie en de seriële koppeling met de naregeling van het klimaat en het schakelen van de verlichting. De systeemboxen zijn prefab gemaakt. Klimaat en lichtsturing waren al gekoppeld en alle aansluitingen via verschillende chassis gedeeld. Met name in renovatieprojecten, waarbij een korte montagetijd op de locatie gewenst is, zijn dergelijke voorbereidingen een must.

Het doel was om de techniek zo toegankelijk mogelijk te maken voor de gebruiker. En dat is gelukt. Ymere heeft het beheer en de monitoring nu helemaal in eigen hand. Direct vanaf de plattegrond (zie afbeelding) kan Gert met een muisklik zien hoe de ruimtes er voor staan.

Continuïteit

De system integrator die eerder bij het gebouw betrokken was, had zijn activiteiten met Saia inmiddels gestaakt. De continuïteit op het gebied van de systeemintegratie was er dus niet meer. En dat is zeker zo belangrijk, vindt Joop. ‘Ook met het oog op onderhoud. Dat ligt vaak bij de werktuigbouwkundig installateur en niet alle -installateurs hebben de kennis van gebouwbeheertechniek voldoende in huis. We bieden altijd een onderhoudscontract aan. De DDC apparatuur gaat vrijwel nooit kapot. We noemen het daarom geen onderhoud, maar een functiecontrole. Momenteel werk ik aan een project waar we tien jaar garantie geven op de -apparatuur. Dat kan makkelijk.’

Verkeerde kant

Ymere heeft er voor gekozen om het onderhoud niet onder te brengen bij BUILDING Technology, tot op heden in ieder geval. Dat dit vergaande consequenties kan -hebben, verduidelijkt Peter met een anekdote: ‘Na oplevering van het project was er direct een strenge winter en waren er temperatuurklachten. Via het gebouwbeheersysteem was te zien dat de ketel vol bijstond en de regelafsluiters 100% werden aangestuurd. Toen is er een onderhoudspartij bij gekomen die na een eerste inspectie grotere ketels wilde monteren. Door verder te analyseren via het gebouwbeheersysteem en gebruik te maken van de mogelijkheid om te monitoren, hebben we de echte oorzaak van het probleem gevonden. Er bleek een pomp de verkeerde kant op te draaien, waarschijnlijk al jaren. Het was dus het nieuwe gebouwbeheersysteem dat dit uiteindelijk aan het licht bracht. Ook dat zijn opbrengsten.’ Gert reageert: ‘Ymere is een grote organisatie. Daar hoort bij dat het onderhoud van veel panden breed wordt aanbesteed. Ons eigen gebouw zat in zo’n samenvoeging. Wij moeten er heel alert op zijn dat we de architectuur en de functionaliteit van het gebouwbeheersysteem intact laten, ook binnen een dergelijke constructie.’

De business case van Ymere laat zien wat de meerwaarde van de system integrator kan zijn bij renovatieprojecten waarin het zwaartepunt bij de regeltechniek ligt. Bij Ymere zijn vrijwel alle klachten verdwenen. Het comfort is maximaal toegenomen. Tegelijkertijd laat dit project ook zien hoe verleidelijk het is om terug te vallen in oude patronen. Joop besluit: ‘Gebouwautomatisering heeft pas kans van slagen als elke schakel in de keten kan blijven vertrouwen op de kennis en expertise van de betrokken partners. Van gebouwbeheerder of vastgoedmanager tot adviseur en system integrator. Een keten is immers zo sterk als de zwakste schakel.’

Bio based bouwen komt eraan

0
Bio-based-bouwen-komt-eraan

Bij de transitie naar een meer bio based economy denkt men in eerste instantie aan de energiesector. Maar ook in de bouwwereld kan – en volgens insiders, zal – deze transitie plaatsvinden. De overgang van fossiele naar biologische brandstoffen wordt tegenwoordig geschaduwd door onderzoek naar het ontwikkelen van grondstoffen, (bouw)materialen, uit biologisch materiaal. De avant-garde van de bouwsector rommelt aan de deur naar, bijna letterlijk, een sprookjesbos.

Dinteloord, Noord-Brabant, of all places, huisvest sinds 2013 het symbolisch epicentrum van de transitie naar een bio based economy in de bouwsector. Curieus, een tikkeltje pretentieus, maar bovenal ingenieus, is het kleine gebouw temidden van kantoren en kassen, dat architect Marco Vermeulen ontwierp voor het nieuwe Agro & Food -Cluster te Dinteloord. Op het eerste gezicht lijkt het gemaakt van chocoladeletters, en het blijkt hier inderdaad te gaan om ‘de eerste bio based gevel ter wereld’. Niet helemaal te controleren, maar feit is dat het materiaal van de gevels uniek is. Geen cacao-bonen, maar biohars en hennepvezel dienen als grondstoffen voor het composietmateriaal dat is ontwikkeld door NPSP Composieten. Curieus is dat de ‘chocolade’-letters enkel bestaan uit de letters H, C en N. Het blijkt om de chemische- formules te gaan waaruit aardgas kan ontstaan. Waterstof (H), koolstof (C) en stikstof (N). Een eerbetoon aan aardgas in een biologisch jasje? Een paradox dat juist een gebouw voor gasontvangst de eerste bio based gevel ter wereld heeft. Het toont aan dat beide werelden elkaar niet hoeven bijten. Architect Marco Vermeulen hierover: “Een gasontvangstgebouw is brandgevaarlijk en moet aan allerlei extra eisen voldoen. De Gasunie zat er bovenop dat alles volgens de regels gebeurde. We hebben expres juist bij een dergelijk veeleisend gebouw gekozen voor gevels uit plantaardige grondstoffen. Het gebouw is uniek bewijsmateriaal dat er veel mogelijk is.”

De opdrachtgever, Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij Brabant, zette in op een volledig bio based cluster voor glastuinbouw en bedrijvigheid in de directe omgeving van Dinteloord. Studio Marco Vermeulen werkte dit uit over een terrein van circa 600 hectare. Een ontwerp waarin gebouwen en gebruikersfuncties zo op elkaar zijn afgestemd, dat een duurzame koppeling plaatsvindt wat betreft energie, water en reststromen. Een puzzel- als een rubik’s cube. Of als een schilderij van Escher. In het beste geval gaat het immers om kringlopen die genoeg hebben aan zichzelf. Zichzelf draaiende houden. Dat is in Dinteloord als volgt uitgewerkt: restwarmte van de Suiker Unie wordt gebruikt door de omliggende glastuinbouw- en agrobedrijven. De Suiker Unie zelf verricht onderzoek naar het winnen van grondstoffen uit suikerbiet voor onder andere plastic en medicijnen. Het terrein wordt omsloten door verhoogde gietwaterbassins-, geconstrueerd met bietengrond, restafval van de suikerfabriek. Verder ontvangen zo’n 5000 huishoudens in Dinteloord groen gas via een biomassavergistingsinstallatie, die plantaardig afval en bietenafval omzet in biogas.

Chemische ‘sweet spot’

Op dergelijke wijze wordt duidelijk hoe integraal de bio based economy functioneert. De bouw- en ontwerpsector speelt een belangrijke rol in het op juiste wijze aansturen en stimuleren van deze ontwikkelingen. Planologisch- functioneert de zoektocht naar nieuwe materialen als volgt: organisch restmateriaal uit omliggende land- en tuinbouwbedrijven wordt in een innovatief bedrijvencluster aangewend voor groene grondstoffen. Dat materiaal wordt op moleculair niveau ‘veranderd’ in bruikbare grondstoffen. Het organisch materiaal dat overblijft wordt gebruikt voor duurzame energieopwekking voor, in het beste geval, de tuin- en landbouwbedrijven. De hierna resterende grondstof in de vorm van koolstof of compost komt terug in de cyclus. Een kringgesprek tussen boeren en chemici, daar is een vertaler geen overbodige luxe. Het is een opgave voor overheden, ruimtelijk ontwerpers en architecten om dergelijke complexe projecten tot een goed einde, 
of überhaupt op gang te brengen.

De juiste invulling van een dergelijke kringloop is in -eerste instantie een ontwerpopgave. Dat blijkt wel uit een tweede project in dezelfde regio waar Marco Vermeulen- bij betrokken was, een duurzaam ontwerp voor Logistiek Park Moerdijk. Toen alle bestuurlijke beslissingen al genomen waren, bleek dat het veel efficiënter was geweest wanneer het glastuinbouwgebied in de directe omgeving van het logistiek park was aangelegd. De restwarmte van de petrochemische industrie en het hoge CO2-gehalte van het logistiek park hadden perfect aangewend kunnen worden voor de glastuinbouw. Vermeulen pleit vervolgens dan ook voor een fundamentele en grootschalige blik op dergelijke projecten. En hij vindt gehoor bij de provincies Noord-Brabant en Zeeland. Dat het deze twee provincies betrof is niet -toevallig. Logistiek ligt het gebied perfect, tussen de twee wereldhavens Rotterdam en Antwerpen. Sinds jaar en dag herbergt de regio veel industriële bedrijven die landbouwmaterialen verwerken, mogelijk door de aanwezigheid van een grote agrofood industrie met bedrijven als de Suiker Unie en Royal Cosun. Agro meets chemistry. Het blijkt dé formule voor de transitie naar een bio based economy.

Grootschaliger

Marco Vermeulen ziet dat bio based initiatieven te veel op kleine schaal plaatsvinden. Voor de overheid is het moeilijk om dat proces te sturen. De huidige samenwerking tussen Vermeulens studio en diverse provinciën toont aan dat de overheid wel haar verantwoordelijkheid neemt. “We zijn nu in opdracht van en in samenwerking met de provincies Noord-Brabant, Zuid–Holland en Zeeland een visie aan het ontwikkelen op de ruimtelijke consequenties van de transitie naar een bio based economy. We zoeken naar mogelijke verbindingen -tussen al bestaande of nog te ontwikkelen clusters in de regio die economisch en ecologisch voordeel opleveren.” Alsnog wordt gekeken of de restwarmte van het Logistiek Park Moerdijk opgevangen kan worden door het glastuinbouwgebied. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar een bestaande buisleidingenstraat tussen Rotterdam en Antwerpen. Die wordt nu maar deels benut en zou wellicht kunnen functioneren voor C02 transport of transport van biomassa. In het beste geval kan men over de provincie- of zelfs landsgrenzen van elkaars reststoffen profiteren. Het onderzoek is tegelijk een testcase voor een nieuw soort samenwerking tussen provincie en ruimtelijk ontwerpers bij dergelijke complexe opgaven. ‘Een fundamentele heroriëntatie op bestaande ruimtelijke- modellen en verbanden’ kan volgens Vermeulen enkel goed doen. Men moet volgens hem gaan beseffen dat het ontwerp de functionering van een gebied bepaalt. Zeker in het geval van dergelijke ontwikkelingen, waarbij verschillende bedrijven of zelfs clusters, gebruik maken van elkaars restwarmte en afvalstoffen. Dat moet door bedrijven en overheid onderkend worden. Een integratie van en samenwerking tussen de verschillende kennisvelden is essentieel voor een optimaal ontwerp.

De huidige ontwikkelingen in zuidwest Nederland zijn het resultaat van een langere samenwerking tussen overheid, bedrijfswereld en onderwijs aldaar. Het gebied is koploper van Nederland als het gaat om een transitie naar een duurzame economie. ‘Bio based Delta’ werd het project gedoopt. Grote aanjager binnen het gebied is de Green Chemistry Campus, op het terrein van chemiebedrijf SABIC te Bergen op Zoom. Inmiddels doet TNO met het Belgische VITO en de regionale industrie daar onderzoek naar het vervaardigen van aromaten (chemische verbindingen) uit suikers. Het laatste nieuws afkomstig van de campus is dat het hard op weg is om de chemische ‘sweet spot’ van Europa te worden. Doordat de EU heeft besloten vanaf 2017 het suikerquotum af te schaffen, bezit Europa ‘voor het eerst zélf grootschalig de grondstof van de toekomst’, zo vermeldt de website van de campus. Verder geeft het bericht enige technische toelichting: “In de Biobased Delta worden chemische bouwstenen niet alleen uit eerste generatie suiker (uit de suikerbiet) gewonnen, maar ook uit suikers uit onder meer hout en zetmeel. In een tweede route worden chemische bouwstenen gewonnen uit de suikers die lignocellulose (de stof die planten stevigheid geeft) bevat. Daaruit worden vervolgens tweede generatie suiker en lignine (de stof die stevigheid geeft aan hout) gewonnen.” Dat laatste klinkt al meer als mogelijk gevelmateriaal, maar vooralsnog lijkt in de Bio Based Delta in eerste instantie te worden ingezet op ontwikkelingen van de traditionele materialen die de petrochemie produceert; plastic en kunststof, uit plantaardige grondstoffen.

Nederland betonland

Voor bio based materiaal voor de bouw moet men bij NPSP zijn, het bedrijf dat het materiaal ontwikkelde voor het gasontvangststation in Dinteloord. Het materiaal dat zij ontwikkelen is ‘nabasco’, afgeleid van nature based composites. De gangbare grondstof van composiet is glasvezel, vanzelfsprekend geen -natuurlijk materiaal. Dit composiet is nu nog iets goedkoper dan bio based composiet, maar dat verschil is volgens -Willem Böttger, van de afdeling onderzoek & ontwikkeling van NPSP, slechts te wijten aan het feit dat de productie van biocomposieten zich in de opstartfase bevindt. Wat nabasco voorheeft op glasvezel, is dat het composiet lichter gemaakt kan worden en dat het biologisch afbreekbaar is, in groene stroom kan worden omgezet. “De meeste composieten die wij produceren bevatten vezels gemengd met hars. Vezels geven de hardheid, hars de bescherming aan het materiaal. We ontwikkelen verschillende materialen met verschillende toepassingsmogelijkheden, afhankelijk van de vraag van de klant. Het grootste voordeel van composiet materiaal is dat het heel makkelijk is om vormvrij te werken. Het maken van een vlak blad is net zo moeilijk en duur als het maken van een dubbel gekromd blad, wat met ander materiaal veel moeilijker en duurder is.”

Composiet is dus het materiaal van de toekomst. In Nederland is dat echter nog niet echt doorgedrongen tot de bouwwereld. Wellicht wacht men totdat de productiemethoden goedkoper worden, maar het is een feit dat zonder een stabiele vraag, de productiemethoden zich niet snel zullen ontwikkelen. Een ander probleem is dat nieuw materiaal nieuwe kennis vereist van ontwerpers en architecten. Willem Böttger ziet dat men bijvoorbeeld in Frankrijk al veel verder is. “Nederland is staal, hout en betonland. De kennis ontbreekt. In Frankrijk zie je veel meer composietentoepassingen in de bouw. Voor de nieuwe formule 1 hotels bijvoorbeeld. Maar Frankrijk kent dan ook betere omstandigheden. Naast een grote agrarische sector kent het ook een grote industriesector. Dat laatste missen we in Nederland een beetje. En de bouw in Nederland is net iets te versnipperd, waardoor je heel veel partijen warm moet zien te krijgen voor biomateriaal voordat je een project kunt doen. De green deals zijn een stap voorwaarts, maar het gaat allemaal nog niet erg snel. Waar we twintig jaar geleden nog voorop liepen, is dat nu zeker niet meer het geval.–” -Marco Vermeulen sluit vanuit zijn vakgebied hierbij aan. Hij ziet dat in Nederland wat betreft duurzame kringlopen te veel op kleine schaal gebeurt. “Hoe grootschali-ger– een kringloop wordt opgezet, of verschillende gebieden met elkaar worden verbonden, hoe rendabeler en efficiënter het resultaat.” De laatste jaren pompen het rijk, provincies en hier en daar een Europees fonds, geld in onderwijs en onderzoek om de kennis te verbreden. Zo is aan de Hogeschool Avantis een nieuw lectoraat ‘bio based bouwen’ geïntroduceerd.

Voordelen van composiet

Dat biologisch gevel- of bouwmateriaal in Nederland nog in de kinderschoenen staat, blijkt wel uit het faillissement dat NPSP begin dit jaar meemaakte. Het bedrijf oogstte lof na oplevering van het gasontvangststation, maar grote orders bleven uit. Na een overname door Poly Products verhuisde het bedrijf van Haarlem naar Werkendam. Ook in dit geval bleek zuid-west Nederland de plek om het hoofd boven water te houden in deze branche. Werkendam ligt namelijk aan de rand van de Biesbosch, in de Bio Based Delta dus, waar NPSP dan ook ‘lid’ van is. De verhuizing heeft NPSP dan ook het een en ander aan nieuwe samenwerkingen met bedrijfsleven en onderzwijsinstellingen opgeleverd. Samen met Isobouw wordt gewerkt aan biocomposieten gevels voor slecht geïsoleerde woningen uit de jaren zestig in Zeeland. Deze gevels worden als een soort sandwich aan de bestaande gevel gehangen. Daarbij wordt geprofiteerd van drie voordelen van composiet materiaal: de lichtheid maakt een dergelijk huzarenstukje überhaupt mogelijk, het hoge isolerend vermogen verbetert de woningen, en de vormvrijheid van het materiaal en de mogelijkheid tot kleurgebruik bieden architecten de kans om de grauwe wijken letterlijk een make-over te geven.

Zit het er op korte termijn in dat composiet van biologisch restmateriaal op de normale markt kan concurreren? Böttger blijft erin geloven. “Er moet over de hele keten, van grondstofwinning tot klant, het besef ontstaan wat de mogelijkheden zijn.” Maar zowel Marco Vermeulen als Willem Böttger geeft aan dat de bedrijfswereld te veel naar de korte termijn kijkt. Traditioneel bouwmateriaal is nu nog goedkoper en lange termijn visies zijn op het moment in de bouwwereld even niet gewenst. Daarnaast lijkt het materiaal simpelweg nog niet bekend genoeg onder ontwerpers en architecten. Hoe groot de voordelen van werken met composiet ook kunnen zijn. De overheid daarentegen heeft grote ambitites, maar niet de middelen. Vermeulen: “De term ‘bio based economy’ behelst heel veel ambitie en belofte. Maar er bestaat een discrepantie tussen wat de overheid hoopt en waar het bedrijfsleven op dit moment staat. Laatstgenoemde wil in eerste instantie op normale schaal materialen kunnen produceren. Voor alle duidelijkheid, het gasontvangstgebouw is kostbaarder dan wanneer je dat traditioneel van baksteen had gebouwd. Maar de vraag of het economisch rendabel is, is dezelfde als de vraag of architectuur economisch rendabel is. Je geeft ergens inhoud aan, dat doe je door vorm én door materiaalkeuze.”

Willem Böttger gelooft dat bio based composieten vanzelf voordeliger zullen worden als er genoeg afzetmogelijkheden zijn. Als de verwerking van restafval beter georganiseerd wordt, zal dat de prijs naar beneden brengen. Daarnaast vereist de productie van nabasco minder energie dan traditioneel bouwmateriaal. “Als men werkelijk niet meer van olie afhankelijk wil zijn en men vindt dat het met het milieu beter moet, moeten er stappen gezet worden die in eerste instantie wat duurder, maar uiteindelijk een goede investering zijn. En op termijn goedkoper.”

De toekomst van Nabasco is dus gekoppeld aan de -herordening van het landschap zoals Marco Vermeulen die vormgeeft in zijn projecten. Niet alleen door de kringlopen van biologische afvalstoffen voor de chemische industrie beter te ordenen, maar ook door bij te dragen aan de gedachte dat gesloten kringlopen, groene -brand- en– grondstoffen en duurzame energie, economisch voordeel kunnen opleveren. De bio based economy verandert van toekomstmuziek langzaam in moderne muziek.

FNV Bouw tegen schijnconstructies

0
FNV Bouw zet zich in tegen schijnconstucties

FNV Bouw zet zich in tegen schijnconstructies die steeds meer voorkomen in de bouw. Zowel op bouwplaatsen als bij wegwerkzaamheden nemen de laatste tien jaar de schijnconstructies toe. FNV Bouw geeft aan dat zelfs Rijkswaterstaat verzuimt als hoofdopdrachtgever. Dit terwijl RWS een voorbeeldfunctie heeft.

Op bouwplaatsen lopen nu tal van onderaannemers. Het komt steeds vaker voor dat de cao Bouwnijverheid niet wordt nageleefd. Zo is er onderzoek gedaan door Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO). Zij hebben een onafhankelijk onderzoek ingesteld in opdracht van FNV Bouw. Dit onderzoek bevestigd dat Rijkswaterstaat ondanks aanwijzingen van misstanden op bouwobjecten niet heeft ingegrepen. PvdA Tweede Kamerleden John Kerstens en Duco Hoogland vragen om opheldering van minister Asscher en minister Schultz. Zij vinden dat er een maatregel moet worden getroffen bestaande uit het aanscherpen van de aanbestedingspraktijk van RWS zodat de naleving van wetgeving en cao gegarandeerd kunnen worden.

Een duidelijk voorbeeld van de situatie die zich nu in de bouwsector af speelt:
Het Ierse bedrijf Atlanco Rimec heeft een rechtszaak tegen zowel FNV Bouw als Bouwend Nederland aangespannen. Het bedrijf is actief geweest bij de werkzaamheden aan de A2 in opdracht van Strukton en Ballast Nedam. Er zijn buitenlandse werknemers ingehuurd die geen cao loon hoefden te krijgen, terwijl dit (na grondig onderzoek) wel het geval blijkt te zijn. Janna Mud (bestuurder FNV Bouw) spreekt hier van de omgekeerde wereld.