Home Blog Pagina 2

Zomertijd wordt weer wintertijd, denk aan veiligheid!

0
Extra geld en versnelling voor infraprojecten - Wintertijd Zomertijd

In de nacht van zaterdag 24 op zondag 25 oktober om 3 uur, gaat de wintertijd 2026 in. Na zeven maanden zomertijd, start de wintertijd voor vijf maanden. Wanneer gaat de wintertijd in en moet de klok voor- of achteruit? Waarom hanteren we nog de zomer- en wintertijd en wat zijn de gevolgen voor onder meer de bouw en infra?

De nacht van zaterdag 24 op zondag 25 oktober gaat de wintertijd in. Gaat de klok dan achteruit.. of toch vooruit?

Klok achteruit!

De wintertijd start altijd de laatste zondag van oktober. De klok wordt een uur achteruit gezet om 3 uur ’s nachts, dus naar 2 uur. Veel mensen vergissen zich of de klok een uur vooruit of achteruit verzet moet worden. Ezelbruggetje: “Als het weer achteruit gaat, gaat ook de klok achteruit”.

Energie

Pas in 1977 is de zomertijd ingevoerd, tot in dat jaar hebben altijd in de wintertijd geleefd. Wintertijd werd destijds met name vanuit energiebesparing toegepast. Door de klok een uur vooruit te zetten wordt het later licht en dus ook later donker. Hierdoor kan verlichting later aan. Of dat daadwerkelijk energie bespaart is nooit onomstotelijk bewezen.

Afschaffen?

De Europese Commissie wilde vanaf 2019 de halfjaarlijkse wisseling tussen zomertijd en wintertijd afschaffen. Er is echter tot op heden geen overeenstemming binnen de individuele landen in de EU.

Meteorologen pleitten eerder al voor afschaffing van de wintertijd en om de klok een half uur te verzetten, in plaats van de wisseling van winter- en zomertijd.

Bouw, infra, productie en veiligheid

Kiezen we voor de zomertijd, dan zou de zon in de wintermaanden pas om 10 uur ’s ochtends opkomen. Dit heeft gevolgen voor verbruikte energie en onze biologische klok, maar zeker ook voor de productie, werk- en bouwplaatsverlichting en – niet in de laatste plaats – de veiligheid op bijvoorbeeld de bouwplaats, werkzaamheden aan-, op- en om- de weg, of het spoor.

Eerder gaf de bouw- en infrasector al aan, dat wijzigingen in de winter- en zomertijd veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. “In het donker werken is veel riskanter en gaat ten koste van de productie”, zo stelden eerder onder andere MKB-Infra, VHG en NOA.

Zomer- en wintertijd in 2027

De zomertijd gaat elk jaar in op de laatste zondag van maart. De zomertijd start weer in de nacht van zaterdag 27 maart op zondag 28 maart 2027. Om 2 uur in de nacht gaat de klok één uur vooruit naar 3 uur.

BAM realiseert 437 middenhuurwoningen in Schinkelkwartier Amsterdam

0
Schinkelkwartier Amsterdam krijgt 437 middenhuurwoningen

BAM gaat in Amsterdam 437 middenhuurwoningen bouwen in het Schinkelkwartier. Het project aan de Overschiestraat richt zich op huurwoningen voor huishoudens die tussen sociale huur en vrije sector in vallen. De ontwikkeling van deze 437 appartementen laat zien hoe groot de druk op de Amsterdamse woningmarkt nog altijd is. Met name voor starters, jonge stellen, kleine huishoudens en gezinnen.

“Het Schinkelkwartier moet uitgroeien tot een gemengde stadswijk waar wonen, werken en verblijven samenkomen. Tot 2045 worden er 11.000 woningen gebouwd”

Het project in het Schinkelkwartier, wordt een gebied dat de komende jaren verandert van een vrij afgesloten werkgebied naar een gemengde stadswijk met woningen, voorzieningen en werkfuncties. Die transformatie is al langer onderdeel van de ruimtelijke koers van de gemeente. De woningen krijgen een gemiddeld vloeroppervlak van ongeveer 52 vierkante meter. Daarmee kiest de ontwikkelcombinatie voor compacte, doelmatige plattegronden die passen bij het middensegment van de huurmarkt.

Projectopzet met huurwoningen en voorzieningen

De nieuwbouw aan de Overschiestraat is een samenwerking van Orion Investment Partners en Boelens de Gruyter. CBRE Investment Management heeft namens pensioenfonds ABP overeenstemming bereikt met Orion Investment Partners over de aankoop van de woningen. Daarmee is er vroeg in het proces duidelijkheid over de afname van het woonprogramma. Dat geeft stabiliteit aan de planvorming en aan de verdere uitvoering. In de praktijk is dat bij grote woningprojecten vaak een belangrijk voordeel, zeker wanneer marktomstandigheden snel kunnen veranderen.

Naast de 437 huurwoningen omvat het plan circa 950 vierkante meter commerciële ruimte. Ook komen er 40 parkeerplaatsen en een ruime fietsenstalling in de onderliggende garage. Die mix van functies past bij de stedelijke ambities voor het Schinkelkwartier. Commerciële plinten en ondersteunende voorzieningen dragen bij aan een levendige straatwand en zorgen ervoor dat een woongebouw beter aansluit op zijn directe omgeving. Tegelijk laat het beperkte aantal parkeerplaatsen zien dat het project inspeelt op een stedelijk mobiliteitsprofiel, waarbij fietsgebruik en openbaar vervoer een grotere rol spelen dan in uitbreidingswijken.

Het ontwerp is gemaakt door OZ Architecten. Bij dit soort stedelijke bouwopgaven draait het niet alleen om aantallen woningen, maar ook om inpassing, leefkwaliteit en een efficiënte bouwlogistiek. Zeker op een binnenstedelijke locatie zoals het Schinkelkwartier. Ook daar moet men rekening houden met bereikbaarheid, omgevingsoverlast en de beperkte ruimte op de bouwplaats. Dat vraagt om strakke voorbereiding en afstemming tussen aannemer, ontwikkelaar, gemeente en omwonenden.

Duurzaam Schinkelkwartier

De woningen worden gebouwd met hoge duurzaamheidsambities. Op gebouwniveau wordt ingezet op een beoogd energielabel A+++. Daarnaast mikken de betrokken partijen op een beoogde BREEAM-NL In-Use Excellent-certificering. En daarnaast op aansluiting bij de CRREM-doelstellingen.

De verwarming van het gebouw vindt plaats via een energiezuinig stadsverwarmingssysteem. In stedelijke gebieden is dat vaak een logische keuze, omdat individuele installaties niet altijd de meest efficiënte oplossing zijn. Met een collectief systeem kunnen ontwikkelaars en bouwers bijdragen aan lagere emissies en een lager energieverbruik op gebouwschaal. Tegelijk stelt dat eisen aan ontwerp, installatiecoördinatie en beheer.

De combinatie van duurzaamheid en betaalbaarheid is van groot belang. Middenhuurwoningen moeten niet alleen energiezuinig zijn, maar ook economisch haalbaar blijven in aanleg en exploitatie. Dat vraagt om slimme materiaalkeuzes en een efficiënte schil. Maar ook doordachte installaties en een ontwerp dat tijdens de gebruiksfase weinig energie vraagt. Binnen het Schinkelkwartier wordt die opgave extra zichtbaar, omdat nieuwe projecten hier onderdeel zijn van een bredere gebiedstransformatie.

Bouwstart eind 2026 en betekenis voor productie

De bouw start eind 2026. Dat moment past binnen een langere ontwikkeltijd waarin planvorming, acquisitie, ontwerpuitwerking en contractering samenkomen. Voor BAM betekent dit project een mooie productieomvang in een marktsegment waar veel vraag naar is.

Belangrijk

Voor Amsterdam telt vooral dat opnieuw een groot aantal huurwoningen aan de voorraad wordt toegevoegd. Projecten van deze schaal zijn belangrijk om de doorstroming te ondersteunen.

Hans Spruit, commercieel manager bij BAM Wonen, geeft aan dat met dit project woningen worden gebouwd waar in Amsterdam veel behoefte aan bestaat. Volgens hem bieden de 437 huurwoningen in het middensegment ruimte aan starters, jonge stellen, kleine huishoudens en gezinnen die op zoek zijn naar een betaalbare woning in de stad. Juist huishoudens die te veel verdienen voor sociale huur en te weinig ruimte hebben voor dure vrije sectorwoningen, zijn aangewezen op nieuwe middenhuurwoningen.

Tot 2045

Het Schinkelkwartier moet de komende jaren uitgroeien tot een gemengde stadswijk waar wonen, werken en verblijven samenkomen. Tot 2045 worden hier circa 11.000 woningen gebouwd. Daarnaast is er ruimte voor kantoren, bedrijven, winkels, horeca, scholen en sportvoorzieningen. Dat maakt de gebiedsontwikkeling omvangrijk en meer complex.

De positie van het Schinkelkwartier, op de grens van Nieuw-West en Zuid, maakt het gebied stedenbouwkundig extra interessant. Het vormt een schakel tussen bestaande stadsdelen en kan in de toekomst bijdragen aan nieuwe verbindingen in de stad. Voor bouwbedrijven en ontwikkelaars liggen hier kansen om op grotere schaal ervaring op te doen met verdichting, functiemenging en duurzame bouwsystemen. Tegelijk vraagt die opgave om zorgvuldige fasering, omdat bestaande bedrijven, infrastructuur en nieuwe woonfuncties naast elkaar moeten blijven functioneren.

Bron: Gemeente Amsterdam, BAM.

Gevolg van de klimaatverandering voor jouw buurt zien in Klimaateffectatlas

0
weerextremen, bekijk het klimaateffect voor jouw buurt in kaartviewer

Betrouwbare informatie over weerextremen, wateroverlast, hitte en zeespiegelstijging. Het klimaateffect zichtbaar voor jouw buurt, bouwplaats en omgeving. Klimaateffectatlas bundelt kaarten, kaartverhalen, klimaatscenario’s en een buurtdashboard in één overzicht. Daarmee krijg je een beter zicht op het klimaateffect per gebied in Nederland. Dat helpt bij risicoanalyse, ontwerpkeuzes, gebiedsontwikkeling en beheer in de gebouwde omgeving. De opzet is praktisch, omdat je niet alleen losse kaarten ziet, maar ook uitleg krijgt over de betekenis van data voor de dagelijkse praktijk.

De kern van Klimaateffectatlas is dat ruimtelijke informatie toegankelijk wordt gemaakt voor gebruikers die snel willen zien waar risico’s en kansen liggen. De kaartviewer toont kaarten voor heel Nederland, terwijl de kaartverhalen extra duiding geven bij de meest gebruikte kaarten. Daarnaast bieden de klimaatscenario’s van het KNMI context voor temperatuur, neerslag en zeespiegelstijging. Het buurtdashboard voegt daar een lokale laag aan toe, zodat je buurten met elkaar kunt vergelijken. Door die combinatie ontstaat een bruikbaar beeld van klimaatverandering en het klimaateffect op verschillende schaalniveaus.

5. Overzicht van kaarten voor de particulier, bouw en infra

Storm en andere weerextremen, bekijk het klimaateffect voor jouw buurt in kaartviewer

De kaartviewer vormt voor veel gebruikers het eerste startpunt. Hier vind je kaarten die laten zien hoe Nederland gevoelig is voor onder meer hitte, droogte, hevige neerslag en overstromingsrisico. Voor de bouwsector is dat relevant, omdat deze thema’s direct invloed hebben op materiaalkeuze, fundering, waterberging, dakopbouw en inrichting van de buitenruimte. Wanneer je een project voorbereidt, wil je vroeg weten welke omgevingsfactoren een rol spelen. Het klimaateffect laat zich namelijk niet alleen zien in uitzonderlijke situaties, maar ook in structurele belasting van gebouwen en infrastructuur.

De meerwaarde van een centrale kaartomgeving is dat verschillende datalagen naast elkaar gebruikt kunnen worden. Daardoor zie je sneller verbanden tussen bijvoorbeeld verstedelijking, verhard oppervlak en hittestress. Je kunt daarmee beter onderbouwen waarom extra infiltratie, vergroening of schaduwwerking nodig is. Het platform sluit daarmee goed aan op de groeiende vraag naar klimaatadaptatie in projecten.

Lees verder onder de afbeelding.

4. Hoe de kaarten het klimaateffect duiden

Losse kaarten geven informatie, maar zonder toelichting kan de interpretatie lastig zijn. Daarom zijn de kaartverhalen een sterke aanvulling. Deze verhalende uitleg laat zien hoe je een kaart leest, welke indicatoren gebruikt zijn en wat de uitkomsten betekenen.

De kaartverhalen helpen je om data te vertalen naar concrete afwegingen. Denk aan de vraag of extra waterberging op perceelniveau voldoende is, of dat een wijkgerichte aanpak nodig is. Ook maken ze duidelijk dat klimaatverandering niet overal dezelfde gevolgen heeft. Het klimaateffect verschilt per regio, per stad en zelfs per buurt. Een dichtbebouwde wijk met weinig groen reageert anders op hitte dan een ruim opgezette woonomgeving met open bodem.

3. Klimaatscenario’s

De beschikbare klimaatscenario’s geven richting aan langetermijnkeuzes. Daarbij gaat het om ontwikkelingen in temperatuur, neerslag en zeespiegelstijging. Juist deze thema’s zijn voor de gebouwde omgeving van groot belang. Hogere temperaturen zorgen voor meer kans op oververhitting in woningen en utiliteitsgebouwen. Veranderende neerslagpatronen leiden tot piekbuien en grotere belasting van riolering en openbare ruimte. Zeespiegelstijging werkt door in waterveiligheid, grondwaterstanden en ruimtelijke keuzes in laaggelegen gebieden.

2. Lokale verschillen in het buurtdashboard

Het buurtdashboard brengt informatie samen op buurtniveau en maakt vergelijking mogelijk tussen verschillende buurten. Dat is bijzonder bruikbaar. Je ziet sneller waar kwetsbaarheden samenkomen, zoals veel verharding, beperkte groenstructuur, een oudere woningvoorraad of een verhoogde kans op wateroverlast. Daarmee ontstaat een scherper beeld van de plekken waar ingrepen het meeste effect kunnen hebben.

Voor de praktijk betekent dit dat maatregelen gerichter gekozen kunnen worden. In de ene buurt ligt de nadruk op koeling en schaduw, terwijl elders waterberging of bodeminfiltratie urgenter is. Het klimaateffect krijgt hierdoor een schaal die direct aansluit op projecten in de wijk.

1. Van data naar besluitvorming

De kracht van het de Klimaateffectatlas zit uiteindelijk in de vertaling van data naar handelingsperspectief. Kaarten, verhalen, scenario’s en buurtinformatie vullen elkaar aan. Daardoor kun je beter inzien wat er te verwachten is en noodzakelijk voor de nabije toekomst. Het klimaateffect wordt zichtbaar in concrete ontwerpopgaven, van waterpasserende verharding en groendaken tot koele gevelmaterialen en extra retentiecapaciteit.

Bron: Klimaateffectatlas, KNMI, Deltares, TNO, Verbond van Verzekeraars.

“Steeds meer gaan door na hun AOW”

0
Meer werknemers blijven actief na de AOW leeftijd

Steeds meer werknemers blijven ook na het bereiken van de AOW leeftijd actief in loondienst. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien dat deze ontwikkeling doorzet. Voor werkgevers is dat een kleine opsteker. Vooral omdat vakbekwaam personeel lastig te vinden is. Ervaren vakmensen, uitvoerders en ondersteunende krachten blijven langer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Tegelijk vraagt dit om goed personeelsbeleid, aandacht voor duurzame inzetbaarheid en een praktische kijk op instroom, uitstroom en kennisbehoud. Zeker ook in de bouw, infra en techniek.

“Medio 2026 was 1,7 procent ouder dan de AOW leeftijd”

96.000 werknemers werken door

1,7 procent ouder dan AOW leeftijd, dat komt neer op 152 duizend mensen. Ter vergelijking: in het eerste kwartaal van 2018 ging het nog om 1,2 procent. Oftewel 96 duizend werknemers. De stijging laat zien dat doorwerken na de AOW voor een groeiende groep normaal wordt. Voor bedrijven is dat van belang, omdat ervaring, vakkennis en inzetbaarheid van oudere medewerkers op veel plekken nog steeds hard nodig zijn.

Voor de praktijk van bouwen en uitvoering is dit een interessant gegeven. In sectoren waar personeelskrapte, specialistische kennis en projectdruk samenkomen, kan het doorwerken na de AOW helpen om continuïteit te houden in de organisatie. Denk aan functies waarin overzicht, veiligheidsbesef, planning en begeleiding van jongere collega’s een grote rol spelen. Juist daar kan een werknemer met veel praktijkervaring nog van grote waarde zijn.

Mannen vaker in loondienst na AOW-leeftijd

De cijfers maken ook duidelijk dat mannen vaker boven de AOW leeftijd in loondienst blijven dan vrouwen. Van alle mannelijke werknemers was 2,3 procent ouder dan de AOW-leeftijd. Bij vrouwen lag dat aandeel op 1,1 procent. Sinds 2018 zijn beide aandelen met ongeveer 0,5 procentpunt toegenomen. Dat betekent dat de opmars van werken na de AOW breed zichtbaar is, ook al blijven de verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan.

Dat de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 stapsgewijs is verhoogd tot 67 jaar, heeft de arbeidsmarkt zichtbaar veranderd. Toch is vooral opvallend dat ook boven die grens meer mensen actief blijven. De keuze om langer door te werken hangt vaak samen met gezondheid, plezier in het werk, binding met collega’s en de wens om betrokken te blijven. Voor werkgevers is het dus verstandig om niet alleen naar leeftijd te kijken, maar ook naar belastbaarheid, roosterwensen en inzet op maat.

In de bouw, infra en techniek kan dat bijvoorbeeld betekenen dat oudere werknemers minder zwaar fysiek werk doen. En juist meer bijdragen in werkvoorbereiding, begeleiding op de bouwplaats of kwaliteitscontrole. Zo kan AOW personeel een stabiele factor zijn binnen teams waar kennisoverdracht belangrijk is. Dat temeer omdat ook een groeiende groep, in de bouw en infra, gebruik maakt van de zwaarwerkregeling.

Lees verder onder de afbeelding.
Meer werknemers blijven actief na de AOW-leeftijd

Switch naar andere branche

Het CBS meldt verder dat in het tweede kwartaal ruim 20 duizend mensen ouder dan de AOW-leeftijd instroomden in een bedrijfstak. Dat was 1,3 procent van de totale instroom. Het gaat hier om werknemers die een jaar eerder nog niet in die branche werkten. Ongeveer de helft van deze instroom komt uit een andere bedrijfstak. De rest had eerder geen baan als werknemer.

Die mobiliteit is ook voor werkgevers in uitvoering en projectorganisaties interessant. Een deel van de oudere werknemers kiest er dus niet alleen voor om door te werken, maar stapt ook nog over naar een andere sector of organisatie. Dat kan kansen bieden voor bedrijven die behoefte hebben aan direct inzetbare mensen met werkervaring. Zeker in ondersteunende, coördinerende of controlerende functies kan een werknemer na de AOW snel waarde toevoegen.

Bij de uitstroom blijft het aandeel werknemers boven de AOW-leeftijd beperkt. Van alle uitstromers is 2,2 procent ouder dan de AOW-leeftijd. De groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd is duidelijk groter en komt uit op 14,4 procent. De grootste uitstroom zit nog altijd bij jongere werknemers onder de 25 jaar. Dat is logisch, omdat deze groep relatief vaak wisselt van baan, een opleiding afrondt of een nieuwe stap zet naar een andere bedrijfstak.

Verschillen per sector

De verschillen tussen sectoren zijn groot. In verhuur en handel van onroerend goed en in vervoer en opslag werken verhoudingsgewijs de meeste werknemers boven de AOW-leeftijd. Dit met respectievelijk 4,3 en 3,6 procent. In openbaar bestuur en overheidsdiensten en in informatie en communicatie liggen die aandelen juist laag, op 0,6 en 0,7 procent. Deze spreiding laat zien dat de ruimte voor langer doorwerken sterk samenhangt met het soort werk, de organisatievorm en de personeelsvraag.

De uitstroom onder oudere groepen bestaat voor een groot deel uit pensionering. Voor mensen boven de AOW-leeftijd geldt dat het grootste deel stopt vanwege pensioen. Toch gaat nog 9 procent na het bereiken van de AOW aan de slag in een andere bedrijfstak. In de groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd stroomt 37 procent uit naar pensioen, 22 procent naar een uitkering en 20 procent naar een andere bedrijfstak.

Wanneer gaat jouw AOW gerechtigde leeftijd in? Je AOW-leeftijd bereken je hier.

Bron: CBS, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Hele dag op de bouwplaats? Zo voorkom je pijn aan je voeten

0
Hele dag op de bouwplaats? Zo voorkom je pijn aan je voeten

Werken op een bouwplaats vraagt veel van je lichaam. Je loopt voortdurend heen en weer en draagt waarschijnlijk regelmatig zware materialen. Na een lange werkdag kunnen je voeten dan ook behoorlijk vermoeid of pijnlijk aanvoelen. Gelukkig kun je met een paar praktische aanpassingen veel doen om pijn aan je voeten te voorkomen.

Hierdoor ontstaan voetklachten

Op de bouwplaats worden je voeten voortdurend belast. Je tilt materialen en staat soms lange tijd in dezelfde houding. Die combinatie kan leiden tot vermoeidheid, drukplekken en pijn aan je voeten. Ook slecht passende werkschoenen kunnen klachten veroorzaken. Schoenen die te strak zitten of versleten zijn, kunnen de druk op bepaalde delen van je voeten vergroten. Daarnaast kunnen warme werkomstandigheden en vochtige sokken blaren en huidirritatie veroorzaken. Voetklachten zijn niet alleen vervelend, maar kunnen ook je concentratie en stabiliteit beïnvloeden. Juist op een bouwplaats, waar veiligheid vooropstaat, is goede voetverzorging belangrijk.

Draag de juiste werkschoenen

Goede werkschoenen zijn onmisbaar. Ze beschermen je voeten tegen vallende voorwerpen, maar moeten ook de hele werkdag comfortabel zitten. Let bij de aanschaf van schoenen op de maat en of de schoenen genoeg ondersteuning bieden. Check ook de zool; kies een zool met voldoende grip en demping. En vergeet ook niet om naar de veiligheidsklasse te kijken. Pas werkschoenen bij voorkeur met de sokken die je tijdens het werk draagt. Let daarbij ook op de breedte: een schoen die voor de ene voet prettig zit, kan voor een andere te smal zijn.

Schaf passende inlegzolen aan

Zelfs met goede werkschoenen kunnen je voeten na urenlang staan vermoeid raken. Een geschikte binnenzool kan dan extra comfort geven en helpen de druk onder je voet te verdelen. Welke ondersteuning je nodig hebt, verschilt per persoon. Kies daarom een inlegzool die past bij je voeten en werkschoenen. Vul de steunzolenkiezer in op de website van Footlogics in om hierin de juiste keuze te maken.

Wissel regelmatig van houding

Lang in dezelfde houding staan kan je voeten en benen extra vermoeien. Probeer daarom, zover je werkzaamheden en de veiligheid het toelaten, regelmatig van houding te wisselen. Verplaats je gewicht af en toe van het ene naar het andere been en beweeg je enkels en tenen tijdens korte pauzes. Ga zitten als je daarvoor de gelegenheid hebt en wissel langdurig staan waar mogelijk af met andere taken. Pauzes zijn belangrijk: ze geven je lichaam de kans om te herstellen en helpen de belasting gedurende de werkdag te verdelen.

Draag goede sokken

Goede sokken helpen wrijving en vochtproblemen te beperken. Draag sokken die goed aansluiten en geen plooien vormen in je werkschoenen. Vocht afvoerende materialen zijn prettig als je voeten veel zweten. Neem eventueel een extra paar sokken mee, zodat je ze tijdens de pauze kunt vervangen.

Zo houd je je voeten gezond

Pijn aan je voeten hoeven geen vast onderdeel te zijn van een werkdag op de bouwplaats. Met goed passende veiligheidsschoenen en comfortabele inlegzolen kun je je voeten beter ondersteunen. Neem signalen van je lichaam serieus en wacht niet te lang met het aanpakken van klachten.

BAM groeit in ondergrondse infra en neemt belang in Van Leeuwen Sleufloze Technieken

0
BAM groeit in ondergrondse infra en neemt belang in Van Leeuwen Sleufloze Technieken

Royal BAM Group zet, na de aangekondigde overname van A.Hak vorige week, een volgende stap in de uitbreiding van zijn positie in de Nederlandse energie- en waterinfrastructuur. Met de voorgenomen verwerving van een belang van 40 procent in Van Leeuwen Sleufloze Technieken (VLST) haalt BAM extra specialistische kennis in huis op het gebied van horizontaal gestuurd boren. Daarmee vergroot het bouwconcern zijn uitvoeringskracht in een markt. Daar waar de vraag naar ondergrondse leidingaanleg de komende jaren nog verder toeneemt.

“De overeenkomst tussen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken markeert een strategisch partnerschap voortbouwend op een samenwerking die al sinds 2014 bestaat”

Afspraken en belang

Van Leeuwen Sleufloze Technieken geldt als een van de belangrijkste onafhankelijke aannemers in Nederland voor horizontaal gestuurd boren, ook bekend als HDD. Deze techniek wordt veel toegepast bij de aanleg van kabels en leidingen. Dit omdat werkzaamheden daarmee kunnen worden uitgevoerd zonder open ontgraving over de volledige lengte van het tracé. Dat is vooral van belang op locaties waar bereikbaarheid, omgevingshinder en ondergrondse risico’s zwaar meewegen.

Volgens de bekendgemaakte afspraken betaalt BAM circa 45 miljoen euro voor het minderheidsbelang. De afronding van de transactie staat gepland voor het eerste kwartaal van 2027. Uiteraard onder voorbehoud van de gebruikelijke voorwaarden.

BAM breidt positie uit in energie- en waternetten

Met de participatie in Van Leeuwen Sleufloze Technieken speelt BAM in op een markt die sterk in beweging is. Netverzwaring, de aanleg van nieuwe drinkwaterleidingen en de uitbreiding van ondergrondse infrastructuur vragen om gespecialiseerde uitvoerders met materieel, vakmensen en ervaring in complexe boringen. Van Leeuwen Sleufloze Technieken beschikt over 19 boorinstallaties. Het bedrijf zal naar verwachting in 2026 een omzet van ongeveer 60 miljoen euro realiseren. Dit bij een EBITDA marge van circa 18 procent.

Logische stap BAM

Voor BAM sluit deze stap aan op de bredere groeistrategie binnen infra. Eerder kondigde het concern al de overname van A.Hak aan. In combinatie met de deelname in Van Leeuwen Sleufloze Technieken ontstaat zo een breder pakket aan kennis en uitvoeringscapaciteit voor projecten in de energie- en waterketen. Ook voor opdrachtgevers zal dat aantrekkelijk zijn. Dit omdat ontwerp, voorbereiding en realisatie beter op elkaar kunnen aansluiten.

Volgens topman Ruud Joosten past de investering goed bij de ambitie van Royal BAM Group om klanten te ondersteunen bij de aanleg van energie- en waterinfrastructuur. Daarbij wijst BAM op de sterke staat van dienst van de boorspecialist en op de bestaande werkrelatie tussen beide bedrijven. Die lange samenwerking verlaagt de instapdrempel en maakt de stap naar aandeelhouderschap logisch.

Meer ruimte

De samenwerking tussen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken was al jaren zichtbaar in de praktijk. Door nu ook op aandeelhoudersniveau samen te werken, krijgen beide partijen meer ruimte om investeringen op elkaar af te stemmen. Dat kan gaan over materieelvernieuwing, capaciteitsplanning, veiligheidssystemen en de ontwikkeling van personeel. Juist in een markt waar specialistische kennis schaars is, weegt dat zwaar.

Voor Van Leeuwen Sleufloze Technieken biedt de overeenkomst de mogelijkheid om verder te groeien zonder het eigen profiel te verliezen. Het bedrijf heeft aangegeven zijn gespecialiseerde en wendbare organisatie te willen behouden. Dat is relevant, omdat opdrachtgevers in sleufloze technieken snelheid, optimale regie en vakmanschap eisen. Zij kiezen voor partijen die snel kunnen schakelen en technisch sterke oplossingen bieden bij uitdagende opdrachten en projecten.

CEO Frans van der Kleij stelt dat beide ondernemingen een sterke focus delen op veiligheid, kwaliteit en betrouwbare projectuitvoering. Die gezamenlijke basis is belangrijk in HDD-projecten, waar voorbereiding, bodemkennis en beheersing van uitvoeringsrisico’s direct invloed hebben op planning, kosten en beschikbaarheid van middelen. Door de samenwerking te verdiepen, kunnen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken daar gerichter op sturen.

VLST sterk in HDD

De 40 procent deelname van BAM in VLST laat zien dat gespecialiseerde ondergrondse technieken een steeds groter gewicht krijgen binnen de Nederlandse inframarkt. Netbeheerders, drinkwaterbedrijven en industriële opdrachtgevers vragen om betrouwbare partners die projecten veilig en met zo min mogelijk hinder kunnen uitvoeren. Van Leeuwen Sleufloze Technieken heeft in dat speelveld een stevige positie opgebouwd en wordt voor BAM daarmee een nog belangrijker en extra schakel in de toenemende vraag.

Bron: BAM, VLST, Wikipedia.

Kabinet reserveert 18 miljard euro voor onderhoud en vernieuwing van infrastructuur

0
Kabinet reserveert 18 miljard euro voor onderhoud en vernieuwing van infrastructuur

Het kabinet trekt 18 miljard euro extra uit voor het onderhoud, de vervanging en de vernieuwing van de Nederlandse infrastructuur. Voor de bouw- en infrasector betekent dat een omvangrijk pakket aan opdrachten, maar ook een duidelijke keuze voor behoud, veiligheid en uitvoerbaarheid. Met deze investering wil het Rijk achterstanden wegwerken bij wegen, bruggen, spoor en waterwerken. Voor uitvoerende partijen, opdrachtgevers en regionale overheden ontstaat daarmee meer duidelijkheid over de programmering voor de komende jaren.

Instandhouding en renovatie infrastructuur

De aangekondigde investering komt op een moment waarop de staat van veel projecten al langer onder druk staat. Een groot deel van de Nederlandse infrastructuur is aangelegd in de wederopbouwperiode en nadert of overschrijdt inmiddels de technische levensduur. Dat zorgt voor toenemende storingen, beperkingen in gebruik en hogere kosten voor beheer en onderhoud. Het kabinet kiest er daarom voor om beschikbare middelen eerst in te zetten op instandhouding en renovatie, voordat nieuwe ambities op grote schaal worden opgepakt.

Voor de bouw, infra en techniek, met name in ontwerp, realisatie en beheer is dat een duidelijke koerswijziging. De nadruk ligt minder op uitbreiding en meer op het toekomstbestendig maken van bestaande netwerken. Daarmee verschuift de aandacht naar vervanging, renovatie, levensduurverlenging en standaardisatie. Juist dat zijn opgaven waarin aannemers, ingenieursbureaus, toeleveranciers en beheerders de komende jaren een grote rol krijgen.

Onderhoud en vernieuwing krijgen voorrang

Volgens het kabinet is de opgave zo groot dat scherpe keuzes onvermijdelijk zijn. De middelen uit het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds zijn niet toereikend om alle wensen tegelijk uit te voeren. Daarom is een afweging gemaakt op basis van veiligheid, bereikbaarheid, uitvoerbaarheid en budget. Projecten die direct nodig zijn voor de werking van het netwerk krijgen prioriteit. Andere onderdelen worden later uitgevoerd of eerst met tijdelijke maatregelen in stand gehouden.

Die lijn is relevant voor de praktijk van assetmanagement. Niet ieder object wordt direct volledig vervangen. Waar dat technisch verantwoord is, kiest het Rijk voor levensduurverlengende maatregelen. Dat kan betekenen dat onderdelen van bruggen, sluizen, spoortrajecten of waterwerken eerst worden gerenoveerd, zodat volledige vervanging op een later moment kan plaatsvinden. Voor de sector vraagt dat om flexibele contractvormen, goede inspectiedata en een strakke fasering van werk en hinderbeperking.

De politieke boodschap is helder: veiligheid en betrouwbaarheid van de infrastructuur gaan voor. Minister Vincent Karremans verwijst daarbij naar recente problemen bij onder meer de Merwedebrug en de Suurhoffbrug. Zulke voorbeelden maken zichtbaar dat uitstel van groot onderhoud steeds minder ruimte laat voor beheersbare planning. Naarmate objecten verder verouderen, nemen risico’s op storingen en beperkingen toe. Dat heeft niet alleen gevolgen voor mobiliteit, maar ook voor logistiek, economie en de continuïteit van bouwprojecten.

Ook op het spoor kiest het kabinet voor een stevige inzet. Staatssecretaris Bertram koppelt de investering aan betrouwbaarheid, regionale bereikbaarheid en de weerbaarheid van het netwerk. Daarbij gaat het niet alleen om dagelijks gebruik door reizigers en vervoerders, maar ook om de robuustheid van het systeem in een veranderende geopolitieke context. Dat maakt de spooropgave breder dan regulier onderhoud alleen.

Investeringspakket voor verouderde infrastructuur

Het extra budget wordt ingezet voor een reeks grote ingrepen aan objecten die een belangrijke functie hebben in het nationale netwerk. In de watersector gaat het onder meer om het gemaal IJmuiden, dat van groot belang is voor waterveiligheid en waterbeheer. In het hoofdwegennet is de Haringvlietbrug (foto boven) genoemd als voorbeeld van een object met veel dagelijkse gebruikers en hoge maatschappelijke waarde. Op het spoor krijgt ook de HSL aandacht, waar vernieuwing nodig is om de prestaties op peil te houden.

Voor de markt betekent dat een breed palet aan werkzaamheden. Bij waterwerken gaat het vaak om civiele en werktuigbouwkundige vervanging in combinatie met elektrotechnische systemen en besturing. Bij bruggen en viaducten spelen betonrenovatie, staalconservering, voegovergangen, opleggingen en installatietechniek een rol. Op het spoor liggen opgaven bij baanstabiliteit, beveiliging, bovenleiding, energievoorziening en integrale systeemvernieuwing. De opgave voor infrastructuur is daarmee technisch breed en organisatorisch complex.

Een belangrijk onderdeel van het pakket is de intensivering van de uitrol van ERTMS. Met dit Europese treinbeveiligingssysteem wil het kabinet zorgen dat het spoor ook na 2040 veilig en betrouwbaar bruikbaar blijft. Voor aannemers en systeemintegratoren betekent dit langdurige werkzaamheden waarin civiele, digitale en railtechnische disciplines samenkomen. Meer informatie over deze ontwikkeling staat op de pagina over ERTMS.

De nadruk op vernieuwing sluit aan bij de constatering dat veel objecten zijn gebouwd in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Wat destijds is ontworpen voor een andere verkeersintensiteit en een andere belasting, moet nu functioneren onder zwaardere omstandigheden. Dat leidt tot een hogere onderhoudsdruk en vraagt om andere ontwerpkeuzes bij renovatie. Constructieve versterking, verduurzaming van materialen en een modulaire aanpak worden daardoor steeds vaker onderdeel van projectuitwerking.

Woningbouw, bereikbaarheid en infrastructuur in de regio

Naast instandhouding maakt het kabinet geld vrij om vier nieuwe grootschalige woningbouwgebieden bereikbaar te maken. Voor locaties in Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo/Enschede is 355 miljoen euro gereserveerd. Daarmee wil het Rijk voorkomen dat woningbouwontwikkeling vastloopt op gebrekkige ontsluiting. Voor ontwikkelaars, gemeenten en infrapartijen is dit een belangrijk signaal, omdat bereikbaarheid vaak een randvoorwaarde is voor planrealisatie.

De koppeling tussen woningbouw en infrastructuur blijft daarmee nadrukkelijk bestaan. Ook al ligt de focus op onderhoud, het kabinet laat zien dat gerichte uitbreiding of aanpassing van netwerken nodig blijft op plekken waar nieuwe woongebieden ontstaan. Bestaande afspraken over ontsluiting blijven bovendien overeind. Dat biedt bestuurlijke stabiliteit in een periode waarin veel projecten onder druk staan door kostenstijgingen, personeelstekorten en stikstofbeperkingen.

Extra middelen die met Prinsjesdag beschikbaar kwamen voor regionale bereikbaarheid zorgen er daarnaast voor dat enkele projecten alsnog kunnen doorgaan. Genoemd worden het spoorknooppunt Meppel, de N35 bij Mariënheem, knooppunt Zaarderheiken op de A67/A76 bij Venlo en de N33 Zuidbroek-Appingedam. Dit zijn projecten die voor de regio van groot belang zijn voor doorstroming, verkeersveiligheid en economische verbindingen.

In de praktijk betekent dit dat niet alleen breed nationale infraprojecten aandacht krijgen, maar ook knelpunten in regionale netwerken. Juist daar liggen vaak projecten met directe impact op de leefomgeving, de bereikbaarheid van werkgebieden en de aansluiting van kleinere kernen op stedelijke centra. Regionale infrastructuur vraagt daarbij vaak om maatwerk in fasering, participatie en hinderbeperking, omdat het gebruik intensief is en alternatieve routes beperkt zijn.

Projectkeuzes, MIRT en uitvoerbaarheid

Het kabinet heeft de lijst met projecten binnen het MIRT opnieuw gewogen. Daarbij zijn projecten objectief gescoord aan de hand van verschillende factoren en het beschikbare budget. Uit deze beoordeling volgt dat onder meer de aanpak van de A20 Nieuwerkerk-Gouwe, de vaarweg Lemmer-Delfzijl, de Nedersaksenlijn en het Mobiliteitspakket Brainport worden doorgezet. Vooral voor Eindhoven is dat relevant, omdat bereikbaarheid daar sterk samenhangt met economische ontwikkeling en ruimtelijke groei.

Tegelijk wordt een reeks andere projecten gepauzeerd. Dit na een eerdere pauze in 2023. Dat gebeurt doordat financiering ontbreekt of omdat uitvoering op dit moment niet haalbaar is. Voor de markt is dat een minder aantrekkelijk signaal, maar het biedt wel helderheid. In plaats van een lange lijst projecten met onzekere planning kiest het kabinet voor een beperkter, beter financierbaar programma. Dat kan de voorbereiding en capaciteitsinzet in de keten verbeteren, al blijft de druk op menskracht en materiaal groot.

De keuze voor uitvoerbaarheid is ook zichtbaar in de wens om regels te schrappen die niet strikt noodzakelijk zijn voor projectuitvoering. Daarnaast wil het kabinet projecten versimpelen, standaardiseren en richten op de basis. Dat sluit aan bij ontwikkelingen die al langer zichtbaar zijn in de sector. Minder projectspecifieke variatie, meer herhaalbare oplossingen en een strakkere scope kunnen bijdragen aan lagere kosten, kortere doorlooptijden en minder faalkosten. Dat is geen makkelijke opgave, maar wel een logische stap binnen een markt die al jaren onder spanning staat.

Toekomst Nederlandse infrastructuur

Met de gemaakte keuzes wil het kabinet voor een periode van acht jaar meer zekerheid bieden aan weggebruikers, spoorreizigers, schippers, lagere overheden en marktpartijen. Die stabiliteit is voor de bouw- en infrasector van grote waarde. Langjarige duidelijkheid maakt het mogelijk om personeel op te leiden, materieel te plannen, ketensamenwerking op te zetten en investeringen in innovatie beter te onderbouwen. Dat geldt zeker bij grote renovatie-opgaven, waar specialistische kennis schaars is en de voorbereidingstijd lang kan zijn.

De komende jaren zal de druk op de uitvoeringscapaciteit hoog blijven. De combinatie van vervanging, renovatie, nieuwbouw op geselecteerde locaties en aanvullende eisen rond duurzaamheid en digitalisering vraagt veel van opdrachtgevers en opdrachtnemers. Tegelijk biedt het pakket ook kansen. Bedrijven die sterk zijn in assetmanagement, bouwlogistiek, prefab, datagestuurd onderhoud en integrale contracten kunnen in deze fase een stevige positie opbouwen.

Daarnaast kijkt het kabinet naar alternatieve vormen van bekostiging en financiering voor toekomstige aanleg van wegen en spoor. Hoe die aanpak er precies uit gaat zien, moet nog blijken. Wel is duidelijk dat de klassieke manier van financieren steeds vaker onder druk staat nu onderhoudsopgaven sneller groeien dan beschikbare budgetten. Dat gesprek zal de komende periode verder worden gevoerd met de Tweede Kamer en de regio’s, onder meer via de bestuurlijke overleggen over mobiliteit en gebiedsontwikkeling.

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Wikipedia.

Nieuwe Zelfstandigenwet brengt duidelijkheid voor zzp’ers

0
Zelfstandigenwet ZZP'ers

De nieuwe Zelfstandigenwet moet meer helderheid geven aan zzp’ers en opdrachtgevers, ook in de bouw- en uitvoeringspraktijk. Voor een sector waarin veel wordt gewerkt met flexibele inzet en onderaanneming, kan deze wet zorgen voor meer voorafgaande zekerheid over de manier waarop je als zelfstandige mag werken. Tegelijk vraagt de wet ook om aantoonbaar ondernemerschap en een zorgvuldige inrichting van de werkrelatie.

Opdrachtgevers terughoudend inhuren zzp’ers

De Zelfstandigenwet is door het kabinet in internetconsultatie gebracht en is bedoeld om een langlopend probleem aan te pakken. Al jaren bestaat er onzekerheid over de vraag wanneer iemand echt als zelfstandige werkt en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. Vooral opdrachtgevers zijn daardoor vaak terughoudend geworden bij het inhuren van zzp’ers. Met de Zelfstandigenwet wil het kabinet vooraf meer duidelijke spelregels bieden, zodat bedrijven en zelfstandigen beter weten waar zij aan toe zijn.

Nieuwe regels voor opdrachtgevers en zzp’ers

De kern van de Zelfstandigenwet is dat er vooraf wordt getoetst of iemand daadwerkelijk als zelfstandige kan werken. Het wetsvoorstel gebruikt daarvoor twee aparte beoordelingen. De eerste is de zelfstandigentoets. Daarbij wordt gekeken naar de ondernemer zelf. Een zzp’er moet bijvoorbeeld zelf factureren, ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en laten zien dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Ook het aantal opdrachtgevers telt mee, net als de vraag of iemand voorzieningen heeft geregeld voor ondernemersrisico’s.

Lees verder onder de afbeelding.
Zelfstandigenwet ZZP'ers

Dat laatste is ook voor de bouw-, infra en technieksector van belang. Wie als zelfstandige werkt, krijgt te maken met risico’s rond aansprakelijkheid, arbeidsongeschiktheid en (tijdelijke) uitval van werk. De Zelfstandigenwet legt daarmee niet alleen nadruk op vrijheid, maar ook op verantwoordelijkheid. Voor veel serieuze zzp’ers zal dat herkenbaar zijn, omdat zij hun bedrijfsvoering vaak al op orde hebben. Toch kan de wet ook betekenen dat een deel van de huidige praktijk opnieuw moet worden bekeken.

Hoe wordt de werkrelatie beoordeeld?

Naast de toets op ondernemerschap komt er een werkrelatietoets. Die kijkt naar de manier waarop het werk binnen een concrete opdracht wordt uitgevoerd. Daarbij is van belang of een zelfstandige voldoende vrijheid heeft om het werk zelf te organiseren. Ook telt mee of het werk voor eigen rekening en risico gebeurt. Dat betekent in de praktijk dat niet alleen het contract belangrijk is, maar ook de feitelijke situatie op de werkvloer.

Volgens het kabinet ontstaat voor wie aan beide toetsen voldoet een zogenoemde ‘veilige haven’. Dat houdt in dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf weten dat zij binnen de regels handelen, mits zij in de praktijk ook echt volgens die afspraken werken. Voor de markt is dat van groot belang.

Gevolgen door de Zelfstandigenwet

De gevolgen van de Zelfstandigenwet kunnen voor de sector aanzienlijk zijn. Veel bedrijven werken met een flexibele schil om pieken in productie, specialistische werkzaamheden en tijdelijke projecten op te vangen. Wanneer vooraf duidelijker wordt wanneer inzet van zzp’ers is toegestaan, kan dat zorgen voor meer rust in aanbesteding, projectvoorbereiding en personeelsplanning. Tegelijk zullen opdrachtgevers scherper moeten kijken naar contractvorming, aansturing en de verdeling van risico’s.

Voor zelfstandigen biedt de wet erkenning van hun positie als ondernemer, maar die erkenning komt niet zonder voorwaarden. Wie niet aan de criteria voldoet of daar niet aan wil voldoen, blijft aangewezen op de bestaande regels. Daarmee maakt de Zelfstandigenwet ook duidelijk dat zelfstandig ondernemerschap meer is dan alleen werken op factuurbasis. Het vraagt om een eigen bedrijfsvoering, meerdere opdrachtgevers waar mogelijk en een professionele houding ten opzichte van risico en verantwoordelijkheid.

De internetconsultatie over de Zelfstandigenwet loopt tot en met 29 oktober. Via de internetconsultatie van de overheid kunnen marktpartijen reageren op het voorstel. De beoogde invoeringsdatum is januari 2028. Voor bedrijven, branchepartijen en zzp’ers in de bouw is dat een belangrijk moment om de gevolgen voor contracten, inzetmodellen en samenwerking tijdig in kaart te brengen.

Bron en beeld: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Montage en logistiek nieuwe Brienenoord door Rijkswaterstaat aan SAMEN gegund

0
Rijkswaterstaat gunt logistiek en montage nieuwe bruggen Brienenoord aan SAMEN

Rijkswaterstaat heeft een weer groot contract verleend voor de vernieuwing van de Brienenoordbrug in Rotterdam. De aannemerscombinatie SAMEN, bestaande uit Mammoet en Sarens, neemt het transport en de installatie van de nieuwe en bestaande boogbruggen voor haar rekening. Daarmee komt een technisch zwaar en logistiek nauwkeurig project dichterbij. Het wordt tussen 2028 en 2033 uitgevoerd.

“In de zomer van 2030 is het eerste grote moment bij de vernieuwing van de Brienenoordbrug”

Met deze opdracht legt Rijkswaterstaat opnieuw een belangrijk deel van de totale aanpak van de Brienenoordbrug vast. Eerder werd al een contract gegund voor de vernieuwing van de basculebrug. Nu volgt het onderdeel dat voor veel vakmensen en omwonenden het meest zichtbaar zal zijn. Het vervoer van stalen boogbruggen met een gewicht tot ongeveer 8,5 duizend ton over het water van Dordrecht naar Rotterdam, gevolgd door het demonteren, hijsen en plaatsen op locatie.

Gunning voor transport en installatie

De opdracht is gegund aan SAMEN, de combinatie van Mammoet en Sarens. Volgens Rijkswaterstaat kwam deze partij als beste uit de beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarbij speelde mee dat de voorgestelde werkwijze de risico’s beperkt bij het laden en lossen van de boogbruggen op pontons, tijdens de vaart en bij de passages langs en onder andere kunstwerken in het gebied.

De werkzaamheden hebben betrekking op het transport van zowel de oude als de nieuwe boogbruggen tussen de werf op Duivelseiland in Dordrecht en de Brienenoordbrug. Ook het verwijderen van de bestaande boogdelen en het installeren van de nieuwe of gerenoveerde boogbruggen maakt deel uit van het contract. Dat vraagt om specialistische middelen, zoals zware hijsinstallaties, aangepaste pontons en tijdelijke voorzieningen om de brugdelen veilig te kunnen behandelen.

Lees verder onder de afbeelding.
Rijkswaterstaat gunt logistiek en montage nieuwe bruggen Brienenoord aan SAMEN
De werf op Duivelseiland.

Rijkswaterstaat kiest bij de vernieuwing van de Van Brienenoordbrug bewust voor een opdeling in afzonderlijke contracten. Met die aanpak sluit de opdrachtgever beter aan op specialistische kennis uit de markt. Tegelijk wordt de beheersing van planning, techniek en risico’s beter hanteerbaar gemaakt. Voor uitvoerende partijen betekent dit dat zij zich kunnen richten op hun eigen expertise binnen een groter integraal programma.

Technische aanpak rond de Brienenoordbrug

De vervanging van de twee stalen boogbruggen is een werk van uitzonderlijke omvang. De nieuwe westelijke boogbrug wordt volgens de huidige planning in de zomer van 2030 over water naar Rotterdam vervoerd. Na aankomst bij de Brienenoordbrug wordt eerst de bestaande boogbrug verwijderd. Daarna volgt de plaatsing van het nieuwe brugdeel. De oude westelijke boog gaat vervolgens terug naar de werf in Dordrecht, waar renovatie plaatsvindt.

In een latere fase keert deze gerenoveerde boogbrug terug naar Rotterdam. Volgens de planning gebeurt dat in de zomer van 2032, wanneer de huidige oostelijke boogbrug wordt vervangen. Deze gefaseerde aanpak beperkt de uitvoeringsdruk en maakt het mogelijk om lessen uit de eerste vervanging mee te nemen naar de tweede fase. Voor de uitvoering is dat van grote waarde, omdat iedere hijs- en transportbeweging op dit schaalniveau nauwkeurig moet worden voorbereid.

Een bijzonder onderdeel van de aanpak is de inzet van een nog te bouwen bruggenlift bij de Brienenoordbrug. Deze liftconstructie moet ervoor zorgen dat een boogbrug veilig op hoogte gebracht kan worden, waarna plaatsing op de pijlers beheerst kan plaatsvinden. Voor de sector is dit een technisch interessant gegeven, omdat hiermee de koppeling wordt gemaakt tussen zwaar verticaal hijswerk en een zeer beperkte montagetolerantie op een drukke bestaande verkeerscorridor.

Ook de werf op Duivelseiland speelt een grote rol. Daar worden de boogbruggen voorbereid voor transport over water. Rijkswaterstaat heeft samen met marktpartijen al in een vroeg stadium gekeken naar de inrichting van deze locatie. Dat leidde onder meer tot aanpassingen in het ontwerp en in de opzet van de werf, zodat de brugdelen beter van en aan land gebracht kunnen worden. Die voorbereiding laat zien dat maakbaarheid al ver voor de aanbesteding een vaste plek in het proces heeft gekregen.

Logistiek over water door de regio

De transporten van en naar de Brienenoordbrug varen via de Oude Maas en de Nieuwe Maas. Onderweg passeren de pontons diverse bruggen en infrastructuur in en rond Rotterdam. Daarbij gaat het onder meer om de Botlekbrug, de Erasmusbrug, de Koninginnebrug en De Hef. Dat maakt de route niet alleen technisch uitdagend, maar ook operationeel gevoelig. Hoogtes, doorvaartbreedtes, waterstanden, stroming en venstertijden moeten allemaal kloppen.

De vaartochten zijn bovendien sterk afhankelijk van weer en getij. Dat betekent dat de logistieke planning niet alleen nauwkeurig, maar ook flexibel moet zijn. Voor de uitvoering vraagt dit om voortdurende afstemming met vaarwegbeheerders, spoorwegbeheerders en wegbeheerders. Een vertraging op één onderdeel kan invloed hebben op het hele tijdslot waarbinnen een transport veilig kan plaatsvinden.

Voor de bouwpraktijk is juist dit onderdeel leerzaam. Grote objecten transporteren door een dicht netwerk van water, spoor en weg vraagt om meer dan techniek alleen. Het gaat ook om vergunningen, verkeersmaatregelen, nautische begeleiding, communicatie met omgevingspartijen en de beschikbaarheid van materieel. De planning moet daarom niet alleen op papier goed zijn, maar ook uitvoerbaar onder wisselende omstandigheden. Dat klinkt simpel, maar in de praktijk is dat een secuur proces.

De historische lading van deze transporten speelt daarbij ook mee. Veel Rotterdammers herinneren zich nog het vervoer van de tweede boog van de brug in 1989. Ook het transport van de nieuwe Suurhoffbrug in 2021 staat veel mensen nog bij. De aanstaande verplaatsingen van de boogbruggen van de Brienenoordbrug zullen daarom niet alleen vaktechnisch aandacht trekken, maar ook publieke belangstelling krijgen langs de route.

Lees verder onder de afbeelding.

Van links naar rechts: H.M. Boelsma (Sarens), L.P. Schouwstra (Rijkswaterstaat) en D. Andreani (Mammoet).

Samenwerking

Rijkswaterstaat onderstreept dat samenwerking met de markt een belangrijk uitgangspunt is in dit project. Al voor publicatie van de aanbesteding zijn gesprekken gevoerd met marktpartijen. Die consultaties leverden kennis op uit de praktijk van transport, montage en werfinrichting. Het resultaat daarvan is terug te zien in de gekozen contractvorm, de technische uitwerking en de voorbereiding van de uitvoeringslocaties.

Voor uitvoerende bedrijven is dat een positieve ontwikkeling. Bij complexe infra-opgaven zoals de Brienenoordbrug is vroege betrokkenheid van specialisten vaak bepalend voor een realistische uitvoeringsstrategie. Wanneer maakbaarheid en risico’s al in de planfase worden besproken, ontstaat een beter evenwicht tussen ambitie, veiligheid en haalbaarheid. Dat is niet alleen gunstig voor de opdrachtgever, maar ook voor aannemers die verantwoordelijk worden voor planning en realisatie.

SAMEN brengt daarbij ervaring mee op het gebied van zwaar hijswerk en exceptioneel transport. Dat vakmanschap is nodig, omdat het verwijderen en plaatsen van boogbruggen op grote hoogte behoort tot de meest complexe operaties binnen de civiele sector. Het gaat om hoge belastingen, beperkte marges en een omgeving waar bestaande infrastructuur in bedrijf blijft of waar hinder strak moet worden ingeperkt. Dat vraagt om materieelkeuze, engineering en uitvoeringsdiscipline op hoog niveau.

Vijf contracten

De totale aanpak bestaat uit vijf afzonderlijke opdrachten. Naast het contract voor transport en installatie gaat het om de vernieuwing van het beweegbare deel van de brug, de bouw van een nieuwe boogbrug, de renovatie van de bestaande westelijke boog en de realisatie van de circulaire werf op Duivelseiland in Dordrecht. Door deze splitsing kan per onderdeel de juiste expertise worden ingeschakeld.

De uitvoering staat gepland voor de periode van 2028 tot en met 2033. Werkzaamheden met verkeershinder worden zoveel mogelijk gebundeld in vooraf bepaalde periodes. Dat is van groot belang, omdat de Brienenoordbrug deel uitmaakt van een van de drukste verkeersaders van Nederland. De combinatie van bereikbaarheid, veiligheid en bouwsnelheid vraagt daarom om een strakke fassering en een goed afgestemde hinderstrategie.

Voor de sector laat dit project zien hoe grote renovatie- en vervangingsopgaven in Nederland steeds vaker worden opgeknipt in specialistische deelcontracten. Dat vraagt aan de ene kant om scherpe afstemming, maar biedt aan de andere kant ruimte aan bedrijven die in een specifiek bouw of infra domein sterk zijn.

Planning en uitvoering bij de Brienenoordbrug

Als de huidige planning standhoudt, vormt de zomer van 2030 het eerste grote moment in de feitelijke vervanging van een boogbrug. Daarna volgt in 2032 de tweede grote operatie. Tussen die mijlpalen in lopen renovatie, voorbereiding, werfactiviteiten en afstemming door. Voor aannemers, ingenieursbureaus en leveranciers ontstaat daarmee een langlopend traject waarin engineering en uitvoering dicht op elkaar blijven aansluiten.

De brug is daarmee niet alleen een zichtbaar project voor het publiek, maar ook een mega project dat de komende jaren richtinggevend kan zijn voor vergelijkbare (vervangings-) opgaven rond bruggen en andere kunstwerken. De combinatie van demontage, renovatie, nieuwbouw, transport over water en installatie op een bestaande verkeerslocatie maakt dit werk uitzonderlijk in vele opzichten.

Beeld en bron: Rijkswaterstaat.

De garagedeur als schakel in isolatie, veiligheid en comfort

0
De garagedeur als schakel in isolatie, veiligheid en comfort

In het ontwerp van een woning gaat de aandacht vaak uit naar de gevel, de kozijnen en het dak, terwijl de aansluitingen daartussen minstens zo bepalend zijn voor het eindresultaat. Een van de grootste beweegbare openingen in de thermische schil van een huis is de garagedeur. Juist omdat het om een groot vlak gaat dat regelmatig open en dicht gaat, heeft de uitvoering ervan merkbaar invloed op isolatie, veiligheid en comfort. Voor wie in de bouw of afbouw werkt, loont het om die rol goed te begrijpen. Dit artikel bekijkt vanuit vakinhoudelijk oogpunt waar het bij deze aansluiting op aankomt.

Een groot vlak in de thermische schil

Een garage wordt steeds vaker als volwaardige ruimte benut, of grenst direct aan verwarmde delen van de woning. Daarmee verandert de garagedeur van een simpele afsluiting in een onderdeel van de bouwkundige schil. Een slecht geïsoleerd of kierend paneel vormt dan een zwakke plek waar warmte ontsnapt en tocht binnenkomt. Bij het beoordelen van de totale prestatie van een woning is het daarom zinvol om dit vlak serieus mee te nemen, net als de kozijnen en de voordeur. De isolatiewaarde en de luchtdichtheid van de aansluiting bepalen in belangrijke mate hoe de ruimte erachter aanvoelt.

Isolatie als onderdeel van het geheel

Isolatie werkt alleen zo goed als de zwakste schakel. Een uitstekend geïsoleerde spouw verliest aan waarde wanneer een groot deurvlak ernaast de warmte doorlaat. Dubbelwandige, met isolatiemateriaal gevulde panelen en goede randafdichtingen beperken dat verlies aanzienlijk. Voor wie wil begrijpen hoe de verschillende isolerende onderdelen van een woning samenwerken en waar de grootste winst te halen valt, geeft Milieu Centraal heldere achtergrond. In de praktijk betekent dit dat je een garagedeur niet los beoordeelt, maar als schakel in het geheel van gevel, vloer en dak, waarbij de aansluitdetails net zo belangrijk zijn als het paneel zelf.

Veiligheid vraagt om doordachte techniek

Een beweegbaar vlak van dit formaat brengt eisen op het gebied van veiligheid met zich mee. Het mechanisme moet betrouwbaar zijn, bestand tegen intensief gebruik en zo ontworpen dat beknelling wordt voorkomen. Daarnaast speelt inbraakwerendheid een rol, zeker wanneer de garage een directe verbinding met de woning heeft. Een degelijke garagedeur combineert een robuust loopwerk met beveiligingsvoorzieningen die het geheel als volwaardig onderdeel van de gevelsluiting laten functioneren. Voor de uitvoerende partij is het belangrijk om bij de keuze niet alleen naar het paneel te kijken, maar ook naar de kwaliteit van het bedieningsmechanisme en de montage.

Comfort zit in de details

Comfort is lastiger te meten dan isolatiewaarde, maar wordt in de praktijk sterk bepaald door details. Een deur die soepel en stil loopt, die geen tocht doorlaat en die betrouwbaar reageert, draagt bij aan een ruimte die prettig aanvoelt. Tocht langs de randen, een hortende beweging of condens op koude vlakken halen dat comfort juist onderuit. Goede randafdichting, een vloeiend loopwerk en aandacht voor de aansluiting op vloer en wanden maken hier het verschil. Het zijn deze ogenschijnlijk kleine punten die bepalen of de bewoner tevreden is met het eindresultaat, en ze verdienen in de uitvoering dezelfde zorg als de grotere onderdelen.

Keuzes die je vroeg maakt

Veel van de prestatie van een garagedeur wordt bepaald voordat de montage begint. De maatvoering van de opening, de wijze waarop de deur aansluit op de constructie en de ruimte die beschikbaar is voor het mechanisme, bepalen welke oplossingen later nog mogelijk zijn. Door dit in een vroeg stadium mee te nemen in het ontwerp, voorkom je dat je achteraf concessies moet doen aan isolatie of bediening. Leveranciers als Novoferm bieden uiteenlopende systemen die op het bouwproces kunnen worden afgestemd, wat het makkelijker maakt om de juiste keuze binnen de bestaande randvoorwaarden te vinden.

Een onderdeel dat de kwaliteit mee bepaald

De garagedeur verdient in het bouw- en afbouwproces meer aandacht dan het soms krijgt. Als groot beweegbaar vlak in de thermische schil beïnvloedt ze isolatie, veiligheid en comfort tegelijk, en de aansluitdetails bepalen hoe goed dat uitpakt. Wie dit onderdeel vanaf het ontwerp serieus meeneemt en let op isolatiewaarde, betrouwbare techniek en een zorgvuldige montage, levert een woning af die op dit punt niet onderdoet voor de rest van de gevel. Juist in de details rond deze aansluiting laat vakmanschap zich zien.