Home Blog Pagina 2

Meer fondsen voor starterswoningen en NHG naar 500.000 tot 530.000 euro

0
starterswoningen

Het kabinet maakt extra middelen vrij, voor het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen, om de bouw en verkoop van koopwoningen voor starters te ondersteunen. Voor de bouwsector biedt dat meer ruimte om nieuwe starterswoningen sneller haalbaar te maken. Tegelijk worden de voorwaarden voor een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) aangepast naar 500.000 tot 530.000 euro, zodat kopers van koopwoningen meer financieringsruimte en extra bescherming krijgen.

“Uit een Kamerbrief van minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening blijkt dat in het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen de komende jaren nog 164 miljoen euro beschikbaar is. Dat bedrag is bedoeld voor de realisatie van circa 3900 starterswoningen”

Betaalbare koopwoningen stimuleren

Tot nu toe is 36 miljoen euro aangevraagd voor 863 woningen. Daarmee is een deel van het fonds al in gebruik, terwijl nog veel capaciteit beschikbaar blijft voor nieuwe projecten in de markt.

Van het huidige budget is nog 64 miljoen euro direct beschikbaar. Dat is naar verwachting voldoende voor ongeveer 1500 starterswoningen. Daarnaast komt voor de periode 2029 tot en met 2034 nog eens 100 miljoen euro beschikbaar. Volgens het kabinet kunnen daarmee circa 2400 extra starterswoningen worden gerealiseerd. Voor ontwikkelaars en gemeenten is dat een belangrijk signaal dat de rijksoverheid de productie van betaalbare koopwoningen langer wil ondersteunen.

Marktwaarde en verkoopprijs

De regeling is bedoeld om het verschil tussen marktwaarde en verkoopprijs deels op te vangen. Daardoor kunnen ontwikkelaars koopwoningen aanbieden tegen een prijs die beter past bij de financiële positie van starters. Vooral in gebieden waar grondprijzen en bouwkosten hoog zijn, kan zo’n bijdrage helpen om projecten toch rond te rekenen. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat meer plannen voor starterswoningen financieel haalbaar kunnen worden gemaakt.

Het fonds speelt daarmee niet alleen een rol in de woningbouwproductie, maar ook in de doorstroming op de woningmarkt. Wanneer starters toegang krijgen tot betaalbare koopwoningen, ontstaat op andere plekken in de markt opnieuw beweging. Dat effect is voor veel gemeenten van belang, zeker waar de druk op het betaalbare segment al langere tijd groot is.

NHG en starterswoningen

Naast het fonds wijzigt ook de grens voor een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie. In 2027 stijgt de NHG-grens van 470.000 euro naar 500.000 euro. Voor woningen waarbij aanvullende energiebesparende voorzieningen worden meegefinancierd, ligt die grens 6 procent hoger, op 530.000 euro. De eenmalige premie blijft gelijk op 0,4 procent. Daarmee blijft de regeling volgens het kabinet bereikbaar voor een brede groep huizenkopers.

De jaarlijkse vaststelling van de NHG-grens volgt een bestaande methode, waarbij de ontwikkeling van huizenprijzen wordt meegenomen. Voor kopers van koopwoningen betekent dit dat de garantie beter blijft aansluiten op de actuele markt. Dat is vooral van belang in regio’s waar de gemiddelde aankoopprijs al geruime tijd stijgt.

Ook op inhoudelijk niveau worden de voorwaarden aangepast. Voor grondgebonden woningen met energielabel E, F of G houdt NHG vanaf 1 januari standaard rekening met 20.000 euro extra financiering voor verduurzaming. Dit komt boven op de normale leenruimte. De extra lening is niet verplicht, maar biedt woningeigenaren wel de mogelijkheid om sneller energiebesparende maatregelen uit te voeren. Als het budget na twee jaar niet wordt gebruikt, vervalt deze ruimte automatisch. Dat maakt de regeling behoorlijk praktisch en duidelijk voor koper en financier.

Een tweede wijziging gaat over woningen met een verhoogd risico op funderingsschade. In zulke gevallen neemt NHG de verwachte herstelkosten mee in de beoordeling van de hypotheekaanvraag. Daardoor houden kopers meer financiële ruimte over voor mogelijk herstel. Zeker in oudere woongebieden kan dat een nuttige aanpassing zijn, omdat funderingsproblematiek daar steeds vaker meeweegt bij aankoop en financiering.

Marktwaarde en verkoopprijs

Voor de sector laten deze maatregelen zien dat het Rijk inzet op een combinatie van productie, betaalbaarheid en risicobeheersing. Het extra budget voor starterswoningen geeft ontwikkelaars meer kans om projecten op te starten of versneld uit te voeren. Tegelijk zorgt de verruiming van NHG ervoor dat kopers van koopwoningen meer zekerheid krijgen bij de financiering van hun woning.

Bron: Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Efficiënter renoveren door isoleren en afwerken te combineren

0
Efficiëntere renovatie door isoleren en afwerken te combineren

De bouwsector staat onder constante druk om sneller, duurzamer en goedkoper te werken. Personeelstekorten en strakke deadlines maken het een flinke uitdaging om renovatie projecten op tijd op te leveren. Traditionele werkmethoden kosten simpelweg te veel manuren. Het is daarom logisch dat aannemers en klusbedrijven steeds vaker zoeken naar slimme manieren om het bouwproces te versnellen. De sleutel ligt in het reduceren van het aantal handelingen op de bouwplaats. Door materialen te gebruiken die meerdere functies integreren, werk je niet alleen sneller, maar verlaag je ook de fysieke belasting voor de vakman.

Tijd winnen tijdens de afbouwfase

Wanneer we kijken naar het isoleren van wanden en plafonds, zien we traditioneel een tijdrovend stappenplan. Eerst bouw je een raamwerk, vervolgens plaats je het isolatiemateriaal, daarna volgt de dampremmende folie en pas als laatste monteer je de gipsplaten. Dit proces vereist dat een vakman meerdere keren door dezelfde ruimte moet lopen met verschillende materialen. Tegenwoordig kan dit veel efficiënter. Een uitstekend voorbeeld van een slimme bouwmethode is het monteren van verlijmde panelen zoals pir met gips, waarmee je in één simpele handeling zowel de thermische isolatie als de wandafwerking plaatst. Dit scheelt aanzienlijk in arbeidstijd en minimaliseert de kans op constructiefouten tijdens de montage.

Het direct creëren van een sausklare ondergrond betekent dat de stukadoor of schilder veel sneller aan de slag kan. Er is minder afval op de bouwplaats omdat je met minder losse componenten werkt. Voor grote projecten waar tientallen woningen een energetische upgrade krijgen, tikt deze tijdbesparing hard aan. Het stelt bouwbedrijven in staat om met dezelfde ploeg meer vierkante meters per week op te leveren.

Slim omgaan met beschikbare ruimte bij renovatie

Ruimte is kostbaar bij binnenstedelijke renovatie. Oudere woningen hebben vaak kleine kamers en smalle gangen. Elke centimeter die je verliest aan dikke voorzetwanden gaat ten koste van het wooncomfort en de netto vloeroppervlakte. Traditionele isolatiematerialen hebben al snel een forse dikte nodig om aan het huidige Bouwbesluit te voldoen. Het is cruciaal om isolatie toe te passen die een maximale thermische weerstand biedt bij een minimale dikte. Hierdoor behoudt de woningeigenaar de maximale leefruimte, terwijl het gebouw toch voldoet aan de strenge eisen voor energiezuinigheid.

De juiste materiaalkeuze voor isolatie rendement

Naast ruimtewinst speelt het gewicht van de bouwstoffen een grote rol in de dagelijkse praktijk. Lichte materialen zijn makkelijker de trap op te tillen en sneller te verwerken in krappe ruimtes zoals zolders. Bij het selecteren van de juiste componenten voor projecten wordt vaak specifiek gezocht naar hoogwaardige thermische oplossingen. In de markt zien we dat aannemers gericht inkopen en bijvoorbeeld pir isolatie van Isolatieshop gebruiken om de gewenste isolatiewaarde moeiteloos te bereiken zonder onnodig ruimteverlies. Deze platen laten zich eenvoudig op maat zagen, wat het inpassen rondom bestaande balken en kozijnen aanzienlijk makkelijker maakt.

Praktische uitdagingen bij wandinstallaties

Een veelgestelde vraag bij het gebruik van rigide, kant-en-klare isolatiesystemen is hoe je omgaat met elektra en leidingwerk. Bij een open raamwerk kun je leidingen gemakkelijk tussen de staanders wegwerken. Bij massieve panelen vereist dit een andere werkwijze. De oplossing zit in een goede voorbereiding. Frezen in het harde schuim is mogelijk, mits je rekening houdt met de restdikte om koudebruggen te voorkomen. Veel installateurs kiezen er echter voor om een dunne leidingspouw te creëren achter het paneel of plinten te gebruiken die speciaal zijn ontworpen om kabels onzichtbaar weg te werken. Door de leidingen vooraf goed uit te tekenen, voorkom je dat de snelheidswinst van het isolatie systeem later verloren gaat bij de afmontage van stopcontacten en schakelaars.

Naarmate de normen voor energie-efficiëntie strenger worden, zal de bouwsector zich verder moeten aanpassen. Innovaties die inzetten op het samenvoegen van bewerkingen vormen een wezenlijk onderdeel van deze transitie. Het efficiënter maken van de afbouwfase bewijst dat snelheid en bouwkwaliteit perfect hand in hand kunnen gaan.

Bebording bij oplevering: wat het Bbl voorschrijft en wat de gebruiker zelf bepaalt

0
Bebording bij oplevering: wat het Bbl voorschrijft en wat de gebruiker zelf bepaalt

Bij de oplevering van een school, zorglocatie, kantoor of bedrijfshal is de bebording vaak een sluitpost. In de laatste weken komen er vragen van de opdrachtgever, de toekomstige gebruiker en soms de brandweer, en niet altijd is helder wie wat levert. Toch helpt één eenvoudig onderscheid om die discussie te voorkomen: sommige borden zijn wettelijk verplicht en aan strenge eisen gebonden, andere zijn een keuze van de eigenaar of gebruiker. Wie dat onderscheid al in het bestek maakt, voorkomt verrassingen bij de opleverronde.

Twee soorten borden, twee soorten afspraken

De verplichte categorie draait vooral om veiligheid bij brand en op de werkplek. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan vluchtrouteaanduiding, en het Arbobesluit verplicht werkgevers tot doeltreffende veiligheidssignalering waar de risico’s daarom vragen. Voor de vorm en betekenis van de pictogrammen is de norm NEN-EN-ISO 7010 het uitgangspunt.

Daarnaast is er een categorie borden die niets met wetgeving te maken heeft, maar alles met het gebruik van het gebouw en het terrein. Denk aan toegangsregels, parkeerafspraken, een rookvrij terrein of regels voor huisdieren. Die borden zijn vrij in te vullen, maar duiken in de praktijk vaak pas op als het gebouw al in gebruik is. Het is verstandig ze vroeg op tafel te leggen en in de afspraken met de opdrachtgever mee te nemen.

Huisregels op het terrein

Een goed voorbeeld zijn regels voor honden. Bij een schoolplein, de tuin van een zorglocatie, een sportpark of het terrein van een voedingsmiddelenbedrijf wil de eigenaar vaak duidelijk maken dat honden niet welkom zijn of aangelijnd moeten blijven. Daarvoor bestaat een eigen verbodspictogram in ISO 7010. Of er hondenbordjes bij de entree en langs de looproutes komen, is een keuze van de opdrachtgever en geen eis uit het Bbl. Juist daarom is het goed om dit soort wensen bij de uitwerking van het terreinontwerp te inventariseren, zodat de bevestigingspunten en palen er bij oplevering al staan.

Er is wel een nuance. Volgens de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte moeten assistentiehonden op openbare plekken in beginsel worden toegelaten. Een algemeen hondenverbod bij bijvoorbeeld een zorglocatie of school kan daarom het beste vergezeld gaan van een aanvulling dat assistentiehonden wel welkom zijn. Zo voorkomt de gebruiker later discussie bij de deur.

Vluchtrouteaanduiding: weinig ruimte voor eigen invulling

Bij vluchtrouteaanduiding ligt dat heel anders. Voor nieuwbouw schrijft artikel 4.215 van het Bbl voor dat een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen een vluchtrouteaanduiding hebben die voldoet aan NEN 3011 en aan de zichtbaarheidseisen uit NEN-EN 1838. Bij het uitvallen van de stroom moet de aanduiding binnen 15 seconden weer aan die zichtbaarheidseisen voldoen en dat ten minste 60 minuten volhouden, behalve op routes vanuit ruimten zonder noodverlichting. Voor bestaande bouw geldt via artikel 3.120 een vergelijkbare eis, met NEN 6088 als norm.

In de praktijk betekent dit dat nooduitgangborden niet los van de installaties kunnen worden gekozen. Een bord met het juiste pictogram en de juiste pijlrichting is pas compleet als ook vaststaat hoe het zichtbaar blijft bij een stroomstoring: als verlicht armatuur op noodstroom, of waar dat is toegestaan met een nalichtende uitvoering die aan de eisen voldoet. Laat die keuze toetsen door de installateur of brandveiligheidsadviseur en leg haar vast op de tekening.

Aandachtspunten bij de opleverronde

De meeste fouten in vluchtrouteaanduiding ontstaan niet op tekening, maar in het gebouw. Een kabelgoot of verlaagd plafond onttrekt een bord aan het zicht, een pijl wijst na een late wijziging in de indeling de verkeerde kant op, of een stelling van de gebruiker blokkeert de zichtlijn. Loop daarom bij de opleverronde de vluchtroutes daadwerkelijk af, vanuit de verst gelegen ruimte naar buiten, en controleer bij elke richtingsverandering of de volgende aanduiding zichtbaar is.

Wijs de gebruiker ook op zijn eigen verantwoordelijkheden. Voor veel gebouwen waar meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zijn, is een gebruiksmelding brandveilig gebruik bij de gemeente nodig. En wie na oplevering kasten of stellingen plaatst, moet de vluchtroutes en aanduidingen vrij houden.

Door verplichte en vrijwillige bebording al in het bestek te scheiden, wordt duidelijk wie wat levert en waaraan het moet voldoen. Dat scheelt meerwerk in de laatste weken en een gebouw dat vanaf de eerste dag zijn gebruikers de weg wijst.

Beeld: Pixel Shot via Unsplash.

Marianne Loof nieuwe voorzitter van BNA

0
Marianne Loof nieuwe voorzitter van BNA

Marianne Loof is door de ledenraad van de BNA benoemd tot nieuwe voorzitter van de Koninklijke Bond van Nederlandse Architectenbureaus. Met haar aantreden per 1 januari 2027 krijgt de branchevereniging een bestuurder met ruime ervaring in ontwerp, bestuur en ruimtelijke kwaliteit. Voor de bouw- en ontwerpsector is deze benoeming van belang, omdat de BNA zich in een periode van grote opgaven richt op betere randvoorwaarden voor architectenbureaus, opdrachtgevers en samenwerking in de keten.

“Haar achtergrond en brede ervaring als architect, partner bij LEVS architecten en voormalig Spoorbouwmeester maakt Marianne Loof de juiste keuze voor het voorzitterschap”

De benoeming van Marianne Loof volgt op het vertrek van Jeroen de Willigen, die de overstap maakt naar de functie van stadsbouwmeester van Antwerpen. Daarmee komt aan een bestuursperiode een einde waarin de BNA heeft gewerkt aan sterkere relaties met overheid en marktpartijen. Met Marianne Loof kiest de vereniging voor continuïteit, maar ook voor een voorzitter met een eigen profiel. Haar achtergrond als architect, partner bij LEVS architecten en voormalig Spoorbouwmeester maakt haar bekend met complexe projecten, publieke besluitvorming en het belang van ruimtelijke kwaliteit binnen grote gebiedsontwikkelingen.

Benoeming en overgang bestuur BNA

De ledenraad van de BNA heeft donderdag ingestemd met de voordracht van Marianne Loof als bestuursvoorzitter. De voordracht geldt voor een periode van twee jaar. Na afloop daarvan kan zij, als de vereniging dat wenst, vanaf januari 2029 nog een keer voor twee jaar worden herbenoemd. Met deze constructie kiest de BNA voor bestuurlijke stabiliteit, terwijl er tegelijk ruimte blijft voor evaluatie en koersbepaling op een later moment.

Volgens de vereniging sluit Loof goed aan bij de opgaven waar de architectenbranche voor staat. Die opgaven raken niet alleen ontwerpkwaliteit, maar ook aanbestedingsprocedures, selectieprocessen, positie van ontwerpers en de manier waarop overheden besluiten nemen. Juist op die punten heeft Marianne Loof de afgelopen jaren ervaring opgedaan. Tijdens haar periode als Spoorbouwmeester was zij betrokken bij grote infrastructurele en stedelijke trajecten, waarin ontwerp, techniek, bestuur en publieke belangen samenkomen.

De BNA ziet in haar komst een logisch vervolg op de lijn die eerder is ingezet. Directeur Anne Schroën stelt dat in de afgelopen jaren een stevige basis is gelegd voor betere condities voor architecten. Die lijn wordt met Marianne Loof voortgezet, waarbij haar netwerk, bestuurlijke ervaring en analytische vermogen als belangrijke pluspunten worden gezien. Ook haar pragmatische werkwijze speelt daarbij mee, omdat de vereniging opereert in een omgeving waarin belangen soms uiteenlopen en keuzes vaak onder tijdsdruk worden gemaakt.

Ervaring van Marianne Loof

Marianne Loof is een van de founding partners van LEVS architecten in Amsterdam. Binnen die praktijk heeft zij gewerkt aan ontwerpopgaven met een sterke maatschappelijke en stedelijke component. Daarnaast heeft zij in meerdere bestuurlijke functies ervaring opgebouwd met complexe, politiek gevoelige dossiers. Die combinatie van ontwerppraktijk en bestuur is voor de BNA relevant, omdat de vereniging zowel de dagelijkse praktijk van architectenbureaus als de bredere beleidscontext moet kunnen overzien.

Als Spoorbouwmeester in de periode 2022 tot 2025 was Marianne Loof betrokken bij kwaliteitsteams rond onder meer Zuidasdok, de Oude Lijn MIRT, de Eindhovense Multi Modale Knoop en de Groningen Spoorzone. Dat zijn projecten waarin ruimtelijke kwaliteit niet los kan worden gezien van bereikbaarheid, fasering, technische inpassing en bestuurlijke afstemming. Voor professionals in de bouwsector laat dit zien dat Marianne Loof gewend is te werken op het snijvlak van visie en uitvoering.

Ook in eerdere functies heeft zij een duidelijk profiel opgebouwd. Zo was zij voorzitter van de Welstands- en Monumentencommissie Den Haag, voorzitter van het bestuur van ARCAM en voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam. Eerder was zij bovendien bestuurslid van de BNA. Door die functies kent zij zowel de interne dynamiek van de vereniging als de bredere discussie over architectuur, erfgoed, omgevingskwaliteit en publieke opdrachtverlening.

Opgaven voor de sector

Loof heeft aangegeven dat zij haar ervaring wil inzetten om de rol en positie van architecten steviger neer te zetten. Daarbij richt zij zich niet alleen op bestuurlijke tafels, maar ook op de interne samenhang in het vakgebied. Ze wil meer aandacht geven aan solidariteit binnen de branche, aan de jongere generatie en aan inclusiviteit in het werkveld. Dat sluit aan bij bredere ontwikkelingen binnen de bouwkolom, waar vernieuwing van talent, sociale veiligheid en brede vertegenwoordiging steeds meer aandacht krijgen.

Voor architectenbureaus en ketenpartners kan haar voorzitterschap betekenen dat thema’s als selectieprocedures, aanbestedingskwaliteit en eerlijke samenwerking nadrukkelijker op de agenda blijven staan. Dat is van belang, omdat de kwaliteit van een project vaak al vroeg wordt bepaald, nog voordat de uitvoering start. Wanneer ontwerpers in een vroeg stadium goed worden gepositioneerd, kan dat doorwerken in haalbaarheid, planning en draagvlak. Dat is geen makelijke opgave, maar wel een die direct raakt aan de praktijk van opdrachtgevers, adviseurs en uitvoerende partijen.

Voordracht

De benoeming is voorbereid door een benoemingsadviescommissie. In die commissie zaten directeur Anne Schroën, bestuursleden Tim Vermeend en Rik Martens en ledenraadsleden Theo Hauben en Eefje Rikhof. Bestuurssecretaris Klaartje Bult ondersteunde de commissie zonder stemrecht. De voordracht van Marianne Loof is gebaseerd op een profiel dat eerder door de ledenraad was vastgesteld. Vervolgens heeft het bestuur, conform het huishoudelijk reglement, advies uitgebracht aan de ledenraad.

Dat advies was unaniem positief. Daarna heeft de ledenraad Loof formeel benoemd tot nieuwe voorzitter van de BNA. De procedure laat zien dat de vereniging de benoeming zorgvuldig heeft ingericht, met aandacht voor profiel, draagvlak en bestuurlijke afstemming. Voor een brancheorganisatie als de Koninklijke Bond van Nederlandse Architectenbureaus is dat van belang, omdat het voorzitterschap niet alleen een representatieve functie is, maar ook richting geeft aan lobby, belangenbehartiging en sectorontwikkeling.

Met de komst van Marianne Loof krijgt de BNA een voorzitter die de taal van ontwerp, bestuur en publieke kwaliteit spreekt. Voor de bouwsector is dat een signaal dat architectuur en ruimtelijke kwaliteit stevig verbonden blijven met de grotere uitvoeringsopgaven waar Nederland de komende jaren voor staat.

Bron: BNA. Foto: BNA/Chris van Houts.

BAM neemt A.Hak over en vergroot positie in energie- en waterinfra

0
A.Hak overgenomen door BAM

BAM zet met de voorgenomen overname van A.Hak een grote stap in de Nederlandse markt voor ondergrondse infrastructuur. Voor de bouw- en infrasector is deze transactie van belang, omdat zij laat zien hoe aannemers en specialisten zich voorbereiden op de sterke groei in netverzwaring, drinkwatertransport en warmtenetten.

“Met de toevoeging van A.Hak haalt BAM niet alleen extra omzet binnen, maar ook specialistische kennis, een landelijk netwerk en langdurige contracten met opdrachtgevers die de komende jaren fors blijven investeren”

Groei in Nederlandse energie- en waterinfra

Royal BAM Group maakte vandaag bekend dat overeenstemming is bereikt over de overname van A.Hak. De onderneming uit Bunnik wil daarmee haar leidende positie in de Nederlandse energie- en waterinfrastructuur verder uitbouwen. Volgens BAM sluit de acquisitie direct aan op de groeistrategie van de groep. De markt voor energietransitie ontwikkelt zich snel en krijgt binnen de totale omzet van BAM door deze stap een nog groter gewicht. Na afronding zal meer dan 20 procent van de groepsomzet samenhangen met deze groeimarkt.

De afronding wordt van de overname van A.Hak door BAM wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2027, als aan de gebruikelijke voorwaarden is voldaan

Groeimarkten

De overname past in een markt die de komende jaren sterk in omvang toeneemt. Netbeheerders in Nederland willen tussen 2026 en 2040 samen ongeveer 235 miljard euro investeren in ondergrondse infrastructuur. Het gaat daarbij om uitbreiding van elektriciteitsnetten, vervanging van verouderde leidingen, aanleg van warmtenetten en aanpassingen in watertransport. Voor uitvoerende partijen betekent dit een langdurige vraag naar capaciteit, vakmensen en specialistische technieken.

BAM heeft al stevige activiteiten in energieoverdracht en energiedistributie, aangevuld met civieltechnische kennis en ervaring in geïntegreerde projectaanpak. Met A.Hak wordt dat profiel verbreed. De specialist is sterk in transportleidingen voor energie en water, in hoog- en middenspannings-kabelinfrastructuur en in sleufloze technieken. Juist die combinatie maakt de transactie relevant voor opdrachtgevers die minder versnippering in hun keten zoeken en vaker kiezen voor partners die ontwerp, uitvoering en beheer dicht bij elkaar kunnen organiseren.

Daarbij is ook de aard van de klantenportefeuille van belang. A.Hak werkt vooral voor nutsbedrijven en netbeheerders op basis van langlopende raamovereenkomsten. Dat zorgt voor een stabieler omzetprofiel dan bij projectgestuurde markten met korte aanbestedingscycli. Voor BAM betekent dit meer zichtbaarheid in toekomstige werkzaamheden, wat in de infrawereld een belangrijke factor is bij investeringsbeslissingen en personeelsplanning.

Waarom A.Hak op meerdere vlakken goed bij BAM past

De strategische waarde van A.Hak zit niet alleen in schaal, maar ook in aanvulling op bestaande competenties van BAM. Waar BAM al sterk staat in civiele uitvoering en regionale dekking, brengt A.Hak specialistische uitvoeringstechnieken mee voor ondergrondse netwerken. Dat geldt onder meer voor sleufloze aanlegmethoden, die steeds vaker worden toegepast op locaties waar hinder, ruimtegebrek of omgevingsrisico’s traditioneel graafwerk minder geschikt maken.

Volgens de aangekondigde cijfers behaalt A.Hak in 2026 naar verwachting een omzet van circa 425 miljoen euro. Dit met een aangepaste EBITDA-marge van ongeveer 10 procent. BAM meldt daarnaast dat de aangepaste EBITDA van A.Hak op middellange termijn kan doorgroeien naar 65 tot 75 miljoen euro. Dat maakt de overname niet alleen strategisch interessant, maar ook financieel aantrekkelijk.

Voor de sector is vooral interessant dat meer dan de helft van de huidige omzet van A.Hak wordt ondersteund door langlopende raamcontracten. Daarnaast is voor de periode 2027 tot en met 2031 al een orderportefeuille van 1,0 miljard euro aanwezig. BAM geeft aan dat ruim 75 procent van de verwachte omzet in die jaren wordt gedekt door bestaande contracten en verwachte verlengingen. Dat zorgt voor voorspelbaarheid in een markt die wel groeit, maar ook kampt met druk op personeel, materialen en vergunningstrajecten.

Een ander punt is de geografische aanvulling. A.Hak genereert ongeveer 85 procent van de omzet in Nederland en is daarnaast actief in het Verenigd Koninkrijk en België. Voor BAM biedt dat kansen om specialistische kennis breder in te zetten, zeker in het VK, waar grote investeringen in energie- en waterinfrastructuur op stapel staan. Zo kan de overname ook buiten Nederland waarde toevoegen, terwijl de basis van de activiteiten stevig in de thuismarkt blijft liggen.

Operationele meerwaarde voor BAM

De operationele kracht van A.Hak is gebouwd op meer dan zestig jaar ervaring in ondergrondse infrastructuur. Het bedrijf werkt aan elektriciteits-, water-, gas- en warmtenetwerken en beschikt over een operationeel personeelsbestand van circa 900 fulltime medewerkers. In een markt waar technische vakmensen schaars zijn, is dat een factor van grote betekenis. Niet alleen machines en materieel bepalen uitvoeringskracht, maar vooral beschikbaarheid van goed opgeleide ploegen, uitvoerders, werkvoorbereiders en specialisten in kabels en leidingen.

Voor BAM betekent de komst van deze medewerkers dat de organisatie haar capaciteit op een markt met structurele vraag versneld kan uitbreiden. Dat is belangrijk, omdat opdrachtgevers in de energietransitie steeds vaker zoeken naar partijen die grotere volumes aankunnen en meerdere disciplines tegelijk kunnen leveren. Denk aan de combinatie van civiele werken, leidingaanleg, kabeltracés, gestuurde boringen en aansluiting op bestaande netten. Door A.Hak toe te voegen, neemt die uitvoeringsbreedte toe.

Daarnaast ontstaat ruimte voor een beter landelijke dekking. In de praktijk speelt nabijheid tot projecten een grote rol bij de inzet van ploegen, materieel en logistiek. Een brede spreiding van vestigingen en teams kan helpen om sneller op te schalen en efficiënter te werken. Voor opdrachtgevers kan dit bijdragen aan kortere doorlooptijden en meer continuïteit in de planning, al blijft dat ook afhangen van externe factoren zoals netcongestie, vergunningen en beschikbaarheid van aansluitpunten.

Marktperspectief en positie van A.Hak

De marktvraag achter deze transactie is breed. Elektrificatie van mobiliteit en industrie vraagt om zwaardere netten. Woningbouwlocaties moeten worden aangesloten op nieuwe of verzwaarde energievoorzieningen. Waterbedrijven investeren in transport en distributie om leveringszekerheid op peil te houden. Ook warmtenetten vragen om aanleg en vernieuwing van ondergrondse systemen. In al deze segmenten speelt uitvoeringscapaciteit een centrale rol, en juist daar komt de positie van A.Hak naar voren.

Met de combinatie wil BAM een bredere en meer geïntegreerde dienstverlening aanbieden. Dat kan in aanbestedingen een voordeel zijn, omdat opdrachtgevers vaker zoeken naar partijen die ketensamenwerking goed organiseren en minder overdrachtsmomenten kennen. Zeker bij raamcontracten is dat relevant: prestaties op veiligheid, kwaliteit, voorspelbaarheid en faalkosten tellen zwaar mee.

De bestuurders van beide ondernemingen spreken vertrouwen uit in die aansluiting. BAM ziet in A.Hak een aanvulling op bestaande activiteiten, terwijl A.Hak in BAM een langetermijnpartner vindt met schaal, investeringskracht en toegang tot een bredere markt. Voor medewerkers kan dat nieuwe kansen bieden in opleiding, doorgroei en inzet op grotere projecten. Voor klanten kan het leiden tot een partij met meer specialisatie onder één dak.

Bron: Royal BAM group NV.

Zie ook: Hanab neemt Van Boekel Groep over en versterkt positie in water en infra.

Meest gestelde vragen over de nieuwe wet voor uitzendbranche Wtta

0
Meest gestelde vragen over de wet Wtta

Op 1 januari 2027 gaat een nieuwe wet in: de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta). Deze wet regelt dat er een toelatingsstelsel komt voor bedrijven die personeel tegen betaling uitlenen, zoals uitzendbureaus. Vanaf 1 januari 2028 wordt gecontroleerd of bedrijven zich aan de wet houden. Uitleners mogen alleen nog personeel uitlenen als zij een toelating of ontheffing hebben. Inleners mogen alleen samenwerken met uitleners die zijn toegelaten of een ontheffing hebben. De voorbereiding op de toelating kost met name uitleners tijd. Daarom zijn steeds meer uitleners in de bouw en techniek aan de slag met de voorbereidingen. Hieronder bespreken we de meest gestelde vragen van bedrijven die zich voorbereiden op de nieuwe wet.

“Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt merkt dat steeds meer bedrijven zich voorbereiden op nieuwe wet Wtta”

Wanneer moet ik een waarborgsom betalen?

Een waarborgsom is nodig om werknemers en de overheid te beschermen tegen de gevolgen van uitleners die hun verantwoordelijkheden niet nakomen. Alle uitleners die een toelating aanvragen, betalen een waarborgsom aan de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Dit is 100.000 euro voor uitleners. Voor startende uitleners is dat 50.000 euro bij hun eerste aanvraag. Bij de aanvraag voor de definitieve toelating (na 6 maanden) vullen startende uitleners dit aan tot 100.000 euro. De waarborgsom krijgen uitleners na 4 jaar terug, als zij zich aan de regels houden. Betaal je de waarborgsom niet? Dan word je als uitlener niet toegelaten tot de uitleenmarkt.

In sommige gevallen hoeven uitleners bij de eerste toelating geen waarborgsom te betalen. Er is dan sprake van een vrijstelling. Deze vrijstelling krijgen uitleners als ze kunnen aantonen dat ze op 31 december 2026 al 4 jaar onafgebroken bij de Kamer van Koophandel staan ingeschreven met uitlenen als hoofdactiviteit. En in die 4 jaar ook daadwerkelijk werknemers hebben uitgeleend. Daarnaast moeten zij een geldige verklaring hebben van de Belastingdienst waaruit blijkt dat alle belastingen en premies betaald zijn. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.

Wanneer kom ik in aanmerking voor een ontheffing?

In sommige gevallen kunnen uitleners een ontheffing van de toelatingsplicht aanvragen. Als uitlener kom je hiervoor in aanmerking als je:
• minder dan 10 procent van je jaaromzet uitleent;
• omzet lager is dan 5 miljoen euro per jaar;
• kunt aantonen dat je voorafgaand aan de aanvraag minimaal 12 maanden loon hebt betaald.
Uitleners moeten de ontheffing zelf aanvragen en een verklaring van een accountant toevoegen over de juistheid van de cijfers. Deze gaan over het jaar vóór de aanvraag. Deze informatie moet elk jaar opnieuw bij de NAU worden aangeleverd.

In welke gevallen heb ik geen toelating nodig?

Er zijn een aantal situaties waarin uitleners geen toelating nodig hebben. We zetten ze hieronder op een rij:
• Bij het aannemen of uitbesteden van werk is er geen sprake van uitlenen. De werknemers werken wel bij de opdrachtgever, maar blijven werken onder leiding en toezicht van hun eigen werkgever. De opdrachtgever bepaalt wat er moet gebeuren, maar niet hoe het werk wordt uitgevoerd.
• Bij uitlenen tussen collega-bedrijven geldt geen toelatingsplicht wanneer er géén winst op de uren wordt gemaakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bedrijf dat tijdelijk te weinig werk heeft en werknemers uitleent aan een ander bedrijf dat op dat moment juist extra mensen nodig heeft. De uitlener mag dan alleen de loonkosten doorberekenen.
• Dochterbedrijven die bij één moederbedrijf horen en werknemers aan elkaar uitlenen, hebben geen toelating nodig. De uitlener en de inlener zijn dan onderdeel van dezelfde onderneming.
Ook zijn er uitzonderingssituaties waarin je geen toelating nodig hebt:
• wanneer arbeidsbeperkten via sociale ontwikkelbedrijven worden aangeboden om te werken onder aangepaste omstandigheden;
• wanneer een stichting een BBL-traject aangaat met een student en de student ter beschikking stelt aan een bedrijf waar de beroepspraktijkvorming plaatsvindt;
• wanneer particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureaus voor dit werk beschikken over een vergunning van de minister van Justitie en Veiligheid.

Twijfel je of jouw bedrijf onder wet Wtta valt? Gebruik dan de beslisboom.

Welke verantwoordelijkheden heb ik als inlener?

Vanaf 1 januari 2028 mogen inleners alleen nog personeel inhuren van uitleners die een Wtta toelating of ontheffing hebben óf onder een wettelijke uitzondering vallen. Zij moeten vóór de start van de werkzaamheden vastleggen via welke uitlener personeel wordt ingezet. Dit geldt ook als personeel wordt doorgeleend.

Vanaf 1 juli 2027 kunnen inleners in het openbare register van de NAU controleren of een uitlener is toegelaten, een ontheffing heeft of onder de overgangsregeling valt. De uitleners die in het openbare register staan, mogen dus personeel uitlenen.
Kijk op toelatinguitleenmarkt.nl/inleners voor de checklist voor inleners.

Mijn bedrijf is in het buitenland gevestigd, moet ik ook een Wtta toelating aanvragen?

Ja. De toelatingsplicht geldt ook voor jou als jouw bedrijf in het buitenland gevestigd is en je werknemers uitleent aan een Nederlandse inlener. De regels voor buitenlandse en Nederlandse inleners zijn zoveel mogelijk gelijk. Maar ze kunnen waar nodig worden aangepast vanwege praktische uitvoerbaarheid. Zo kun je als buitenlands bedrijf geen VOG voor een rechtspersoon aanvragen. Deze VOG-verplichting geldt dus niet. Werkt er een Nederlandse bestuurder bij het bedrijf? Dan geldt de VOG-verplichting wel.

Meer informatie over de Wtta.

Bron: Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt, Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Welke afvalcontainer heb je nodig op een bouwplaats?

0
Welke afvalcontainer heb je nodig op een bouwplaats

Op maandagochtend staat het gipsplaatafval van de afbouw nog netjes op een pallet, tegen donderdag ligt er een berg van drie kuub naast de keet. Wie zelf de afbouw of tuinaanleg van een nieuwbouwwoning regelt, onderschat vrijwel altijd hoeveel afval er vrijkomt. Of je nu een compleet casco afbouwt of alleen de bestrating in de achtertuin vervangt, de juiste container bepaalt hoe soepel het werk doorloopt.

Van 3 tot 40 kubieke meter: de maten op een rij

Afvalcontainers voor de bouw lopen grofweg van 3 tot 40 m³. De kleinste maten, 3 tot 6 m³, zijn afzetcontainers die op een oprit of parkeervak passen en ideaal zijn voor puin, dat zwaar is maar weinig volume inneemt. Een container van 3 m³ is doorgaans zo’n 3 meter lang, 1,8 meter breed en een kleine meter hoog, waardoor hij ook in een smalle nieuwbouwstraat past.
Daarboven wordt het speelveld groter. Containers van 10 tot 20 m³ zijn de werkpaarden voor sloopwerk en complete afbouwtrajecten, met lengtes rond de 5 tot 6 meter. De echte reuzen van 30 tot 40 m³ zie je vooral bij grotere projectontwikkeling, waar dagelijks volumineus materiaal vrijkomt zoals isolatie, folie en verpakkingshout.

Naast afzetcontainers werken veel bouwbedrijven met rolcontainers op wielen, die je zelf verplaatst en die met een vast ophaalritme geleegd worden. Handig als het afval geleidelijk ontstaat in plaats van in één sloopklap.

Puin, grofvuil of groen: de scheiding maakt het verschil

Bouw- en sloopafval is een verzamelnaam, maar op de bouwplaats gedraagt het zich als drie totaal verschillende stromen. Schoon puin, denk aan beton, metselwerk, tegels en dakpannen, is de zwaarste en tegelijk goedkoopste stroom om af te voeren, juist omdat het vrijwel volledig wordt gerecycled tot granulaat voor wegfundering.

Gemengd bouw- en sloopafval bevat hout, gipsplaat, kunststof, isolatie en verpakkingsmateriaal door elkaar. Dat wordt na inzameling machinaal nagescheiden en kost daardoor meer per ton. Groenafval van de tuinaanleg, zoals stobben, takken en graszoden, hoort in een aparte container omdat het naar een compostinstallatie gaat.

Wie de stromen op de bouwplaats gescheiden houdt, betaalt vrijwel altijd minder en levert een concrete bijdrage aan circulair bouwen. Op de site van de Rijksoverheid staat uitgelegd welke verplichtingen er gelden rond afval scheiden voor bedrijven en zelfstandigen.

Wat er absoluut niet in mag

Asbesthoudend materiaal, chemicaliën, verfresten, accu’s, gasflessen en autobanden horen nooit in een bouwafvalcontainer. Asbest vraagt om gecertificeerde sanering en verpakking in dubbel folie; wordt het toch aangetroffen, dan volgt vrijwel altijd een forse naheffing voor de hele vracht. Ook koelkasten, tl-buizen en elektronica gaan via een aparte route.

Hoeveel kuub heb je echt nodig?

Een bruikbare vuistregel voor de afbouw van een gemiddelde eengezinswoning: reken op 6 tot 10 m³ gemengd afval voor het complete traject van vloeren, wanden en installaties. Voor het uitbreken van een badkamer of het verwijderen van een terras van zo’n 40 vierkante meter is 3 tot 6 m³ puin realistisch. Sloop je een complete aanbouw, dan zit je al snel in de categorie 20 m³.

De afweging draait meestal om twee dingen: hoeveel ruimte er voor de deur is en of het afval in één keer of gespreid vrijkomt. Komt het geleidelijk, dan is een rolcontainer huren met een vast leegritme praktischer dan een grote bak die weken blijft staan.

Twijfel je tussen twee maten, kies dan de grootste. Een tweede transport kost meer dan de extra kubieke meters die je niet gebruikt.

Een Big Bag voor het kleine werk

Voor kleine hoeveelheden, tot ongeveer 1 m³, is een Big Bag een prima alternatief. Hij past op elke oprit, is opvouwbaar tot je hem nodig hebt en wordt met een kraanwagen opgehaald. Ideaal voor een handvol zakken puin uit de meterkast of het restant van een tuinpad.

De grens ligt bij het gewicht: een Big Bag houdt doorgaans zo’n 1000 kilo, dus vol beton is hij sneller dan je denkt. Bij grotere volumes loop je met losse zakken tegen de kosten van meerdere ophaalmomenten aan. Bij aanbieders van rolcontainers voor bedrijfsafval, zoals Rolbakkie, werk je met abonnementsvormen waarbij het tarief en het ophaalritme vooraf vastliggen.

Kosten, vergunning en levertijd

Prijzen worden bepaald door drie factoren: containermaat, afvalsoort en huurduur. All-in tarieven waarin transport, huur en verwerking al zijn verrekend, voorkomen verrassingen achteraf; losse verwerkingskosten per ton kunnen bij zware stromen flink oplopen. Schoon puin is per ton het voordeligst, gemengd afval het duurst.

Staat de container op de openbare weg, dan heb je bij vrijwel elke gemeente een objectvergunning nodig. De doorlooptijd daarvan verschilt per gemeente, dus vraag hem tijdig aan; op eigen terrein of een bouwkavel geldt die verplichting meestal niet. Hoe lang een container mag blijven staan, wordt in de vergunning vastgelegd en loopt uiteen van enkele dagen tot enkele maanden.

In veel nieuwbouwwijken, zoals de projecten die je terugvindt bij ontwikkelaars, gelden bovendien afspraken van de aannemer over waar containers mogen staan tijdens de bouwfase.
Levering gebeurt bij de meeste aanbieders binnen één tot twee werkdagen. Plan je container dus in zodra de sloop- of afbouwplanning staat, meet de opstelplaats op en houd rekening met vrije doorrijhoogte voor de vrachtwagen. Dan staat de bak er op het moment dat de eerste kruiwagen vol is.

De juiste container bepaalt of een bouwproject soepel en aangenaam verloopt, of dat je van hindernis naar hindernis strompelt.

Beregening als vast onderdeel van buitenruimte oplevering

0
Beregening als vast onderdeel van buitenruimte oplevering

Droge periodes, strengere aandacht voor watergebruik en hogere eisen aan groenkwaliteit maken dat opdrachtgevers vaker vragen om een doordachte aanpak van tuin- en terreinwerk. Voor aannemers, hoveniers en onderhoudspartijen betekent dit: niet meer even de tuinslang uitrollen, maar een beregening systeem dat voorspelbaar presteert, uitbreidbaar is en past bij de beschikbare waterbron. Een goed ontworpen beregeningssysteem verlaagt bovendien faalkosten door verdroogde beplanting, herstelwerk en klachten in de nazorg.

Waarom automatische tuin beregening in bestekken opduikt

Een vaste installatie zorgt voor een gelijkmatige watergift. Dat is relevant bij nieuwbouwwoningen, bedrijfstuinen en openbare ruimte waar beplanting in de eerste groeiseizoenen kwetsbaar is. Door te werken met zones en een tijdschema kun je gericht beregenen op momenten met minder verdamping, bijvoorbeeld vroeg in de ochtend. Dit sluit aan bij waterbewust beheer en helpt om het waterverbruik te beperken, mits het systeem goed is ingeregeld.

Voor onderhoudscontracten is automatisering interessant: minder handwerk, minder afhankelijkheid van aanwezigheid op locatie en beter te plannen rond piekperiodes. Ook bij oplevering is het voordeel duidelijk: je kunt het systeem testen en inregelen.

Ontwerp start met watercapaciteit en druk

De grootste misser in de praktijk is een ontwerp zonder check op watercapaciteit. Meet daarom eerst de opbrengst van het tappunt of de pomp (liters per minuut) en noteer de werkdruk. Op basis daarvan bepaal je hoeveel sproeiers gelijktijdig kunnen draaien en of je moet werken met meerdere beregeningszones.

Zonering en type watergifte per vak

Deel het terrein op in zones, bijvoorbeeld gazon, borders en hagen. Elke zone vraagt om een andere afgifte. Gazon heeft baat bij een gelijkmatige neerslag, terwijl borders vaak beter reageren op druppelirrigatie of gerichte sproeiers. Door per zone te sturen voorkom je dat je het hele terrein beregent alsof het één oppervlak is.

Bovengronds of ondergronds kiezen

Bovengrondse oplossingen zijn snel inzetbaar en geschikt voor tijdelijke situaties, kleine tuinen of projecten waar de inrichting nog wijzigt. Ondergrondse systemen met pop-up sproeiers zijn juist interessant bij projecten waar uitstraling, veiligheid en gebruiksgemak tellen. Ze liggen uit het zicht, beperken struikelrisico en zijn goed te combineren met een beregeningscomputer en magneetkleppen per zone.

Wie zich wil verdiepen in opbouw, componentkeuze en aandachtspunten zoals filters, terugslagbeveiliging en vorstvrij maken, vindt een praktische keuzehulp over een beregeningsinstallatie.

Sproeierkeuze bepaalt dekking en waterverbruik

Voor gazons zijn sector- of cirkelsproeiers gangbaar, afhankelijk van de vorm van het perceel. Belangrijk is dat sproeiers elkaar overlappen (kop-tot-kop) om droge plekken te voorkomen. Voor snelle inzet of bij kleinere oppervlakken zijn bovengrondse gazon sproeiers een logische optie. Let op instelbaarheid (sectorhoek en reikwijdte) en op de benodigde druk.

Checklist voor aanleg en oplevering

• Controleer waterbron: leidingwater, bronpomp of regenwaterbuffer.
• Plaats een filter bij bron- of regenwater.
• Werk met zones en afsluiters of magneetkleppen.
• Spoel leidingen door voor montage van sproeiers en test op lekkage.
• Leg leidingen vorstveilig aan en maak het systeem in het najaar leeg.

Conclusie

Beregening is steeds vaker onderdeel van de totale buitenruimte-uitvoering. Door te starten met capaciteit, slim te zoneren en de juiste sproeiers te kiezen, lever je een stabiel eindresultaat op en beperk je nazorg.

Digitale inkoop van zetwerk en snijwerk voorkomt stilstand op de bouwplaats

0
Digitale inkoop van zetwerk en snijwerk voorkomt stilstand op de bouwplaats

In bouw en infra wordt de planning steeds vaker bepaald door detailengineering, prefab en just-in-time logistiek. Een kleine wijziging in een detail kan grote gevolgen hebben: een ontbrekende zetting, een aangepaste voetplaat of een nieuw kokerprofiel kan de montage stilleggen. Daarom groeit de behoefte aan on-demand metaalbewerking, zoals bijvoorbeeld zetwerk en snijwerk, waarbij onderdelen pas worden geproduceerd wanneer de tekening definitief is en de inkoop snel kan schakelen.

Voor uitvoerders, werkvoorbereiders en inkopers betekent dit vooral: minder afstemming per mail of telefoon, minder interpretatieverschillen en sneller duidelijkheid over kosten en levertijd. Via een online platform kunt u een CAD-bestand uploaden, bewerkingen kiezen en direct een prijsindicatie ontvangen. Dat maakt het eenvoudiger om alternatieven te vergelijken, bijvoorbeeld S235 versus RVS 304, een andere plaatdikte of een aangepaste zetlijn.

Een vaste ketenstap van upload tot levering

Een gestandaardiseerde workflow is in de bouwketen net zo belangrijk als een goede werkbon op de bouwplaats. De stappen zijn helder:

1. Upload uw DXF- of STEP-bestand.
2. Configureer materiaal, dikte, aantallen en afwerking.
3. Ontvang direct een offerte en indicatieve levertijd.
4. Na akkoord start productie.
5. Levering naar werkplaats of projectlocatie.

Wie vaker dezelfde onderdelen bestelt, profiteert van herhaalbaarheid: dezelfde specificaties leiden tot voorspelbare passing en minder nabewerking.

Lasersnijden van plaat voor consoles en voetplaten

Lasersnijden van plaatwerk is een veelgebruikte bewerking voor bouwkundige bevestigingen en maatwerkdetails. Denk aan voetplaten, consoles, koppelplaten, sparingen, afdekplaten en hulpstukken voor tijdelijke voorzieningen. Door de hoge nauwkeurigheid zijn complexe contouren en gatenpatronen reproduceerbaar, wat belangrijk is bij seriematige montage.

Buislasersnijden voor kokerprofielen met minder nabewerking

Buislasersnijden is relevant voor koker- en buisprofielen in staalconstructies, hekwerken, trappen, bordessen en ondersteuningsframes. Door verstekken, sleuven en verbindingen direct in het profiel te snijden, verschuift werk van de bouwplaats naar een gecontroleerde productieomgeving.

Dat levert winst op in montagetijd en veiligheid: minder slijp- en laswerk op locatie betekent minder vonken, minder stof en minder variatie in de uitvoering.

Kanten voor zetwerk dat in één keer past

Kanten (zetwerk) bepaalt vaak of een onderdeel direct past. Denk aan omkastingdelen, hoeklijnen, zetstukken voor gevel- en dakdetails of beschermkappen rond installaties. Door buigradius en zetvolgorde vooraf vast te leggen, voorkomt u dat onderdelen op de bouwplaats moeten worden aangepast.

Voor de praktijk is het belangrijk dat toleranties en maatvoering expliciet zijn. Een platformmatige aanpak dwingt u om die keuzes vast te leggen, wat interpretatieverschillen tussen engineering, inkoop en uitvoering verkleint.

Wat levert dit op voor inkoop en faalkosten

De winst zit niet alleen in snelheid, maar in voorspelbaarheid. Als u snel een offerte ontvangt en een indicatieve levertijd rond drie werkdagen kunt meenemen in uw planning, wordt het eenvoudiger om kritieke onderdelen tijdig te bestellen.

Voor partijen die dit proces willen standaardiseren, biedt OrderOn metaalbewerking een route om plaat- en profielbewerkingen digitaal te organiseren, met minder stilstand, minder spoedtransport en minder improvisatie op de bouwplaats.

Gehoor op de bouwplaats: bescherming begint vóór de oordoppen

0
Gehoor op de bouwplaats: bescherming begint vóór de oordoppen

Slijpen, boren, zagen en zwaar materieel kunnen op een bouwplaats veel geluid produceren. Oordoppen en oorkappen zijn belangrijk, maar gehoorbescherming begint eerder. De eerste stap is nagaan of het geluid aan de bron lager kan. Daarna komen werkafspraken en pas als laatste persoonlijke beschermingsmiddelen. Die volgorde voorkomt dat alle verantwoordelijkheid bij de werknemer wordt gelegd.

Meet de dagelijkse blootstelling

Een machine kan hard klinken, maar alleen meten geeft duidelijkheid over de echte belasting. Volgens de Nederlandse Arbo-regels moet de werkgever bij een dagelijkse dosis boven 80 dB(A) gehoorbescherming beschikbaar stellen. Boven 85 dB(A) moeten werknemers de bescherming dragen en moet de werkgever technische of organisatorische maatregelen nemen.
De grenswaarde is 87 dB(A) aan het oor, waarbij rekening wordt gehouden met de demping van de gehoorbescherming. De duur van de blootstelling telt mee. Een korte lawaaipiek en urenlang werken in hard geluid zijn dus niet hetzelfde probleem.

Pak lawaai eerst bij de bron aan

Een stillere machine, goed onderhoud of een andere werkmethode kan het geluid al verlagen voordat iemand een oorkap opzet. Ook afstand helpt. Medewerkers die niet bij het lawaaiige werk nodig zijn, hoeven niet onnodig in dezelfde zone te blijven.
Denk daarnaast aan schermen, een andere werkvolgorde of het verplaatsen van een lawaaibron. Zulke maatregelen beschermen meerdere mensen tegelijk en zijn daarom vaak sterker dan alleen zwaardere persoonlijke bescherming uitdelen.

Kies bescherming die bij het werk past

Oordoppen en oorkappen hebben verschillende dempingswaarden. Te weinig demping beschermt onvoldoende. Heel sterke demping kan communicatie en waarschuwingssignalen juist lastiger maken. De keuze hoort daarom bij het gemeten geluidsniveau en de taak te passen.
Controleer ook de combinatie met helm, bril en andere persoonlijke beschermingsmiddelen. Een brilpoot onder een oorkap kan bijvoorbeeld invloed hebben op de afsluiting. Instructie en pasvorm zijn dus net zo belangrijk als de waarde op de verpakking.

Een piep na het werk is een serieus signaal

Tijdelijk minder horen of oorsuizen na een lawaaige werkdag kan wijzen op overbelasting van het gehoor. Zie dat niet als iets dat nu eenmaal bij de bouw hoort. Meld klachten binnen het bedrijf en bespreek ze met de bedrijfsarts of een andere passende zorgverlener.
Werkenden hebben volgens het Arboportaal recht op een gehoortest om te controleren of maatregelen effectief zijn. Zo’n test is vooral nuttig wanneer die onderdeel is van een breder beleid rond lawaai en niet pas wordt ingezet nadat iemand duidelijke klachten heeft.

Een hoortest vervangt preventie niet

Blijft er twijfel over het gehoor, dan kan een professionele hoortest meer duidelijkheid geven. Bij Audika kun je terecht voor hoortests, hoorzorg en informatie over gehoorapparaten. Een gehoorapparaat is alleen geen maatregel tegen lawaai op de bouwplaats. Bescherming tijdens het werk blijft nodig om verdere schade te voorkomen.

Neem geluid mee in de werkvoorbereiding

Geluid hoort in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en in de voorbereiding van werkzaamheden. Bespreek welke taak veel lawaai maakt, wie daarbij aanwezig moet zijn, hoe lang de blootstelling duurt en welke maatregel nodig is. Controleer ook of oordoppen en oorkappen schoon, heel en goed passend zijn.

Een bouwplaats verandert voortdurend. Machines verplaatsen, ruimtes worden afgesloten en werkzaamheden volgen elkaar op. Daarom is één meting aan het begin van het project niet altijd voldoende. Gehoorbescherming werkt pas goed wanneer bronmaatregelen, planning, meting, instructie en persoonlijke bescherming samen worden bijgehouden.
Ook blootstellingsduur hoort in die planning. Minder lang in een lawaaizone werken kan de dagelijkse dosis verlagen. Dat moet wel bewust worden georganiseerd; alleen hopen dat iemand vanzelf vaak genoeg pauze neemt is geen beheersmaatregel.