“Steeds meer gaan door na hun AOW”

Steeds meer werknemers blijven ook na het bereiken van de AOW leeftijd actief in loondienst. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien dat deze ontwikkeling doorzet. Voor werkgevers is dat een kleine opsteker. Vooral omdat vakbekwaam personeel lastig te vinden is. Ervaren vakmensen, uitvoerders en ondersteunende krachten blijven langer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Tegelijk vraagt dit om goed personeelsbeleid, aandacht voor duurzame inzetbaarheid en een praktische kijk op instroom, uitstroom en kennisbehoud. Zeker ook in de bouw, infra en techniek.

“Medio 2026 was 1,7 procent ouder dan de AOW leeftijd”

96.000 werknemers werken door

1,7 procent ouder dan AOW leeftijd, dat komt neer op 152 duizend mensen. Ter vergelijking: in het eerste kwartaal van 2018 ging het nog om 1,2 procent. Oftewel 96 duizend werknemers. De stijging laat zien dat doorwerken na de AOW voor een groeiende groep normaal wordt. Voor bedrijven is dat van belang, omdat ervaring, vakkennis en inzetbaarheid van oudere medewerkers op veel plekken nog steeds hard nodig zijn.

Voor de praktijk van bouwen en uitvoering is dit een interessant gegeven. In sectoren waar personeelskrapte, specialistische kennis en projectdruk samenkomen, kan het doorwerken na de AOW helpen om continuïteit te houden in de organisatie. Denk aan functies waarin overzicht, veiligheidsbesef, planning en begeleiding van jongere collega’s een grote rol spelen. Juist daar kan een werknemer met veel praktijkervaring nog van grote waarde zijn.

Mannen vaker in loondienst na AOW-leeftijd

De cijfers maken ook duidelijk dat mannen vaker boven de AOW leeftijd in loondienst blijven dan vrouwen. Van alle mannelijke werknemers was 2,3 procent ouder dan de AOW-leeftijd. Bij vrouwen lag dat aandeel op 1,1 procent. Sinds 2018 zijn beide aandelen met ongeveer 0,5 procentpunt toegenomen. Dat betekent dat de opmars van werken na de AOW breed zichtbaar is, ook al blijven de verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan.

Dat de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 stapsgewijs is verhoogd tot 67 jaar, heeft de arbeidsmarkt zichtbaar veranderd. Toch is vooral opvallend dat ook boven die grens meer mensen actief blijven. De keuze om langer door te werken hangt vaak samen met gezondheid, plezier in het werk, binding met collega’s en de wens om betrokken te blijven. Voor werkgevers is het dus verstandig om niet alleen naar leeftijd te kijken, maar ook naar belastbaarheid, roosterwensen en inzet op maat.

In de bouw, infra en techniek kan dat bijvoorbeeld betekenen dat oudere werknemers minder zwaar fysiek werk doen. En juist meer bijdragen in werkvoorbereiding, begeleiding op de bouwplaats of kwaliteitscontrole. Zo kan AOW personeel een stabiele factor zijn binnen teams waar kennisoverdracht belangrijk is. Dat temeer omdat ook een groeiende groep, in de bouw en infra, gebruik maakt van de zwaarwerkregeling.

Lees verder onder de afbeelding.
Meer werknemers blijven actief na de AOW-leeftijd

Switch naar andere branche

Het CBS meldt verder dat in het tweede kwartaal ruim 20 duizend mensen ouder dan de AOW-leeftijd instroomden in een bedrijfstak. Dat was 1,3 procent van de totale instroom. Het gaat hier om werknemers die een jaar eerder nog niet in die branche werkten. Ongeveer de helft van deze instroom komt uit een andere bedrijfstak. De rest had eerder geen baan als werknemer.

Die mobiliteit is ook voor werkgevers in uitvoering en projectorganisaties interessant. Een deel van de oudere werknemers kiest er dus niet alleen voor om door te werken, maar stapt ook nog over naar een andere sector of organisatie. Dat kan kansen bieden voor bedrijven die behoefte hebben aan direct inzetbare mensen met werkervaring. Zeker in ondersteunende, coördinerende of controlerende functies kan een werknemer na de AOW snel waarde toevoegen.

Bij de uitstroom blijft het aandeel werknemers boven de AOW-leeftijd beperkt. Van alle uitstromers is 2,2 procent ouder dan de AOW-leeftijd. De groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd is duidelijk groter en komt uit op 14,4 procent. De grootste uitstroom zit nog altijd bij jongere werknemers onder de 25 jaar. Dat is logisch, omdat deze groep relatief vaak wisselt van baan, een opleiding afrondt of een nieuwe stap zet naar een andere bedrijfstak.

Verschillen per sector

De verschillen tussen sectoren zijn groot. In verhuur en handel van onroerend goed en in vervoer en opslag werken verhoudingsgewijs de meeste werknemers boven de AOW-leeftijd. Dit met respectievelijk 4,3 en 3,6 procent. In openbaar bestuur en overheidsdiensten en in informatie en communicatie liggen die aandelen juist laag, op 0,6 en 0,7 procent. Deze spreiding laat zien dat de ruimte voor langer doorwerken sterk samenhangt met het soort werk, de organisatievorm en de personeelsvraag.

De uitstroom onder oudere groepen bestaat voor een groot deel uit pensionering. Voor mensen boven de AOW-leeftijd geldt dat het grootste deel stopt vanwege pensioen. Toch gaat nog 9 procent na het bereiken van de AOW aan de slag in een andere bedrijfstak. In de groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd stroomt 37 procent uit naar pensioen, 22 procent naar een uitkering en 20 procent naar een andere bedrijfstak.

Wanneer gaat jouw AOW gerechtigde leeftijd in? Je AOW-leeftijd bereken je hier.

Bron: CBS, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Hele dag op de bouwplaats? Zo voorkom je pijn aan je voeten

Werken op een bouwplaats vraagt veel van je lichaam. Je loopt voortdurend heen en weer en draagt waarschijnlijk regelmatig zware materialen. Na een lange werkdag kunnen je voeten dan ook behoorlijk vermoeid of pijnlijk aanvoelen. Gelukkig kun je met een paar praktische aanpassingen veel doen om pijn aan je voeten te voorkomen.

Hierdoor ontstaan voetklachten

Op de bouwplaats worden je voeten voortdurend belast. Je tilt materialen en staat soms lange tijd in dezelfde houding. Die combinatie kan leiden tot vermoeidheid, drukplekken en pijn aan je voeten. Ook slecht passende werkschoenen kunnen klachten veroorzaken. Schoenen die te strak zitten of versleten zijn, kunnen de druk op bepaalde delen van je voeten vergroten. Daarnaast kunnen warme werkomstandigheden en vochtige sokken blaren en huidirritatie veroorzaken. Voetklachten zijn niet alleen vervelend, maar kunnen ook je concentratie en stabiliteit beïnvloeden. Juist op een bouwplaats, waar veiligheid vooropstaat, is goede voetverzorging belangrijk.

Draag de juiste werkschoenen

Goede werkschoenen zijn onmisbaar. Ze beschermen je voeten tegen vallende voorwerpen, maar moeten ook de hele werkdag comfortabel zitten. Let bij de aanschaf van schoenen op de maat en of de schoenen genoeg ondersteuning bieden. Check ook de zool; kies een zool met voldoende grip en demping. En vergeet ook niet om naar de veiligheidsklasse te kijken. Pas werkschoenen bij voorkeur met de sokken die je tijdens het werk draagt. Let daarbij ook op de breedte: een schoen die voor de ene voet prettig zit, kan voor een andere te smal zijn.

Schaf passende inlegzolen aan

Zelfs met goede werkschoenen kunnen je voeten na urenlang staan vermoeid raken. Een geschikte binnenzool kan dan extra comfort geven en helpen de druk onder je voet te verdelen. Welke ondersteuning je nodig hebt, verschilt per persoon. Kies daarom een inlegzool die past bij je voeten en werkschoenen. Vul de steunzolenkiezer in op de website van Footlogics in om hierin de juiste keuze te maken.

Wissel regelmatig van houding

Lang in dezelfde houding staan kan je voeten en benen extra vermoeien. Probeer daarom, zover je werkzaamheden en de veiligheid het toelaten, regelmatig van houding te wisselen. Verplaats je gewicht af en toe van het ene naar het andere been en beweeg je enkels en tenen tijdens korte pauzes. Ga zitten als je daarvoor de gelegenheid hebt en wissel langdurig staan waar mogelijk af met andere taken. Pauzes zijn belangrijk: ze geven je lichaam de kans om te herstellen en helpen de belasting gedurende de werkdag te verdelen.

Draag goede sokken

Goede sokken helpen wrijving en vochtproblemen te beperken. Draag sokken die goed aansluiten en geen plooien vormen in je werkschoenen. Vocht afvoerende materialen zijn prettig als je voeten veel zweten. Neem eventueel een extra paar sokken mee, zodat je ze tijdens de pauze kunt vervangen.

Zo houd je je voeten gezond

Pijn aan je voeten hoeven geen vast onderdeel te zijn van een werkdag op de bouwplaats. Met goed passende veiligheidsschoenen en comfortabele inlegzolen kun je je voeten beter ondersteunen. Neem signalen van je lichaam serieus en wacht niet te lang met het aanpakken van klachten.

BAM groeit in ondergrondse infra en neemt belang in Van Leeuwen Sleufloze Technieken

Royal BAM Group zet, na de aangekondigde overname van A.Hak vorige week, een volgende stap in de uitbreiding van zijn positie in de Nederlandse energie- en waterinfrastructuur. Met de voorgenomen verwerving van een belang van 40 procent in Van Leeuwen Sleufloze Technieken (VLST) haalt BAM extra specialistische kennis in huis op het gebied van horizontaal gestuurd boren. Daarmee vergroot het bouwconcern zijn uitvoeringskracht in een markt. Daar waar de vraag naar ondergrondse leidingaanleg de komende jaren nog verder toeneemt.

“De overeenkomst tussen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken markeert een strategisch partnerschap voortbouwend op een samenwerking die al sinds 2014 bestaat”

Afspraken en belang

Van Leeuwen Sleufloze Technieken geldt als een van de belangrijkste onafhankelijke aannemers in Nederland voor horizontaal gestuurd boren, ook bekend als HDD. Deze techniek wordt veel toegepast bij de aanleg van kabels en leidingen. Dit omdat werkzaamheden daarmee kunnen worden uitgevoerd zonder open ontgraving over de volledige lengte van het tracé. Dat is vooral van belang op locaties waar bereikbaarheid, omgevingshinder en ondergrondse risico’s zwaar meewegen.

Volgens de bekendgemaakte afspraken betaalt BAM circa 45 miljoen euro voor het minderheidsbelang. De afronding van de transactie staat gepland voor het eerste kwartaal van 2027. Uiteraard onder voorbehoud van de gebruikelijke voorwaarden.

BAM breidt positie uit in energie- en waternetten

Met de participatie in Van Leeuwen Sleufloze Technieken speelt BAM in op een markt die sterk in beweging is. Netverzwaring, de aanleg van nieuwe drinkwaterleidingen en de uitbreiding van ondergrondse infrastructuur vragen om gespecialiseerde uitvoerders met materieel, vakmensen en ervaring in complexe boringen. Van Leeuwen Sleufloze Technieken beschikt over 19 boorinstallaties. Het bedrijf zal naar verwachting in 2026 een omzet van ongeveer 60 miljoen euro realiseren. Dit bij een EBITDA marge van circa 18 procent.

Logische stap BAM

Voor BAM sluit deze stap aan op de bredere groeistrategie binnen infra. Eerder kondigde het concern al de overname van A.Hak aan. In combinatie met de deelname in Van Leeuwen Sleufloze Technieken ontstaat zo een breder pakket aan kennis en uitvoeringscapaciteit voor projecten in de energie- en waterketen. Ook voor opdrachtgevers zal dat aantrekkelijk zijn. Dit omdat ontwerp, voorbereiding en realisatie beter op elkaar kunnen aansluiten.

Volgens topman Ruud Joosten past de investering goed bij de ambitie van Royal BAM Group om klanten te ondersteunen bij de aanleg van energie- en waterinfrastructuur. Daarbij wijst BAM op de sterke staat van dienst van de boorspecialist en op de bestaande werkrelatie tussen beide bedrijven. Die lange samenwerking verlaagt de instapdrempel en maakt de stap naar aandeelhouderschap logisch.

Meer ruimte

De samenwerking tussen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken was al jaren zichtbaar in de praktijk. Door nu ook op aandeelhoudersniveau samen te werken, krijgen beide partijen meer ruimte om investeringen op elkaar af te stemmen. Dat kan gaan over materieelvernieuwing, capaciteitsplanning, veiligheidssystemen en de ontwikkeling van personeel. Juist in een markt waar specialistische kennis schaars is, weegt dat zwaar.

Voor Van Leeuwen Sleufloze Technieken biedt de overeenkomst de mogelijkheid om verder te groeien zonder het eigen profiel te verliezen. Het bedrijf heeft aangegeven zijn gespecialiseerde en wendbare organisatie te willen behouden. Dat is relevant, omdat opdrachtgevers in sleufloze technieken snelheid, optimale regie en vakmanschap eisen. Zij kiezen voor partijen die snel kunnen schakelen en technisch sterke oplossingen bieden bij uitdagende opdrachten en projecten.

CEO Frans van der Kleij stelt dat beide ondernemingen een sterke focus delen op veiligheid, kwaliteit en betrouwbare projectuitvoering. Die gezamenlijke basis is belangrijk in HDD-projecten, waar voorbereiding, bodemkennis en beheersing van uitvoeringsrisico’s direct invloed hebben op planning, kosten en beschikbaarheid van middelen. Door de samenwerking te verdiepen, kunnen BAM en Van Leeuwen Sleufloze Technieken daar gerichter op sturen.

VLST sterk in HDD

De 40 procent deelname van BAM in VLST laat zien dat gespecialiseerde ondergrondse technieken een steeds groter gewicht krijgen binnen de Nederlandse inframarkt. Netbeheerders, drinkwaterbedrijven en industriële opdrachtgevers vragen om betrouwbare partners die projecten veilig en met zo min mogelijk hinder kunnen uitvoeren. Van Leeuwen Sleufloze Technieken heeft in dat speelveld een stevige positie opgebouwd en wordt voor BAM daarmee een nog belangrijker en extra schakel in de toenemende vraag.

Bron: BAM, VLST, Wikipedia.

Kabinet reserveert 18 miljard euro voor onderhoud en vernieuwing van infrastructuur

Het kabinet trekt 18 miljard euro extra uit voor het onderhoud, de vervanging en de vernieuwing van de Nederlandse infrastructuur. Voor de bouw- en infrasector betekent dat een omvangrijk pakket aan opdrachten, maar ook een duidelijke keuze voor behoud, veiligheid en uitvoerbaarheid. Met deze investering wil het Rijk achterstanden wegwerken bij wegen, bruggen, spoor en waterwerken. Voor uitvoerende partijen, opdrachtgevers en regionale overheden ontstaat daarmee meer duidelijkheid over de programmering voor de komende jaren.

Instandhouding en renovatie infrastructuur

De aangekondigde investering komt op een moment waarop de staat van veel projecten al langer onder druk staat. Een groot deel van de Nederlandse infrastructuur is aangelegd in de wederopbouwperiode en nadert of overschrijdt inmiddels de technische levensduur. Dat zorgt voor toenemende storingen, beperkingen in gebruik en hogere kosten voor beheer en onderhoud. Het kabinet kiest er daarom voor om beschikbare middelen eerst in te zetten op instandhouding en renovatie, voordat nieuwe ambities op grote schaal worden opgepakt.

Voor de bouw, infra en techniek, met name in ontwerp, realisatie en beheer is dat een duidelijke koerswijziging. De nadruk ligt minder op uitbreiding en meer op het toekomstbestendig maken van bestaande netwerken. Daarmee verschuift de aandacht naar vervanging, renovatie, levensduurverlenging en standaardisatie. Juist dat zijn opgaven waarin aannemers, ingenieursbureaus, toeleveranciers en beheerders de komende jaren een grote rol krijgen.

Onderhoud en vernieuwing krijgen voorrang

Volgens het kabinet is de opgave zo groot dat scherpe keuzes onvermijdelijk zijn. De middelen uit het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds zijn niet toereikend om alle wensen tegelijk uit te voeren. Daarom is een afweging gemaakt op basis van veiligheid, bereikbaarheid, uitvoerbaarheid en budget. Projecten die direct nodig zijn voor de werking van het netwerk krijgen prioriteit. Andere onderdelen worden later uitgevoerd of eerst met tijdelijke maatregelen in stand gehouden.

Die lijn is relevant voor de praktijk van assetmanagement. Niet ieder object wordt direct volledig vervangen. Waar dat technisch verantwoord is, kiest het Rijk voor levensduurverlengende maatregelen. Dat kan betekenen dat onderdelen van bruggen, sluizen, spoortrajecten of waterwerken eerst worden gerenoveerd, zodat volledige vervanging op een later moment kan plaatsvinden. Voor de sector vraagt dat om flexibele contractvormen, goede inspectiedata en een strakke fasering van werk en hinderbeperking.

De politieke boodschap is helder: veiligheid en betrouwbaarheid van de infrastructuur gaan voor. Minister Vincent Karremans verwijst daarbij naar recente problemen bij onder meer de Merwedebrug en de Suurhoffbrug. Zulke voorbeelden maken zichtbaar dat uitstel van groot onderhoud steeds minder ruimte laat voor beheersbare planning. Naarmate objecten verder verouderen, nemen risico’s op storingen en beperkingen toe. Dat heeft niet alleen gevolgen voor mobiliteit, maar ook voor logistiek, economie en de continuïteit van bouwprojecten.

Ook op het spoor kiest het kabinet voor een stevige inzet. Staatssecretaris Bertram koppelt de investering aan betrouwbaarheid, regionale bereikbaarheid en de weerbaarheid van het netwerk. Daarbij gaat het niet alleen om dagelijks gebruik door reizigers en vervoerders, maar ook om de robuustheid van het systeem in een veranderende geopolitieke context. Dat maakt de spooropgave breder dan regulier onderhoud alleen.

Investeringspakket voor verouderde infrastructuur

Het extra budget wordt ingezet voor een reeks grote ingrepen aan objecten die een belangrijke functie hebben in het nationale netwerk. In de watersector gaat het onder meer om het gemaal IJmuiden, dat van groot belang is voor waterveiligheid en waterbeheer. In het hoofdwegennet is de Haringvlietbrug (foto boven) genoemd als voorbeeld van een object met veel dagelijkse gebruikers en hoge maatschappelijke waarde. Op het spoor krijgt ook de HSL aandacht, waar vernieuwing nodig is om de prestaties op peil te houden.

Voor de markt betekent dat een breed palet aan werkzaamheden. Bij waterwerken gaat het vaak om civiele en werktuigbouwkundige vervanging in combinatie met elektrotechnische systemen en besturing. Bij bruggen en viaducten spelen betonrenovatie, staalconservering, voegovergangen, opleggingen en installatietechniek een rol. Op het spoor liggen opgaven bij baanstabiliteit, beveiliging, bovenleiding, energievoorziening en integrale systeemvernieuwing. De opgave voor infrastructuur is daarmee technisch breed en organisatorisch complex.

Een belangrijk onderdeel van het pakket is de intensivering van de uitrol van ERTMS. Met dit Europese treinbeveiligingssysteem wil het kabinet zorgen dat het spoor ook na 2040 veilig en betrouwbaar bruikbaar blijft. Voor aannemers en systeemintegratoren betekent dit langdurige werkzaamheden waarin civiele, digitale en railtechnische disciplines samenkomen. Meer informatie over deze ontwikkeling staat op de pagina over ERTMS.

De nadruk op vernieuwing sluit aan bij de constatering dat veel objecten zijn gebouwd in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Wat destijds is ontworpen voor een andere verkeersintensiteit en een andere belasting, moet nu functioneren onder zwaardere omstandigheden. Dat leidt tot een hogere onderhoudsdruk en vraagt om andere ontwerpkeuzes bij renovatie. Constructieve versterking, verduurzaming van materialen en een modulaire aanpak worden daardoor steeds vaker onderdeel van projectuitwerking.

Woningbouw, bereikbaarheid en infrastructuur in de regio

Naast instandhouding maakt het kabinet geld vrij om vier nieuwe grootschalige woningbouwgebieden bereikbaar te maken. Voor locaties in Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo/Enschede is 355 miljoen euro gereserveerd. Daarmee wil het Rijk voorkomen dat woningbouwontwikkeling vastloopt op gebrekkige ontsluiting. Voor ontwikkelaars, gemeenten en infrapartijen is dit een belangrijk signaal, omdat bereikbaarheid vaak een randvoorwaarde is voor planrealisatie.

De koppeling tussen woningbouw en infrastructuur blijft daarmee nadrukkelijk bestaan. Ook al ligt de focus op onderhoud, het kabinet laat zien dat gerichte uitbreiding of aanpassing van netwerken nodig blijft op plekken waar nieuwe woongebieden ontstaan. Bestaande afspraken over ontsluiting blijven bovendien overeind. Dat biedt bestuurlijke stabiliteit in een periode waarin veel projecten onder druk staan door kostenstijgingen, personeelstekorten en stikstofbeperkingen.

Extra middelen die met Prinsjesdag beschikbaar kwamen voor regionale bereikbaarheid zorgen er daarnaast voor dat enkele projecten alsnog kunnen doorgaan. Genoemd worden het spoorknooppunt Meppel, de N35 bij Mariënheem, knooppunt Zaarderheiken op de A67/A76 bij Venlo en de N33 Zuidbroek-Appingedam. Dit zijn projecten die voor de regio van groot belang zijn voor doorstroming, verkeersveiligheid en economische verbindingen.

In de praktijk betekent dit dat niet alleen breed nationale infraprojecten aandacht krijgen, maar ook knelpunten in regionale netwerken. Juist daar liggen vaak projecten met directe impact op de leefomgeving, de bereikbaarheid van werkgebieden en de aansluiting van kleinere kernen op stedelijke centra. Regionale infrastructuur vraagt daarbij vaak om maatwerk in fasering, participatie en hinderbeperking, omdat het gebruik intensief is en alternatieve routes beperkt zijn.

Projectkeuzes, MIRT en uitvoerbaarheid

Het kabinet heeft de lijst met projecten binnen het MIRT opnieuw gewogen. Daarbij zijn projecten objectief gescoord aan de hand van verschillende factoren en het beschikbare budget. Uit deze beoordeling volgt dat onder meer de aanpak van de A20 Nieuwerkerk-Gouwe, de vaarweg Lemmer-Delfzijl, de Nedersaksenlijn en het Mobiliteitspakket Brainport worden doorgezet. Vooral voor Eindhoven is dat relevant, omdat bereikbaarheid daar sterk samenhangt met economische ontwikkeling en ruimtelijke groei.

Tegelijk wordt een reeks andere projecten gepauzeerd. Dit na een eerdere pauze in 2023. Dat gebeurt doordat financiering ontbreekt of omdat uitvoering op dit moment niet haalbaar is. Voor de markt is dat een minder aantrekkelijk signaal, maar het biedt wel helderheid. In plaats van een lange lijst projecten met onzekere planning kiest het kabinet voor een beperkter, beter financierbaar programma. Dat kan de voorbereiding en capaciteitsinzet in de keten verbeteren, al blijft de druk op menskracht en materiaal groot.

De keuze voor uitvoerbaarheid is ook zichtbaar in de wens om regels te schrappen die niet strikt noodzakelijk zijn voor projectuitvoering. Daarnaast wil het kabinet projecten versimpelen, standaardiseren en richten op de basis. Dat sluit aan bij ontwikkelingen die al langer zichtbaar zijn in de sector. Minder projectspecifieke variatie, meer herhaalbare oplossingen en een strakkere scope kunnen bijdragen aan lagere kosten, kortere doorlooptijden en minder faalkosten. Dat is geen makkelijke opgave, maar wel een logische stap binnen een markt die al jaren onder spanning staat.

Toekomst Nederlandse infrastructuur

Met de gemaakte keuzes wil het kabinet voor een periode van acht jaar meer zekerheid bieden aan weggebruikers, spoorreizigers, schippers, lagere overheden en marktpartijen. Die stabiliteit is voor de bouw- en infrasector van grote waarde. Langjarige duidelijkheid maakt het mogelijk om personeel op te leiden, materieel te plannen, ketensamenwerking op te zetten en investeringen in innovatie beter te onderbouwen. Dat geldt zeker bij grote renovatie-opgaven, waar specialistische kennis schaars is en de voorbereidingstijd lang kan zijn.

De komende jaren zal de druk op de uitvoeringscapaciteit hoog blijven. De combinatie van vervanging, renovatie, nieuwbouw op geselecteerde locaties en aanvullende eisen rond duurzaamheid en digitalisering vraagt veel van opdrachtgevers en opdrachtnemers. Tegelijk biedt het pakket ook kansen. Bedrijven die sterk zijn in assetmanagement, bouwlogistiek, prefab, datagestuurd onderhoud en integrale contracten kunnen in deze fase een stevige positie opbouwen.

Daarnaast kijkt het kabinet naar alternatieve vormen van bekostiging en financiering voor toekomstige aanleg van wegen en spoor. Hoe die aanpak er precies uit gaat zien, moet nog blijken. Wel is duidelijk dat de klassieke manier van financieren steeds vaker onder druk staat nu onderhoudsopgaven sneller groeien dan beschikbare budgetten. Dat gesprek zal de komende periode verder worden gevoerd met de Tweede Kamer en de regio’s, onder meer via de bestuurlijke overleggen over mobiliteit en gebiedsontwikkeling.

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Wikipedia.

Nieuwe Zelfstandigenwet brengt duidelijkheid voor zzp’ers

De nieuwe Zelfstandigenwet moet meer helderheid geven aan zzp’ers en opdrachtgevers, ook in de bouw- en uitvoeringspraktijk. Voor een sector waarin veel wordt gewerkt met flexibele inzet en onderaanneming, kan deze wet zorgen voor meer voorafgaande zekerheid over de manier waarop je als zelfstandige mag werken. Tegelijk vraagt de wet ook om aantoonbaar ondernemerschap en een zorgvuldige inrichting van de werkrelatie.

Opdrachtgevers terughoudend inhuren zzp’ers

De Zelfstandigenwet is door het kabinet in internetconsultatie gebracht en is bedoeld om een langlopend probleem aan te pakken. Al jaren bestaat er onzekerheid over de vraag wanneer iemand echt als zelfstandige werkt en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. Vooral opdrachtgevers zijn daardoor vaak terughoudend geworden bij het inhuren van zzp’ers. Met de Zelfstandigenwet wil het kabinet vooraf meer duidelijke spelregels bieden, zodat bedrijven en zelfstandigen beter weten waar zij aan toe zijn.

Nieuwe regels voor opdrachtgevers en zzp’ers

De kern van de Zelfstandigenwet is dat er vooraf wordt getoetst of iemand daadwerkelijk als zelfstandige kan werken. Het wetsvoorstel gebruikt daarvoor twee aparte beoordelingen. De eerste is de zelfstandigentoets. Daarbij wordt gekeken naar de ondernemer zelf. Een zzp’er moet bijvoorbeeld zelf factureren, ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en laten zien dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap. Ook het aantal opdrachtgevers telt mee, net als de vraag of iemand voorzieningen heeft geregeld voor ondernemersrisico’s.

Lees verder onder de afbeelding.
Zelfstandigenwet ZZP'ers

Dat laatste is ook voor de bouw-, infra en technieksector van belang. Wie als zelfstandige werkt, krijgt te maken met risico’s rond aansprakelijkheid, arbeidsongeschiktheid en (tijdelijke) uitval van werk. De Zelfstandigenwet legt daarmee niet alleen nadruk op vrijheid, maar ook op verantwoordelijkheid. Voor veel serieuze zzp’ers zal dat herkenbaar zijn, omdat zij hun bedrijfsvoering vaak al op orde hebben. Toch kan de wet ook betekenen dat een deel van de huidige praktijk opnieuw moet worden bekeken.

Hoe wordt de werkrelatie beoordeeld?

Naast de toets op ondernemerschap komt er een werkrelatietoets. Die kijkt naar de manier waarop het werk binnen een concrete opdracht wordt uitgevoerd. Daarbij is van belang of een zelfstandige voldoende vrijheid heeft om het werk zelf te organiseren. Ook telt mee of het werk voor eigen rekening en risico gebeurt. Dat betekent in de praktijk dat niet alleen het contract belangrijk is, maar ook de feitelijke situatie op de werkvloer.

Volgens het kabinet ontstaat voor wie aan beide toetsen voldoet een zogenoemde ‘veilige haven’. Dat houdt in dat zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf weten dat zij binnen de regels handelen, mits zij in de praktijk ook echt volgens die afspraken werken. Voor de markt is dat van groot belang.

Gevolgen door de Zelfstandigenwet

De gevolgen van de Zelfstandigenwet kunnen voor de sector aanzienlijk zijn. Veel bedrijven werken met een flexibele schil om pieken in productie, specialistische werkzaamheden en tijdelijke projecten op te vangen. Wanneer vooraf duidelijker wordt wanneer inzet van zzp’ers is toegestaan, kan dat zorgen voor meer rust in aanbesteding, projectvoorbereiding en personeelsplanning. Tegelijk zullen opdrachtgevers scherper moeten kijken naar contractvorming, aansturing en de verdeling van risico’s.

Voor zelfstandigen biedt de wet erkenning van hun positie als ondernemer, maar die erkenning komt niet zonder voorwaarden. Wie niet aan de criteria voldoet of daar niet aan wil voldoen, blijft aangewezen op de bestaande regels. Daarmee maakt de Zelfstandigenwet ook duidelijk dat zelfstandig ondernemerschap meer is dan alleen werken op factuurbasis. Het vraagt om een eigen bedrijfsvoering, meerdere opdrachtgevers waar mogelijk en een professionele houding ten opzichte van risico en verantwoordelijkheid.

De internetconsultatie over de Zelfstandigenwet loopt tot en met 29 oktober. Via de internetconsultatie van de overheid kunnen marktpartijen reageren op het voorstel. De beoogde invoeringsdatum is januari 2028. Voor bedrijven, branchepartijen en zzp’ers in de bouw is dat een belangrijk moment om de gevolgen voor contracten, inzetmodellen en samenwerking tijdig in kaart te brengen.

Bron en beeld: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Montage en logistiek nieuwe Brienenoord door Rijkswaterstaat aan SAMEN gegund

Rijkswaterstaat heeft een weer groot contract verleend voor de vernieuwing van de Brienenoordbrug in Rotterdam. De aannemerscombinatie SAMEN, bestaande uit Mammoet en Sarens, neemt het transport en de installatie van de nieuwe en bestaande boogbruggen voor haar rekening. Daarmee komt een technisch zwaar en logistiek nauwkeurig project dichterbij. Het wordt tussen 2028 en 2033 uitgevoerd.

“In de zomer van 2030 is het eerste grote moment bij de vernieuwing van de Brienenoordbrug”

Met deze opdracht legt Rijkswaterstaat opnieuw een belangrijk deel van de totale aanpak van de Brienenoordbrug vast. Eerder werd al een contract gegund voor de vernieuwing van de basculebrug. Nu volgt het onderdeel dat voor veel vakmensen en omwonenden het meest zichtbaar zal zijn. Het vervoer van stalen boogbruggen met een gewicht tot ongeveer 8,5 duizend ton over het water van Dordrecht naar Rotterdam, gevolgd door het demonteren, hijsen en plaatsen op locatie.

Gunning voor transport en installatie

De opdracht is gegund aan SAMEN, de combinatie van Mammoet en Sarens. Volgens Rijkswaterstaat kwam deze partij als beste uit de beoordeling op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarbij speelde mee dat de voorgestelde werkwijze de risico’s beperkt bij het laden en lossen van de boogbruggen op pontons, tijdens de vaart en bij de passages langs en onder andere kunstwerken in het gebied.

De werkzaamheden hebben betrekking op het transport van zowel de oude als de nieuwe boogbruggen tussen de werf op Duivelseiland in Dordrecht en de Brienenoordbrug. Ook het verwijderen van de bestaande boogdelen en het installeren van de nieuwe of gerenoveerde boogbruggen maakt deel uit van het contract. Dat vraagt om specialistische middelen, zoals zware hijsinstallaties, aangepaste pontons en tijdelijke voorzieningen om de brugdelen veilig te kunnen behandelen.

Lees verder onder de afbeelding.
Rijkswaterstaat gunt logistiek en montage nieuwe bruggen Brienenoord aan SAMEN
De werf op Duivelseiland.

Rijkswaterstaat kiest bij de vernieuwing van de Van Brienenoordbrug bewust voor een opdeling in afzonderlijke contracten. Met die aanpak sluit de opdrachtgever beter aan op specialistische kennis uit de markt. Tegelijk wordt de beheersing van planning, techniek en risico’s beter hanteerbaar gemaakt. Voor uitvoerende partijen betekent dit dat zij zich kunnen richten op hun eigen expertise binnen een groter integraal programma.

Technische aanpak rond de Brienenoordbrug

De vervanging van de twee stalen boogbruggen is een werk van uitzonderlijke omvang. De nieuwe westelijke boogbrug wordt volgens de huidige planning in de zomer van 2030 over water naar Rotterdam vervoerd. Na aankomst bij de Brienenoordbrug wordt eerst de bestaande boogbrug verwijderd. Daarna volgt de plaatsing van het nieuwe brugdeel. De oude westelijke boog gaat vervolgens terug naar de werf in Dordrecht, waar renovatie plaatsvindt.

In een latere fase keert deze gerenoveerde boogbrug terug naar Rotterdam. Volgens de planning gebeurt dat in de zomer van 2032, wanneer de huidige oostelijke boogbrug wordt vervangen. Deze gefaseerde aanpak beperkt de uitvoeringsdruk en maakt het mogelijk om lessen uit de eerste vervanging mee te nemen naar de tweede fase. Voor de uitvoering is dat van grote waarde, omdat iedere hijs- en transportbeweging op dit schaalniveau nauwkeurig moet worden voorbereid.

Een bijzonder onderdeel van de aanpak is de inzet van een nog te bouwen bruggenlift bij de Brienenoordbrug. Deze liftconstructie moet ervoor zorgen dat een boogbrug veilig op hoogte gebracht kan worden, waarna plaatsing op de pijlers beheerst kan plaatsvinden. Voor de sector is dit een technisch interessant gegeven, omdat hiermee de koppeling wordt gemaakt tussen zwaar verticaal hijswerk en een zeer beperkte montagetolerantie op een drukke bestaande verkeerscorridor.

Ook de werf op Duivelseiland speelt een grote rol. Daar worden de boogbruggen voorbereid voor transport over water. Rijkswaterstaat heeft samen met marktpartijen al in een vroeg stadium gekeken naar de inrichting van deze locatie. Dat leidde onder meer tot aanpassingen in het ontwerp en in de opzet van de werf, zodat de brugdelen beter van en aan land gebracht kunnen worden. Die voorbereiding laat zien dat maakbaarheid al ver voor de aanbesteding een vaste plek in het proces heeft gekregen.

Logistiek over water door de regio

De transporten van en naar de Brienenoordbrug varen via de Oude Maas en de Nieuwe Maas. Onderweg passeren de pontons diverse bruggen en infrastructuur in en rond Rotterdam. Daarbij gaat het onder meer om de Botlekbrug, de Erasmusbrug, de Koninginnebrug en De Hef. Dat maakt de route niet alleen technisch uitdagend, maar ook operationeel gevoelig. Hoogtes, doorvaartbreedtes, waterstanden, stroming en venstertijden moeten allemaal kloppen.

De vaartochten zijn bovendien sterk afhankelijk van weer en getij. Dat betekent dat de logistieke planning niet alleen nauwkeurig, maar ook flexibel moet zijn. Voor de uitvoering vraagt dit om voortdurende afstemming met vaarwegbeheerders, spoorwegbeheerders en wegbeheerders. Een vertraging op één onderdeel kan invloed hebben op het hele tijdslot waarbinnen een transport veilig kan plaatsvinden.

Voor de bouwpraktijk is juist dit onderdeel leerzaam. Grote objecten transporteren door een dicht netwerk van water, spoor en weg vraagt om meer dan techniek alleen. Het gaat ook om vergunningen, verkeersmaatregelen, nautische begeleiding, communicatie met omgevingspartijen en de beschikbaarheid van materieel. De planning moet daarom niet alleen op papier goed zijn, maar ook uitvoerbaar onder wisselende omstandigheden. Dat klinkt simpel, maar in de praktijk is dat een secuur proces.

De historische lading van deze transporten speelt daarbij ook mee. Veel Rotterdammers herinneren zich nog het vervoer van de tweede boog van de brug in 1989. Ook het transport van de nieuwe Suurhoffbrug in 2021 staat veel mensen nog bij. De aanstaande verplaatsingen van de boogbruggen van de Brienenoordbrug zullen daarom niet alleen vaktechnisch aandacht trekken, maar ook publieke belangstelling krijgen langs de route.

Lees verder onder de afbeelding.

Van links naar rechts: H.M. Boelsma (Sarens), L.P. Schouwstra (Rijkswaterstaat) en D. Andreani (Mammoet).

Samenwerking

Rijkswaterstaat onderstreept dat samenwerking met de markt een belangrijk uitgangspunt is in dit project. Al voor publicatie van de aanbesteding zijn gesprekken gevoerd met marktpartijen. Die consultaties leverden kennis op uit de praktijk van transport, montage en werfinrichting. Het resultaat daarvan is terug te zien in de gekozen contractvorm, de technische uitwerking en de voorbereiding van de uitvoeringslocaties.

Voor uitvoerende bedrijven is dat een positieve ontwikkeling. Bij complexe infra-opgaven zoals de Brienenoordbrug is vroege betrokkenheid van specialisten vaak bepalend voor een realistische uitvoeringsstrategie. Wanneer maakbaarheid en risico’s al in de planfase worden besproken, ontstaat een beter evenwicht tussen ambitie, veiligheid en haalbaarheid. Dat is niet alleen gunstig voor de opdrachtgever, maar ook voor aannemers die verantwoordelijk worden voor planning en realisatie.

SAMEN brengt daarbij ervaring mee op het gebied van zwaar hijswerk en exceptioneel transport. Dat vakmanschap is nodig, omdat het verwijderen en plaatsen van boogbruggen op grote hoogte behoort tot de meest complexe operaties binnen de civiele sector. Het gaat om hoge belastingen, beperkte marges en een omgeving waar bestaande infrastructuur in bedrijf blijft of waar hinder strak moet worden ingeperkt. Dat vraagt om materieelkeuze, engineering en uitvoeringsdiscipline op hoog niveau.

Vijf contracten

De totale aanpak bestaat uit vijf afzonderlijke opdrachten. Naast het contract voor transport en installatie gaat het om de vernieuwing van het beweegbare deel van de brug, de bouw van een nieuwe boogbrug, de renovatie van de bestaande westelijke boog en de realisatie van de circulaire werf op Duivelseiland in Dordrecht. Door deze splitsing kan per onderdeel de juiste expertise worden ingeschakeld.

De uitvoering staat gepland voor de periode van 2028 tot en met 2033. Werkzaamheden met verkeershinder worden zoveel mogelijk gebundeld in vooraf bepaalde periodes. Dat is van groot belang, omdat de Brienenoordbrug deel uitmaakt van een van de drukste verkeersaders van Nederland. De combinatie van bereikbaarheid, veiligheid en bouwsnelheid vraagt daarom om een strakke fassering en een goed afgestemde hinderstrategie.

Voor de sector laat dit project zien hoe grote renovatie- en vervangingsopgaven in Nederland steeds vaker worden opgeknipt in specialistische deelcontracten. Dat vraagt aan de ene kant om scherpe afstemming, maar biedt aan de andere kant ruimte aan bedrijven die in een specifiek bouw of infra domein sterk zijn.

Planning en uitvoering bij de Brienenoordbrug

Als de huidige planning standhoudt, vormt de zomer van 2030 het eerste grote moment in de feitelijke vervanging van een boogbrug. Daarna volgt in 2032 de tweede grote operatie. Tussen die mijlpalen in lopen renovatie, voorbereiding, werfactiviteiten en afstemming door. Voor aannemers, ingenieursbureaus en leveranciers ontstaat daarmee een langlopend traject waarin engineering en uitvoering dicht op elkaar blijven aansluiten.

De brug is daarmee niet alleen een zichtbaar project voor het publiek, maar ook een mega project dat de komende jaren richtinggevend kan zijn voor vergelijkbare (vervangings-) opgaven rond bruggen en andere kunstwerken. De combinatie van demontage, renovatie, nieuwbouw, transport over water en installatie op een bestaande verkeerslocatie maakt dit werk uitzonderlijk in vele opzichten.

Beeld en bron: Rijkswaterstaat.

De garagedeur als schakel in isolatie, veiligheid en comfort

In het ontwerp van een woning gaat de aandacht vaak uit naar de gevel, de kozijnen en het dak, terwijl de aansluitingen daartussen minstens zo bepalend zijn voor het eindresultaat. Een van de grootste beweegbare openingen in de thermische schil van een huis is de garagedeur. Juist omdat het om een groot vlak gaat dat regelmatig open en dicht gaat, heeft de uitvoering ervan merkbaar invloed op isolatie, veiligheid en comfort. Voor wie in de bouw of afbouw werkt, loont het om die rol goed te begrijpen. Dit artikel bekijkt vanuit vakinhoudelijk oogpunt waar het bij deze aansluiting op aankomt.

Een groot vlak in de thermische schil

Een garage wordt steeds vaker als volwaardige ruimte benut, of grenst direct aan verwarmde delen van de woning. Daarmee verandert de garagedeur van een simpele afsluiting in een onderdeel van de bouwkundige schil. Een slecht geïsoleerd of kierend paneel vormt dan een zwakke plek waar warmte ontsnapt en tocht binnenkomt. Bij het beoordelen van de totale prestatie van een woning is het daarom zinvol om dit vlak serieus mee te nemen, net als de kozijnen en de voordeur. De isolatiewaarde en de luchtdichtheid van de aansluiting bepalen in belangrijke mate hoe de ruimte erachter aanvoelt.

Isolatie als onderdeel van het geheel

Isolatie werkt alleen zo goed als de zwakste schakel. Een uitstekend geïsoleerde spouw verliest aan waarde wanneer een groot deurvlak ernaast de warmte doorlaat. Dubbelwandige, met isolatiemateriaal gevulde panelen en goede randafdichtingen beperken dat verlies aanzienlijk. Voor wie wil begrijpen hoe de verschillende isolerende onderdelen van een woning samenwerken en waar de grootste winst te halen valt, geeft Milieu Centraal heldere achtergrond. In de praktijk betekent dit dat je een garagedeur niet los beoordeelt, maar als schakel in het geheel van gevel, vloer en dak, waarbij de aansluitdetails net zo belangrijk zijn als het paneel zelf.

Veiligheid vraagt om doordachte techniek

Een beweegbaar vlak van dit formaat brengt eisen op het gebied van veiligheid met zich mee. Het mechanisme moet betrouwbaar zijn, bestand tegen intensief gebruik en zo ontworpen dat beknelling wordt voorkomen. Daarnaast speelt inbraakwerendheid een rol, zeker wanneer de garage een directe verbinding met de woning heeft. Een degelijke garagedeur combineert een robuust loopwerk met beveiligingsvoorzieningen die het geheel als volwaardig onderdeel van de gevelsluiting laten functioneren. Voor de uitvoerende partij is het belangrijk om bij de keuze niet alleen naar het paneel te kijken, maar ook naar de kwaliteit van het bedieningsmechanisme en de montage.

Comfort zit in de details

Comfort is lastiger te meten dan isolatiewaarde, maar wordt in de praktijk sterk bepaald door details. Een deur die soepel en stil loopt, die geen tocht doorlaat en die betrouwbaar reageert, draagt bij aan een ruimte die prettig aanvoelt. Tocht langs de randen, een hortende beweging of condens op koude vlakken halen dat comfort juist onderuit. Goede randafdichting, een vloeiend loopwerk en aandacht voor de aansluiting op vloer en wanden maken hier het verschil. Het zijn deze ogenschijnlijk kleine punten die bepalen of de bewoner tevreden is met het eindresultaat, en ze verdienen in de uitvoering dezelfde zorg als de grotere onderdelen.

Keuzes die je vroeg maakt

Veel van de prestatie van een garagedeur wordt bepaald voordat de montage begint. De maatvoering van de opening, de wijze waarop de deur aansluit op de constructie en de ruimte die beschikbaar is voor het mechanisme, bepalen welke oplossingen later nog mogelijk zijn. Door dit in een vroeg stadium mee te nemen in het ontwerp, voorkom je dat je achteraf concessies moet doen aan isolatie of bediening. Leveranciers als Novoferm bieden uiteenlopende systemen die op het bouwproces kunnen worden afgestemd, wat het makkelijker maakt om de juiste keuze binnen de bestaande randvoorwaarden te vinden.

Een onderdeel dat de kwaliteit mee bepaald

De garagedeur verdient in het bouw- en afbouwproces meer aandacht dan het soms krijgt. Als groot beweegbaar vlak in de thermische schil beïnvloedt ze isolatie, veiligheid en comfort tegelijk, en de aansluitdetails bepalen hoe goed dat uitpakt. Wie dit onderdeel vanaf het ontwerp serieus meeneemt en let op isolatiewaarde, betrouwbare techniek en een zorgvuldige montage, levert een woning af die op dit punt niet onderdoet voor de rest van de gevel. Juist in de details rond deze aansluiting laat vakmanschap zich zien.

Waarom worden gietvloeren steeds populairder?

De gietvloer is bezig aan een opmars. Werden voorheen vooral laminaatvloeren vaak gebruikt voor zowel woningen als zakelijke panden, tegenwoordig ligt er steeds vaker een gegoten vloer. Deze vloeren zijn leverbaar in verschillende uitvoeringen. Je kunt kiezen voor een betonlook vloer, vaak toegepast in kantoren of in woningen met een moderne inrichting. Maar er zijn ook andere varianten die deze vloeren ook geschikt maken voor bijvoorbeeld huizen met een meer klassiek interieur.

De voordelen van de gietvloer

Het is niet zo vreemd dat gietvloeren populair zijn bij mensen die hun nieuwe huis gaan inrichten of die toe zijn aan een grondige make-over. Deze vloeren zijn bijna overal te plaatsen, zowel in de woonkamer als in de keuken, slaapkamers en zelfs de badkamer. Ook kan zo’n vloer zowel op een betonnen als houten ondervloer worden geplaatst. Als de vloer eenmaal ligt, ontdekt de eigenaar het grote gemak. De vloer is zeer gemakkelijk schoon te houden, is slijtvast en de kans op beschadigingen is klein. Daar waar laminaatvloeren gevoelig zijn voor vocht en houten vloeren gemakkelijk schade oplopen door bijvoorbeeld naaldhakken of schuiven met meubels, heeft een gietvloer daar geen last van. Het is ook een ideale vloer voor huishoudens met huisdieren die verharen of met jonge kinderen die wel eens een glas limonade omstoten.

Zelf een gietvloer plaatsen

Het plaatsen van een gietvloer kun je in veel gevallen prima zelf doen. Natuurlijk vraagt het wel de nodige vaardigheid. Het is geen kwestie van een emmer vloeibaar gietvloer materiaal in een kamer leeg gieten, een beetje gladstrijken en afwachten. Je moet wel degelijk opletten dat de vloer gelijkmatig wordt aangebracht, want als deze eenmaal is uitgehard kan er niet veel meer aan worden gedaan. Online zijn video’s te vinden waar professionals stap voor stap laten zien hoe je een gietvloer plaatst en welke voorbereidingen je daarvoor moet treffen. Ook vind je online tips voor de aanschaf van een gietvloer. Als je vloerverwarming hebt is het bijvoorbeeld af te raden om voor een epoxy gietvloer te kiezen, omdat deze de warmte van het systeem minder goed geleidt. Laat je bij twijfel over je keuze altijd adviseren bij je aankoop om teleurstelling achteraf te voorkomen. Houd er rekening mee dat de vloer na plaatsing een voorgeschreven droogtijd heeft voordat je op de vloer kunt lopen en er meubilair kunt plaatsen. Het is om die reden het meest praktisch om de vloer te plaatsen als je nog niet in het huis woont of als de werkruimte nog niet in gebruik is genomen.

Waar bestel je jouw perfecte gietvloer?

Een gietvloer kun je heel eenvoudig online bestellen bij Arturoflooring. Vanwege de al eerder genoemde voordelen zijn deze vloeren niet alleen geschikt voor woningen, maar ook voor diverse bedrijfssectoren zoals voedselverwerking, industrie, scholen en zorginstellingen, praktijkruimtes en kantoren. Het enige dat je hoeft te doen is het aantal benodigde vierkante meters berekenen en je kunt je vloer direct online bestellen. Bekijk alle mogelijkheden op de website en neem contact op met de klantenservice als er vragen zijn over je order.

Nieuwe checklist van Arbeidsinspectie helpt werkgevers bij correcte inzet uitzendkrachten

Werkgevers die personeel inhuren via een uitzendbureau of andere uitlener krijgen te maken met een vernieuwde checklist van de Arbeidsinspectie. Die lijst maakt duidelijk welke plichten je hebt als je werkt met uitzendkrachten. Voor bedrijven in bouw en uitvoering is dat van direct belang, omdat op projecten vaak wordt gewerkt met flexibele inzet, strakke planningen en meerdere schakels in de keten. De checklist moet ervoor zorgen dat je beter controleert of zaken rond toelating tot de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en veiligheid op orde zijn.

Verantwoordelijkheid niet alleen bij uitzendbureau

De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft de vernieuwde checklist opgesteld samen met onder meer de Belastingdienst, UWV, SVB en partijen uit de uitzendsector. Daarmee is gekozen voor een brede aanpak die aansluit op de praktijk van werkgevers die personeel inhuren. De lijst is bedoeld voor bedrijven die arbeidskrachten inlenen en geeft richting aan wat je vooraf en tijdens de inzet moet nagaan. Daarmee wordt ook duidelijker dat de verantwoordelijkheid voor goede omstandigheden niet alleen bij het uitzendbureau ligt.

Verantwoordelijkheid van de inlener

Voor veel werkgevers is het nog niet altijd helder dat zij medeverantwoordelijk zijn voor de mensen die via een uitlener op de werkvloer verschijnen. Toch geldt die verantwoordelijkheid wel degelijk. Als je gebruikmaakt van uitzendkrachten, moet je weten wie er op de bouwplaats, in de werkplaats of op een andere locatie aan het werk gaat. Je moet ook nagaan of deze personen in Nederland mogen werken en of de administratieve basis klopt.

Volgens de Arbeidsinspectie zien inspecteurs in de praktijk nog vaak dat inleners onvoldoende zicht hebben op die verplichtingen. Dat levert risico’s op, niet alleen voor naleving van de wet, maar ook voor veiligheid en eerlijke concurrentie. Zeker in sectoren waar veel wordt gewerkt met tijdelijke inzet en onderaanneming, kunnen fouten snel doorwerken in de hele keten. De inzet van uitzendkrachten vraagt daarom om een meer zorgvuldige werkwijze dan sommige bedrijven nu toepassen.

Praktische steun bij controle van uitzendkrachten

De checklist biedt werkgevers praktische steun bij het controleren van documenten, werkrechten en afspraken. Daarmee krijg je als inlener een beter beeld van de positie van uitzendkrachten en van je eigen rol. De overheid wil voorkomen dat bedrijven zich achter een tussenpartij verschuilen wanneer blijkt dat iemand illegaal werkt of dat arbeidsvoorwaarden niet worden nageleefd. Juist daarom is de controleplicht van de inlener scherper in beeld gebracht.

Ook voor de bouw, infra en techniek is dat van groot belang. In deze sectoren heeft men vaak te maken met wisselende bezetting, piekmomenten en personeel dat op korte termijn moet starten. Dan is de verleiding groot om te vertrouwen op de mededeling van een bureau dat alles geregeld is. De vernieuwde checklist laat zien dat je die aanname niet zondermeer kunt maken. Je blijft als opdrachtgever of inlener medeverantwoordelijk voor een juiste inzet van personeel.

De lijst helpt ook om scherper te letten op arbeidsomstandigheden. Denk daarbij aan veilig werken op hoogte, instructies op de werkvloer, passende bescherming en duidelijke afspraken over werktijden en beloning. Dat is niet alleen van belang voor naleving, maar ook voor de dagelijkse uitvoer van het werk. Goed geïnformeerde werkgevers kunnen problemen eerder signaleren en sneller ingrijpen als er iets niet klopt.

Waar je op moet letten bij uitzendkrachten

De Arbeidsinspectie wil met deze vernieuwde werkwijze bereiken dat werkgevers actiever nagaan of uitzendkrachten rechtmatig en onder goede voorwaarden worden ingezet. Dat betekent dat je niet alleen kijkt naar de beschikbaarheid van personeel, maar ook naar de achtergrond van de arbeidsrelatie, de geldigheid van documenten en de veiligheid op de werkvloer. Voor bedrijven die structureel personeel inhuren, kan de checklist daarom dienen als vast onderdeel van het inleenproces.

De vernieuwde checklist werken met uitleners is hier beschikbaar.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Arbeidsinspectie.

Meer fondsen voor starterswoningen en NHG naar 500.000 tot 530.000 euro

Het kabinet maakt extra middelen vrij, voor het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen, om de bouw en verkoop van koopwoningen voor starters te ondersteunen. Voor de bouwsector biedt dat meer ruimte om nieuwe starterswoningen sneller haalbaar te maken. Tegelijk worden de voorwaarden voor een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) aangepast naar 500.000 tot 530.000 euro, zodat kopers van koopwoningen meer financieringsruimte en extra bescherming krijgen.

“Uit een Kamerbrief van minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening blijkt dat in het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen de komende jaren nog 164 miljoen euro beschikbaar is. Dat bedrag is bedoeld voor de realisatie van circa 3900 starterswoningen”

Betaalbare koopwoningen stimuleren

Tot nu toe is 36 miljoen euro aangevraagd voor 863 woningen. Daarmee is een deel van het fonds al in gebruik, terwijl nog veel capaciteit beschikbaar blijft voor nieuwe projecten in de markt.

Van het huidige budget is nog 64 miljoen euro direct beschikbaar. Dat is naar verwachting voldoende voor ongeveer 1500 starterswoningen. Daarnaast komt voor de periode 2029 tot en met 2034 nog eens 100 miljoen euro beschikbaar. Volgens het kabinet kunnen daarmee circa 2400 extra starterswoningen worden gerealiseerd. Voor ontwikkelaars en gemeenten is dat een belangrijk signaal dat de rijksoverheid de productie van betaalbare koopwoningen langer wil ondersteunen.

Marktwaarde en verkoopprijs

De regeling is bedoeld om het verschil tussen marktwaarde en verkoopprijs deels op te vangen. Daardoor kunnen ontwikkelaars koopwoningen aanbieden tegen een prijs die beter past bij de financiële positie van starters. Vooral in gebieden waar grondprijzen en bouwkosten hoog zijn, kan zo’n bijdrage helpen om projecten toch rond te rekenen. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat meer plannen voor starterswoningen financieel haalbaar kunnen worden gemaakt.

Het fonds speelt daarmee niet alleen een rol in de woningbouwproductie, maar ook in de doorstroming op de woningmarkt. Wanneer starters toegang krijgen tot betaalbare koopwoningen, ontstaat op andere plekken in de markt opnieuw beweging. Dat effect is voor veel gemeenten van belang, zeker waar de druk op het betaalbare segment al langere tijd groot is.

NHG en starterswoningen

Naast het fonds wijzigt ook de grens voor een hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie. In 2027 stijgt de NHG-grens van 470.000 euro naar 500.000 euro. Voor woningen waarbij aanvullende energiebesparende voorzieningen worden meegefinancierd, ligt die grens 6 procent hoger, op 530.000 euro. De eenmalige premie blijft gelijk op 0,4 procent. Daarmee blijft de regeling volgens het kabinet bereikbaar voor een brede groep huizenkopers.

De jaarlijkse vaststelling van de NHG-grens volgt een bestaande methode, waarbij de ontwikkeling van huizenprijzen wordt meegenomen. Voor kopers van koopwoningen betekent dit dat de garantie beter blijft aansluiten op de actuele markt. Dat is vooral van belang in regio’s waar de gemiddelde aankoopprijs al geruime tijd stijgt.

Ook op inhoudelijk niveau worden de voorwaarden aangepast. Voor grondgebonden woningen met energielabel E, F of G houdt NHG vanaf 1 januari standaard rekening met 20.000 euro extra financiering voor verduurzaming. Dit komt boven op de normale leenruimte. De extra lening is niet verplicht, maar biedt woningeigenaren wel de mogelijkheid om sneller energiebesparende maatregelen uit te voeren. Als het budget na twee jaar niet wordt gebruikt, vervalt deze ruimte automatisch. Dat maakt de regeling behoorlijk praktisch en duidelijk voor koper en financier.

Een tweede wijziging gaat over woningen met een verhoogd risico op funderingsschade. In zulke gevallen neemt NHG de verwachte herstelkosten mee in de beoordeling van de hypotheekaanvraag. Daardoor houden kopers meer financiële ruimte over voor mogelijk herstel. Zeker in oudere woongebieden kan dat een nuttige aanpassing zijn, omdat funderingsproblematiek daar steeds vaker meeweegt bij aankoop en financiering.

Marktwaarde en verkoopprijs

Voor de sector laten deze maatregelen zien dat het Rijk inzet op een combinatie van productie, betaalbaarheid en risicobeheersing. Het extra budget voor starterswoningen geeft ontwikkelaars meer kans om projecten op te starten of versneld uit te voeren. Tegelijk zorgt de verruiming van NHG ervoor dat kopers van koopwoningen meer zekerheid krijgen bij de financiering van hun woning.

Bron: Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Platform voor Bouw, Infra en Techniek