Home Blog

BPD neemt Blauwhoed over en vergroot positie op woningmarkt

0
BPD neemt Blauwhoed over en vergroot positie op woningmarkt

BPD neemt projectontwikkelaar Blauwhoed over en zet daarmee een volgende stap in de uitbreiding van activiteiten op de woningmarkt. Met de transactie haalt BPD niet alleen een nieuwe projectenportefeuille binnen, maar ook extra ontwikkelcapaciteit, acquisitiekracht en 45 medewerkers. Blauwhoed blijft daarbij onder eigen naam actief en opereert straks als zelfstandige dochter binnen de organisatie van BPD Europe.

Overname versterkt positie van BPD

Met de overname van Blauwhoed vergroot BPD zijn mogelijkheden om woningbouwprojecten en gebiedsontwikkelingen in Nederland sneller en breder op te pakken. Waar BPD | Bouwfonds Gebiedsontwikkeling vooral sterk staat in langjarige en grootschalige gebiedsontwikkeling, heeft Blauwhoed juist een ondernemende aanpak, een sterk conceptueel profiel en een stevige acquisitiepositie. Vooral in de Randstad heeft Blauwhoed in de afgelopen jaren een herkenbare marktpositie opgebouwd.

Volgens BPD past de overname in de groeistrategie van de onderneming. De combinatie van beide ontwikkelmodellen moet leiden tot meer slagkracht op de woningmarkt, zowel bij binnenstedelijke projecten als bij grotere uitbreidingslocaties. Daarmee wil BPD ook zijn bijdrage aan de nationale woningbouwopgave vergroten.

De overname betekent dat BPD een sterke woningportefeuille toevoegt, maar ook toegang krijgt tot aanvullende kennis en netwerken. Dat is vooral van belang in een markt waar locaties schaars zijn, procedures lang duren en de behoefte aan nieuwe woningen onverminderd hoog blijft. Door de acquisitiecapaciteit van Blauwhoed toe te voegen, ontstaat voor BPD meer ruimte om nieuwe kansen in een vroeg stadium te signaleren en te ontwikkelen.

Eerdere samenwerking tussen BPD en Blauwhoed

De samenwerking tussen BPD en Blauwhoed is niet nieuw. Beide partijen werken al samen in projecten als Kreekpark in Wilnis, Lisserbroek en Weespersluis in Weesp. Juist die bestaande praktijkervaring laat zien dat de organisaties elkaar op inhoud goed kunnen aanvullen. Daarbij gaat het niet alleen om ontwikkelstrategie, maar ook om thema’s als innovatieve woonconcepten, flexibele woonoplossingen, biobased ontwikkelen, netbewust bouwen, klimaatadaptatie en participatie.

Voor de sector is vooral van belang dat Blauwhoed zelfstandig blijft opereren. De onderneming behoudt de eigen naam, identiteit, organisatie en strategie. Binnen de governance-, risico- en compliancekaders van BPD Europe en Rabobank blijft Blauwhoed dus als apart bedrijfsonderdeel actief. Die keuze maakt duidelijk dat BPD niet uit is op volledige integratie, maar op versterking van het geheel met behoud van onderscheidend vermogen. Meer over de achtergrond van de bancaire groep staat op Rabobank.

Die opzet kan in de praktijk voordelen bieden. Blauwhoed kan zijn ondernemende cultuur en marktgerichte werkwijze behouden, terwijl het tegelijk profiteert van de schaal, kennis en financiële slagkracht van BPD. Andersom krijgt BPD toegang tot een ontwikkelaanpak die vaak sneller en directer inspeelt op kansen in de markt. Dat maakt de combinatie interessant voor gemeenten, grondeigenaren en andere partners in gebiedsontwikkeling.

Portefeuille van Blauwhoed in de Randstad

Het zwaartepunt van de portefeuille van Blauwhoed ligt in en rond de Randstad. De ontwikkelaar heeft een sterke aanwezigheid in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Die regionale spreiding sluit goed aan op de gebieden waar de druk op de woningmarkt groot is en waar de vraag naar zowel koop- als huurwoningen hoog blijft. De portefeuille omvat appartementen en grondgebonden woningen in meerdere segmenten.

Naast lopende projecten beschikt Blauwhoed ook over een acquisitiepijplijn met mogelijke nieuwe ontwikkelingen. Daarmee krijgt BPD niet alleen zicht op bestaande productie, maar ook op toekomstige groeikansen. Voor marktpartijen is dat een signaal dat de overname verder gaat dan alleen schaalvergroting. Het gaat ook om het veiligstellen van nieuwe posities in een concurrerende grond- en ontwikkelmarkt.

De overname van Blauwhoed kan daardoor invloed hebben op hoe projecten in de komende jaren naar de markt worden gebracht. Zeker in de Randstad, waar ruimtelijke druk, mobiliteitsvraagstukken en duurzaamheidseisen samenkomen, is een brede ontwikkelcapaciteit van groot belang. Door kennis en ervaring te bundelen, kunnen BPD en Blauwhoed beter inspelen op de eisen die overheden, bewoners en investeerders stellen aan nieuwe woonomgevingen.

Vervolgtraject

De transactie is nog wel onder voorbehoud van goedkeuring door de Autoriteit Consument & Markt en andere gebruikelijke voorwaarden.

Met Blauwhoed haalt BPD extra capaciteit in huis op het gebied van acquisitie, conceptontwikkeling en stedelijke woningbouw. Tegelijk blijft Blauwhoed zichtbaar als eigen merk in de markt.

Beeld: CEO’s Phillip Smits (Blauwhoed) en Harm Janssen (BPD Europe). Bron: BPD | Bouwfonds Gebiedsontwikkeling.

“Steeds meer werken door na hun AOW”

0
Meer werknemers blijven actief na de AOW leeftijd

Steeds meer werknemers blijven ook na het bereiken van de AOW leeftijd actief in loondienst. Nieuwe cijfers van het CBS laten zien dat deze ontwikkeling doorzet. Voor werkgevers is dat een kleine opsteker. Vooral omdat vakbekwaam personeel lastig te vinden is. Ervaren vakmensen, uitvoerders en ondersteunende krachten blijven langer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Tegelijk vraagt dit om goed personeelsbeleid, aandacht voor duurzame inzetbaarheid en een praktische kijk op instroom, uitstroom en kennisbehoud. Zeker ook in de bouw, infra en techniek.

“Medio 2026 was 1,7 procent ouder dan de AOW leeftijd”

96.000 werknemers werken door

1,7 procent ouder dan AOW leeftijd, dat komt neer op 152 duizend mensen. Ter vergelijking: in het eerste kwartaal van 2018 ging het nog om 1,2 procent. Oftewel 96 duizend werknemers. De stijging laat zien dat doorwerken na de AOW voor een groeiende groep normaal wordt. Voor bedrijven is dat van belang, omdat ervaring, vakkennis en inzetbaarheid van oudere medewerkers op veel plekken nog steeds hard nodig zijn.

Voor de praktijk van bouwen en uitvoering is dit een interessant gegeven. In sectoren waar personeelskrapte, specialistische kennis en projectdruk samenkomen, kan het doorwerken na de AOW helpen om continuïteit te houden in de organisatie. Denk aan functies waarin overzicht, veiligheidsbesef, planning en begeleiding van jongere collega’s een grote rol spelen. Juist daar kan een werknemer met veel praktijkervaring nog van grote waarde zijn.

Mannen vaker in loondienst na AOW-leeftijd

De cijfers maken ook duidelijk dat mannen vaker boven de AOW leeftijd in loondienst blijven dan vrouwen. Van alle mannelijke werknemers was 2,3 procent ouder dan de AOW-leeftijd. Bij vrouwen lag dat aandeel op 1,1 procent. Sinds 2018 zijn beide aandelen met ongeveer 0,5 procentpunt toegenomen. Dat betekent dat de opmars van werken na de AOW breed zichtbaar is, ook al blijven de verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan.

Dat de AOW-gerechtigde leeftijd sinds 2013 stapsgewijs is verhoogd tot 67 jaar, heeft de arbeidsmarkt zichtbaar veranderd. Toch is vooral opvallend dat ook boven die grens meer mensen actief blijven. De keuze om langer door te werken hangt vaak samen met gezondheid, plezier in het werk, binding met collega’s en de wens om betrokken te blijven. Voor werkgevers is het dus verstandig om niet alleen naar leeftijd te kijken, maar ook naar belastbaarheid, roosterwensen en inzet op maat.

In de bouw, infra en techniek kan dat bijvoorbeeld betekenen dat oudere werknemers minder zwaar fysiek werk doen. En juist meer bijdragen in werkvoorbereiding, begeleiding op de bouwplaats of kwaliteitscontrole. Zo kan AOW personeel een stabiele factor zijn binnen teams waar kennisoverdracht belangrijk is. Dat temeer omdat ook een groeiende groep, in de bouw en infra, gebruik maakt van de zwaarwerkregeling.

Lees verder onder de afbeelding.
Meer werknemers blijven actief na de AOW-leeftijd

Switch naar andere branche

Het CBS meldt verder dat in het tweede kwartaal ruim 20 duizend mensen ouder dan de AOW-leeftijd instroomden in een bedrijfstak. Dat was 1,3 procent van de totale instroom. Het gaat hier om werknemers die een jaar eerder nog niet in die branche werkten. Ongeveer de helft van deze instroom komt uit een andere bedrijfstak. De rest had eerder geen baan als werknemer.

Die mobiliteit is ook voor werkgevers in uitvoering en projectorganisaties interessant. Een deel van de oudere werknemers kiest er dus niet alleen voor om door te werken, maar stapt ook nog over naar een andere sector of organisatie. Dat kan kansen bieden voor bedrijven die behoefte hebben aan direct inzetbare mensen met werkervaring. Zeker in ondersteunende, coördinerende of controlerende functies kan een werknemer na de AOW snel waarde toevoegen.

Bij de uitstroom blijft het aandeel werknemers boven de AOW-leeftijd beperkt. Van alle uitstromers is 2,2 procent ouder dan de AOW-leeftijd. De groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd is duidelijk groter en komt uit op 14,4 procent. De grootste uitstroom zit nog altijd bij jongere werknemers onder de 25 jaar. Dat is logisch, omdat deze groep relatief vaak wisselt van baan, een opleiding afrondt of een nieuwe stap zet naar een andere bedrijfstak.

Verschillen per sector

De verschillen tussen sectoren zijn groot. In verhuur en handel van onroerend goed en in vervoer en opslag werken verhoudingsgewijs de meeste werknemers boven de AOW-leeftijd. Dit met respectievelijk 4,3 en 3,6 procent. In openbaar bestuur en overheidsdiensten en in informatie en communicatie liggen die aandelen juist laag, op 0,6 en 0,7 procent. Deze spreiding laat zien dat de ruimte voor langer doorwerken sterk samenhangt met het soort werk, de organisatievorm en de personeelsvraag.

De uitstroom onder oudere groepen bestaat voor een groot deel uit pensionering. Voor mensen boven de AOW-leeftijd geldt dat het grootste deel stopt vanwege pensioen. Toch gaat nog 9 procent na het bereiken van de AOW aan de slag in een andere bedrijfstak. In de groep van 55 jaar tot de AOW-leeftijd stroomt 37 procent uit naar pensioen, 22 procent naar een uitkering en 20 procent naar een andere bedrijfstak.

Wanneer gaat jouw AOW gerechtigde leeftijd in? Je AOW-leeftijd bereken je hier.

Bron: CBS, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Arbeidsinspectie ziet nog te veel risico’s bij nachtwerk

0
Arbeidsinspectie ziet veel risico’s bij nachtwerk

Werkgevers in sectoren waar veel in de nacht wordt gewerkt, nemen de risico’s van nachtwerk nog te vaak onvoldoende mee in hun arbobeleid. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de Arbeidsinspectie. Ook oor de bouw, infra en techniek is dat een belangrijk signaal. Ook op bouwplaatsen, in productieomgevingen, bij logistieke stromen en in technisch beheer komt werken buiten reguliere tijden voor. Juist dan moet je als werkgever goed onderbouwen waarom nachtwerk nodig is, welke risico’s daarbij horen en hoe je werknemers daartegen beschermt.

Onderzoek Arbeidsinspectie

De Arbeidsinspectie onderzocht in totaal 285 werkgevers in sectoren waar veel ’s nachts wordt gewerkt, waaronder industrie, transport, zorg, horeca en distributie. Van deze groep zijn 193 werkgevers bezocht binnen het onderzoek Arbo in Bedrijf. Daarnaast zijn 92 werkgevers geïnspecteerd op de naleving van de arbozorg en de Arbeidstijdenwet. Bij 58 bedrijven is handhavend opgetreden vanwege tekortkomingen in de arbozorg, overtredingen van de Arbeidstijdenwet of een combinatie van beide. Opvallend is dat bij 20 procent van de bezochte werkgevers permanent in de nacht wordt gewerkt, terwijl dat volgens de regels maar zelden is toegestaan.

Waarom wordt er gekozen voor nachtwerk?

Uit het onderzoek blijkt dat bij 46 procent van de onderzochte werkgevers vooral economische redenen een rol spelen. Het gaat dan om het halen van productiedoelen, het bedienen van klanten of het beter benutten van installaties en processen. Voor bedrijven kan dat op korte termijn aantrekkelijk zijn, maar de keerzijde is dat de belasting van werknemers toeneemt.

De gezondheidsrisico’s van nachtwerk komen in de praktijk vaak bij de werknemer terecht Dit terwijl een deel van de maatschappelijke kosten later elders landt. Bijvoorbeeld in de zorg of via uitval op de arbeidsmarkt.

Aard en noodzaak van het werk

Bij 41 procent van de werkgevers is nachtwerk volgens het onderzoek gekoppeld aan de aard van het werk. Dat geldt vooral voor functies waarbij directe inzet nodig is, zoals in de zorg, bij hulpdiensten of in processen die niet stilgezet kunnen worden. Ook in bouw, techniek en vooral de infra zijn er situaties waarin doorwerken in de nacht voorkomt. Bijvoorbeeld bij spoorwerk, wegwerkzaamheden, onderhoud aan vitale installaties of logistieke operaties die overdag niet mogelijk zijn. Juist in die context vraagt nachtwerk om een stevige risicoafweging en een goed plan van aanpak.

Bijna negen op de tien werkgevers geven aan dat zij weinig mogelijkheden zien om nachtwerk verder terug te dringen. Dat beeld laat zien dat nachtwerk in veel organisaties als vast onderdeel van de bedrijfsvoering is gaan voelen. Toch vraagt de Arbeidsinspectie om een andere houding. Werkgevers moeten eerst nagaan of het werk echt in de nacht moet gebeuren. Als dat niet zo is, dan ligt het voor de hand om planningen, levermomenten of productieprocessen anders in te richten.

Tekortschietende aanpak

De inspectieresultaten laten zien dat de risico-inventarisatie en evaluatie bij veel werkgevers niet op orde is. Bij 54 procent van de geïnspecteerde bedrijven is nachtwerk niet als apart risico opgenomen. Dat is een serieus gemis, omdat werken in de nacht andere belasting geeft dan werk overdag. Denk aan verstoring van het bioritme, minder hersteltijd, vermoeidheid en een grotere kans op fouten. In omgevingen met machines, verkeer, hijswerk of technische installaties kan dat direct gevolgen hebben voor de veiligheid op de bouwplaats en werkvloer.

Ook in het plan van aanpak schiet de uitwerking vaak tekort. Bij 69 procent van de geïnspecteerde werkgevers ontbreken concrete maatregelen. Daarmee blijft onduidelijk hoe een organisatie werknemers wil beschermen, hoe roosters gezond worden ingericht en hoe toezicht wordt georganiseerd. Voor bedrijven is dat een belangrijk aandachtspunt. Een algemene verwijzing naar werkoverleg of rustpauzes is niet genoeg. Er zijn gerichte maatregelen nodig die passen bij de duur, frequentie en zwaarte van het nachtwerk.

Voorlichting over risico’s nachtwerk

Verder blijkt dat de voorlichting aan werknemers niet altijd goed verloopt. Volgens 63 procent van de geïnspecteerde werkgevers worden werknemers geïnformeerd over de risico’s van nachtwerk. Toch zegt slechts ongeveer de helft van de geïnterviewde werknemers die informatie ook echt te hebben ontvangen. Dat verschil is veelzeggend. Voorlichting moet niet alleen formeel geregeld zijn, maar ook aantoonbaar aankomen op de werkvloer. Dat vraagt om heldere communicatie, toolboxen, werkplekinstructies en leidinggevenden die controleren of afspraken ook worden begrepen.

Gezondheid, inzetbaarheid en productiviteit bij nachtwerk

In Nederland werken ongeveer 1,2 miljoen mensen soms of regelmatig in de nacht. Dat maakt het onderwerp breed relevant, ook voor werkgevers die met flexibele planningen, storingsdiensten of projectmatige uitvoering werken. Nachtwerk verstoort het natuurlijke dag- en nachtritme. Daardoor neemt de kans toe op slaapproblemen, hart- en vaatziekten en diabetes type 2. Daarnaast zorgt vermoeidheid voor minder alertheid, wat weer kan leiden tot meer arbeidsongevallen.

Voor de bouw, infra en techniek is dat geen abstract risico. Wie werkt met zwaar materieel, op hoogte, langs wegen en spoor of in afgesloten technische ruimten, weet dat concentratie en reactievermogen direct samenhangen met veiligheid. Vermoeidheid bouwt zich vaak ongemerkt op. Dat maakt het nodig om roosters, rusttijden en taakverdeling heel precies te organiseren. Ook moet je rekening houden met reistijd, de mogelijkheid om te herstellen en de belasting over meerdere nachten achter elkaar. Zeker bij langdurige projecten kan een ogenschijnlijk werkbaar rooster na verloop van tijd toch te zwaar blijken.

Beperken?

Dat de Gezondheidsraad al in 2017 adviseerde om nachtwerk waar mogelijk te beperken, laat zien dat de kennis hierover niet nieuw is. Wat nu vooral opvalt, is dat het aandeel nachtwerkers niet afneemt. Daarmee blijft de druk op werkgevers bestaan om scherper te kijken naar noodzaak, planning en bescherming. Er is dus werk aan de winkel, maar ook ruimte voor verbetering als opdrachtgevers en uitvoerende partijen eerder in het proces keuzes maken.

Minder nachtwerk en betere bescherming

Volgens de Arbeidsinspectie ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij de individuele werkgever. Ook opdrachtgevers, werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en de overheid hebben invloed op de mate waarin nachtwerk voorkomt. In aanbestedingen, onderhoudscontracten en projectplanningen worden keuzes gemaakt die direct gevolgen hebben voor werktijden. Als opdrachtgevers zeer korte doorlooptijden eisen of werkzaamheden alleen buiten openingstijden willen laten uitvoeren, dan neemt de druk op nachtelijke inzet toe.

Voor bedrijven betekent dit dat je al in de voorbereidingsfase moet toetsen of nachtwerk echt nodig is. Soms kan een andere fasering, een slim logistiek venster of een aangepaste afstemming met omgeving en beheerder voldoende zijn om nachtwerk te beperken. Als werken in de nacht toch nodig is, dan vraagt dat om goede arbozorg. Stipte naleving van de Arbeidstijdenwet en duidelijke afspraken over toezicht, pauzes, vervoer en herstel. Dat klinkt wellicht vanzelfsprekend, maar de onderzoeksresultaten laten zien dat dit nog niet overal goed gaat.

De oproep van de Arbeidsinspectie is daarom helder. Voorkom nachtwerk waar dat kan en bescherm werknemers goed waar het moet. Voor de sector is dat niet alleen een verplichting vanuit wet- en regelgeving, maar ook een praktische manier om uitval, fouten en ongevallen te beperken.

Bron: Nederlandse Arbeidsinspectie.

Minder transformatiewoningen door daling herbestemming bestaand vastgoed

0

Het aantal transformatiewoningen is in 2025 opnieuw gedaald. Daarmee zet een ontwikkeling door die voor de bouw- en vastgoedsector al vier jaar zichtbaar is. Uit nieuwe cijfers van het CBS blijkt dat 6,4 duizend woningen zijn ontstaan uit aanpassingen van bestaande panden. Dat zijn er fors minder dan een jaar eerder.

“Van de woningen die in 2025 aan de voorraad zijn toegevoegd, is 7 procent transformatiewoning”

Vorig jaar 9 procent

In 2024 lag dat aandeel nog op 9 procent. De totale groei van de woningvoorraad komt nog steeds vooral uit nieuwbouw. In 2025 ging het daarbij om 69 duizend woningen. Daarnaast kwamen er 12 duizend woningen bij via andere toevoegingen, zoals woningsplitsing. Toch blijven transformatiewoningen een relevant onderdeel van de woningproductie, juist omdat ze vaak sneller kunnen worden gerealiseerd dan volledige nieuwbouw op een lege locatie.

De nieuwste cijfers, afkomstig van het CBS, zijn opgesteld op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor de uitvoeringspraktijk geven deze data meer inzicht in de mate waarin woningen uit bestaande panden nog bijdragen aan de landelijke bouwopgave.

Daling van transformatiewoningen

Met 6,4 duizend opgeleverde woningen uit transformatie ligt het volume in 2025 19 procent lager dan in 2024. Daarmee is sprake van het vierde jaar op rij waarin het aantal transformaties afneemt. Dat is een duidelijke trend, geen tijdelijke afwijking. Voor marktpartijen betekent dit dat de productie van woningen uit bestaande panden moeilijker op gang blijft dan enkele jaren geleden nog werd verwacht.

De afname raakt niet alleen de aantallen, maar ook het relatieve belang van dit segment binnen de totale woningbouwproductie. Waar transformatiewoningen eerder een zichtbare aanvulling vormden op nieuwbouw, verschuift het zwaartepunt nu verder richting traditionele bouwproductie. Dat heeft gevolgen voor ontwikkelaars, aannemers en adviseurs die zich hebben gespecialiseerd in herontwikkeling, functiewijziging en binnenstedelijke verdichting.

Tegelijk laat een eerste raming voor 2026 zien dat in het eerste halfjaar bijna 3 duizend woningen via transformatie zijn toegevoegd. Dat wijst erop dat de markt niet stilvalt. Wel blijft het niveau gematigd. Voor de sector is daarom vooral de vraag welke projecttypen nog wel haalbaar zijn en onder welke voorwaarden nieuwe transformatiewoningen rendabel kunnen worden uitgewerkt.

Minder transformatiewoningen

Private huursector levert minder transformatiewoningen op

Opvallend in de nieuwe cijfers is de sterke terugval in de private huursector. Juist daar zijn in 2025 veel minder woningen uit transformatie opgeleverd. Dat is relevant, omdat veel eerdere transformatieprojecten juist in dit segment werden ontwikkeld. Denk aan voormalige kantoorgebouwen, winkelpanden of gemengd stedelijk vastgoed dat na functiewijziging een woonprogramma kreeg met compacte appartementen voor verhuur.

De daling in de private huur kan samenhangen met een combinatie van factoren. Hogere financieringslasten, strengere rendementseisen, oplopende bouwkosten en onzekerheid over exploitatie kunnen de haalbaarheid van transformatieprojecten onder druk zetten. Ook aanvullende eisen rond brandveiligheid, geluid, daglichttoetreding en installatietechniek maken herbestemming in veel gevallen technisch ingewikkeld en kostbaar. Daardoor worden plannen later uitgevoerd of soms helemaal niet meer gestart.

Voor uitvoerende partijen is dat een bekend beeld. Transformatie vraagt vaak om maatwerk in constructie, installaties en logistiek. Bij bestaande gebouwen komen verrassingen in de uitvoering vaker voor dan bij seriematige nieuwbouw. Dat vergroot het risico in planning en begroting. Toch blijven transformatiewoningen interessant, omdat ze een functie geven aan bestaand vastgoed en bijdragen aan duurzamer ruimtegebruik in stedelijk gebied.

Minder woningen uit bestaande panden zoals kantoren en winkels

De daling is vooral zichtbaar bij pandtypen die in eerdere jaren juist een grote rol speelden, zoals voormalige kantoren. Minder woningen in oude kantoorlocaties betekent dat een belangrijk kanaal voor binnenstedelijke toevoeging afzwakt. Ook winkels en andere utiliteitsgebouwen leveren minder vaak nieuwe woonruimte op. Dat is een belangrijke ontwikkeling voor gemeenten die herstructurering van centra, kantoorlocaties en gemengde stadswijken op de agenda hebben staan.

De praktijk leert dat lang niet ieder leegstaand gebouw geschikt is voor woningbouw. Een pand moet niet alleen juridisch en planologisch kunnen worden omgezet, maar ook bouwkundig voldoende kwaliteit hebben. De diepte van de plattegrond, de positie van kernen, de draagstructuur en de gevelindeling bepalen of een gezond woonmilieu mogelijk is. Daarbij spelen ook eisen rond energieprestatie en ventilatie een grote rol.

Minder transformatiewoningen

Zuid-Holland ziet sterke terugval

Regionaal valt op dat Zuid-Holland ruim een derde minder woningtransformaties telde dan een jaar eerder. Dat is een forse daling in een provincie waar de druk op de woningmarkt groot is en waar veel stedelijke verdichting plaatsvindt. Juist in deze regio werden de afgelopen jaren veel projecten gerealiseerd in bestaande stedelijke gebieden. De terugval kan daarom doorwerken in de lokale programmering van gemeenten en in de werkvoorraad van marktpartijen.

Transformatie is sterk afhankelijk van lokale marktomstandigheden, leegstand, grondwaarden, gemeentelijk beleid en de aanwezigheid van geschikte panden. In provincies met veel verouderd commercieel vastgoed kan herbestemming nog steeds kansen bieden, maar de uitkomst verschilt per stad, wijk en object.

Vooruitzichten 2026

De eerste schatting voor 2026 geeft aan dat in de eerste zes maanden bijna 3 duizend woningen via transformatie zijn toegevoegd. Dat biedt enig houvast, al is het nog te vroeg om van een herstel te spreken. De markt voor transformatiewoningen blijft gevoelig voor rente, regelgeving en uitvoerbaarheid. Tegelijk is de behoefte aan extra woningen onveranderd groot, zeker in stedelijke gebieden waar ruimte schaars is.

Daarom blijft transformatie een serieus instrument binnen de bredere woningbouwopgave. Niet als vervanging van nieuwbouw, maar als aanvulling met een eigen profiel. Projecten in bestaand vastgoed kunnen bijdragen aan versnelling, gebiedsvernieuwing en slimmer ruimtegebruik. Vooral als publieke en private partijen vroeg samenwerken aan haalbare programma’s, technische kwaliteit en een realistische exploitatie, kunnen nieuwe transformatiewoningen weer vaker van de grond komen.

Bron: CBS.

Top 25 duurzame aanbesteders laat daling zien in duurzaam gunnen

0
Top 25 duurzame aanbesteders laat daling zien in duurzaam gunnen

De nieuwe Top 25 van duurzame aanbesteders laat een dubbel beeld zien. Aan de ene kant vallen sterke stijgers op, zoals Universiteit Utrecht, provincie Zuid-Holland en gemeente Helmond. Aan de andere kant daalt duurzaam aanbesteden voor het eerst sinds de start van de ranglijst. Voor bouwbedrijven, opdrachtgevers en inkopers is dat een belangrijk signaal. De cijfers maken duidelijk dat publieke opdrachtgevers nog vaak duurzaamheid opnemen in hun uitvraag, maar dat zij minder vaak echt belonen op kwaliteit, emissiebeperking, MKI en andere duurzame prestaties, zo bericht Bouwend Nederland.

Duurzame aanbesteders? “Opdrachtgevers gunnen minder op duurzaamheid en kiezen voor laagste prijs”

Daling in duurzaam aanbesteden zet door

De Top 25 van het Aanbestedingsinstituut van Bouwend Nederland laat zien dat de gemiddelde score van de best presterende opdrachtgevers is gezakt van 3,98 naar 3,83. Daarmee daalt het niveau van duurzaam aanbesteden voor het eerst in acht jaar tijd. Dat is opvallend, omdat het totale aantal aanbestedingen in 2025 juist steeg naar 1.724. Toch werden slechts 709 opdrachten gegund op duurzaamheid. Het aandeel duurzame gunningen daalde daarmee van 46,9 naar 41,1 procent.

Vooral in de infrasector is die ontwikkeling zichtbaar. Opdrachtgevers kiezen daar vaker voor gunning op laagste prijs. Dat aandeel steeg van 30 naar 34 procent. Tegelijk nam het aantal aanbestedingen af waarin duurzaamheid zwaar meeweegt in de beoordeling. Juist dat gewicht bepaalt of een aannemer met een beter duurzaam aanbod ook echt meer kans maakt op de opdracht. Voor bedrijven die investeren in schoon materieel, circulaire materialen en innovatie is dat geen goed nieuws.

Volgens Bouwend Nederland zit de groei van duurzaam aanbesteden nu vooral in voorschriften. Die schrijven een minimumniveau voor, maar geven geen extra waardering aan partijen die verder gaan. Daardoor neemt de prikkel om te investeren af. Dat effect is nog sterker wanneer een opdrachtgever eerst duurzame eisen stelt en daarna alsnog op laagste prijs gunt. In de praktijk levert dat voor veel aannemers een lastige markt op.

Gelukkig geven stijgers in de Top 25 ander signaal af

Tegen die neergaande lijn in laat de Top 25 ook zien dat verbetering wel degelijk mogelijk is. Universiteit Utrecht maakt de grootste sprong. De kennisinstelling stond vorig jaar nog op plaats 80 met een score van 2,00 en stijgt nu naar plaats 23 met 3,27. Daarmee laat zij zien dat ook opdrachtgevers buiten de klassieke infra- en bouwportefeuille een serieuze rol kunnen spelen bij verduurzaming van de bouw en infraketen.

Lees verder onder de afbeelding.
Top 25 duurzame aaanbesteders

Provincie Zuid-Holland is een andere opvallende stijger. De provincie stond twee jaar geleden nog op plaats 62 en vorig jaar op plaats 21. Nu deelt Zuid-Holland de derde plaats met een score van 4,50. Die stijging hangt samen met een gerichtere inzet op duurzame gunningscriteria en een duidelijkere vertaling van beleidsdoelen naar concrete aanbestedingen. Daarmee laat deze Top 25 zien dat leren en bijsturen effect heeft op de uitkomst.

Ook gemeente Helmond laat een sterk resultaat zien. De gemeente steeg van plaats 20 naar een gedeelde derde plaats met eveneens 4,50. Vooral in het vierde kwartaal van 2025 zette Helmond nog een forse stap. Van de vier aanbestedingen in die periode kregen er drie de hoogste score. De gemeente beloont bedrijven die extra emissiebeperking aanbieden en past daarnaast instrumenten toe zoals MKI, innovatie en contractuele afspraken voor extra verduurzaming.

Noord-Brabant en Eindhoven voeren Top 25 aan

Aan de top van de ranglijst verandert minder. Provincie Noord-Brabant staat voor de achtste keer op rij op de eerste plaats, opnieuw met een score van 5,64. Daarmee blijft de provincie een stabiele koploper onder de duurzame aanbesteders. Gemeente Eindhoven stijgt van plaats 7 naar plaats 2 met een score van 4,75. Ook dat is een sterke prestatie, zeker in een jaar waarin veel andere opdrachtgevers juist lager uitkomen.

De Top 25 maakt daarmee duidelijk dat koploperschap mogelijk blijft, ook in een markt waarin prijsdruk zichtbaar aanwezig is. Voor de uitvoerende partijen is dat relevant, omdat opdrachtgevers aan de bovenkant van de lijst vaker ruimte bieden aan duurzame meerwaarde in de aanbieding. Dat vergroot de kans dat investeringen in emissieloos materieel, circulair werken en CO2-reductie ook daadwerkelijk worden terugverdiend.

Uit de eerste registraties over 2026 blijkt dat de dalende lijn mogelijk doorzet. Dat maakt de uitkomsten van deze Top 25 extra belangrijk voor de sector. Voor opdrachtgevers ligt er een duidelijke opgave om duurzaamheid niet alleen op papier op te nemen, maar ook echt te waarderen in de gunning.

Meer informatie over onder meer de puntentelling in de Top 25.

Bron en infographic: Bouwend Nederland.

Milo Schoenmaker nieuwe voorzitter Adviescollege Veiligheid Groningen

0
Milo Schoenmaker voorgedragen als voorzitter van Adviescollege Veiligheid Groningen

De voordracht van Milo Schoenmaker als voorzitter van het Adviescollege Veiligheid Groningen markeert een volgende stap in de bestuurlijke continuïteit rond de veiligheidsaanpak in Groningen. Het adviescollege speelt een belangrijke rol in het beoordelen van veiligheidsvraagstukken. Die betreffen met name het schadeherstel en de versterkingsopgaven in het aardbevingsgebied. Met de keuze voor Milo Schoenmaker lijkt het kabinet te sturen op bestuurlijke ervaring, stabiliteit en een zorgvuldige afweging van publieke belangen.

De ministerraad heeft ingestemd met de voordracht van Milo Schoenmaker als voorzitter van het Adviescollege Veiligheid Groningen. Sinds maart 2026 vervult Milo Schoenmaker deze functie al op interim-basis. Met de voordracht wordt zijn betrokkenheid nu voor langere tijd voortgezet. De benoeming moet nog formeel worden bekrachtigd via koninklijk besluit en geldt daarna voor een periode van vier jaar.

Het Adviescollege Veiligheid Groningen, vaak aangeduid als ACVG, adviseert over veiligheidsrisico’s die samenhangen met de gevolgen van gaswinning in Groningen. Daarbij gaat het onder meer om de veiligheid van woningen, utiliteitsbouw en bredere ruimtelijke vraagstukken. De voorzitter van het college heeft daarom een zichtbare positie binnen een dossier waarin techniek, bestuur en maatschappelijke belangen samenkomen.

Bestuurlijke ervaring Milo Schoenmaker

Milo Schoenmaker brengt een lange loopbaan in het openbaar bestuur mee. Hij begon als wethouder in Haarlemmermeer in de periode van 1998 tot 2003. Daarna was hij burgemeester van Bussum van 2003 tot 2012 en vervolgens burgemeester van Gouda van 2012 tot 2019. Die functies vragen om bestuurlijke regie, publieke verantwoording en gevoel voor complexe dossiers, eigenschappen die ook binnen het Adviescollege Veiligheid Groningen van groot belang zijn.

Na zijn periode als burgemeester stond Milo Schoenmaker van 2019 tot 2025 aan het roer als bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Daar werkte hij in een omgeving met grote politieke en maatschappelijke druk. Ook was hij vicevoorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur en voorzitter van de vierde denktank van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Deze achtergrond laat zien dat Milo Schoenmaker gewend is om te opereren op het snijvlak van beleid, uitvoering en toezicht.

Breder takenpakket

Naast zijn werkzaamheden voor het Adviescollege Veiligheid Groningen heeft Milo Schoenmaker nog andere bestuurlijke taken. Zo werkt hij aan een advies over de toekomst van het asiel- en migratielandschap. Die opdracht voert hij uit op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en in samenwerking met ABDTOPconsult. De afronding van dat advies staat gepland voor eind 2026.

Daarnaast is hij voorzitter van enkele raden van toezicht binnen de volkshuisvesting en de gezondheidszorg. Dat maakt duidelijk dat hij ervaring heeft met governance vraagstukken in sectoren waar publieke belangen zwaar wegen. Voor het Groningse veiligheidsdossier is dat niet onbelangrijk, omdat ook daar toezicht, legitimiteit en draagvlak een grote rol spelen. Tegelijk vraagt zo’n breed takenpakket om goede prioritering en strakke afstemming.

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wikipedia. Foto: ACVG.

Build Europe Award voor Groene Loper in Maastricht

0
Build Europe Award voor Groene Loper in Maastricht

De Groene Loper in Maastricht heeft in Napels een Build Europe Award ontvangen en daarmee opnieuw internationale waardering gekregen voor Nederlandse gebiedsontwikkeling. Voor de bouw- en vastgoedsector is deze onderscheiding meer dan een symbolische prijs. Het project laat zien hoe een zware infrastructurele ingreep kan uitgroeien tot een samenhangende stedelijke ontwikkeling met woningen, groen, voorzieningen en blijvende maatschappelijke waarde. Voor professionals in ontwerp, uitvoering, ontwikkeling en bestuur is de Groene Loper daarmee een relevant referentieproject voor duurzame verstedelijking en publiek-private samenwerking.

Nederlandse aanpak krijgt Europees podium

Met de onderscheiding voor de Groene Loper krijgt niet alleen Maastricht internationale aandacht, maar ook de Nederlandse aanpak van integrale gebiedsontwikkeling. De Build Europe Award is bedoeld voor projecten die opvallen door architectonische kwaliteit, duurzaamheid, innovatie en een aantoonbaar positief effect op hun omgeving. Dat juist de Groene Loper deze erkenning ontvangt, past binnen een bredere waardering voor projecten waarin infrastructuur, leefbaarheid en stedelijke kwaliteit met elkaar zijn verbonden.

De basis van het project ligt in een ingrijpende aanpassing van de voormalige Rijksweg A2. Door deze verkeersas ondergronds te brengen, ontstond bovengronds ruimte voor een nieuw stadsdeel. Daarmee verdween een fysieke en mentale scheiding tussen buurten die jarenlang door een drukke verkeersroute van elkaar waren gesplitst. Op de vrijgekomen ruimte is een gebied ontstaan dat zich richt op wonen, verblijven, ontmoeten en bewegen. Dat maakt de ontwikkeling relevant voor gemeenten en marktpartijen die zoeken naar oplossingen voor verdichting zonder verlies van leefkwaliteit.

Volgens Build Europe sluit het project goed aan op de Europese opgave om steden gezonder, duurzamer en beter verbonden te maken. De prijsuitreiking in Napels geeft de Groene Loper een internationaal podium en versterkt de positie van Nederland als land met kennis van complexe stedelijke transformatie.

Van verkeerscorridor naar stedelijke kwaliteit

Wat de Groene Loper bijzonder maakt, is de schaal en de samenhang van de gebiedsontwikkeling. Het gaat niet alleen om het verplaatsen van verkeer naar een tunnel, maar om een volledige herinrichting van het stedelijk gebied op en rond het tunneldek. De ontwikkeling omvat circa 1.200 woningen, een stadspark van 2,5 kilometer en ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, horeca en commercieel vastgoed. Daarmee is een voormalig infrastructuurgebied veranderd in een gemengd en toekomstbestendig stadsdeel.

Waar voorheen geluid, uitstoot en verkeersdruk het straatbeeld bepaalden, is nu ruimte ontstaan voor groenstructuren, langzaam verkeer en een prettige openbare ruimte. Dat draagt bij aan gezondheid, biodiversiteit en een betere gebruikswaarde van het gebied. Juist die integrale benadering maakt de Groene Loper tot een project dat verder gaat dan traditionele binnenstedelijke herontwikkeling.

Ook in bouwkundig en stedenbouwkundig opzicht is de ontwikkeling interesant. De programmering combineert woningbouw met publieke ruimte en voorzieningen, waardoor een stedelijk milieu ontstaat dat meerdere functies ondersteunt. Voor ontwikkelaars en aannemers laat dit zien dat gebiedsontwikkeling steeds vaker vraagt om langjarige fasering, nauwe afstemming met overheden en een ontwerpbenadering waarin infrastructuur, vastgoed en openbare ruimte als één opgave worden gezien.

Samenwerking draagt Groene Loper naar succes

De Groene Loper is ontwikkeld door Ballast Nedam Development en de gemeente Maastricht, samen met diverse partners. Die publiek-private samenwerking vormt een belangrijk fundament onder het resultaat. Grote infrastructurele projecten met een stedelijke component vragen om investeringen over een lange periode, bestuurlijke continuïteit en duidelijke afspraken over kwaliteit, programma en uitvoering. In Maastricht is die gezamenlijke lijn vastgehouden, ook toen de opgave complex en langdurig bleek.

Voor de sector is dat een belangrijk signaal. Gebiedsontwikkeling op dit niveau lukt alleen wanneer publieke en private partijen niet uitsluitend vanuit hun eigen belang opereren, maar een gezamenlijke visie uitwerken en volhouden. Juist daardoor kon een verkeerskundige maatregel uitgroeien tot een bredere stedelijke verbetering. De maatschappelijke meerwaarde zit niet alleen in de vastgoedproductie, maar ook in de structurele verbetering van de leefomgeving en de herverbinding van buurten.

Onno Dwars, CEO van Ballast Nedam Development, stelt dat de Europese prijs laat zien wat mogelijk is wanneer lef, visie en uitvoering samenkomen. Volgens hem bewijst de Groene Loper dat gebiedsontwikkeling meer is dan het toevoegen van woningen alleen. Het gaat ook om het versterken van de kwaliteit van leven voor bewoners, gebruikers en toekomstige generaties. Daarmee positioneert het project zich als een sterk Nederlands voorbeeld binnen het Europese debat over duurzame stedelijke ontwikkeling.

Nationale en Europese waardering

De recente Europese erkenning volgt op een eerdere nationale bekroning. In mei 2026 won de Groene Loper al de NEPROM-prijs voor locatieontwikkeling. De jury sprak toen waardering uit voor de gedurfde keuze om de autoweg ondergronds te brengen en voor het positieve effect daarvan op de stad. Daarbij speelden verbeteringen in leefkwaliteit, gezondheid, biodiversiteit en de verbinding tussen omliggende buurten een grote rol.

Met de Build Europe Award krijgt die nationale waardering nu een internationaal vervolg. Voor de Nederlandse bouw- en ontwikkelsector is dat van betekenis, omdat het laat zien dat lokale vakkennis en uitvoeringskracht ook op Europees niveau meetellen. De Groene Loper wordt daardoor niet alleen gezien als een sterk project voor Maastricht, maar ook als een exporteerbaar voorbeeld van hoe integrale gebiedsontwikkeling kan bijdragen aan stedelijke transformatie.

Fahid Minhas, directeur van NEPROM, ziet de prijs als erkenning voor de kwaliteit van de locatie en voor de manier waarop een complexe infrastructurele ingreep is vertaald naar een leefbare stad. Volgens hem laat de Groene Loper zien wat mogelijk wordt wanneer publieke en private partijen hun krachten bundelen en over langere tijd vasthouden aan een gedeelde koers. Voor Nederlandse steden die voor vergelijkbare opgaven staan, is dat een bruikbaar referentiepunt.

Waarom Groene Loper ook Europees navolging krijgt

De kracht van de Groene Loper zit in de combinatie van uitvoerbaarheid, stedelijke kwaliteit en maatschappelijke opbrengst. Veel Europese steden zoeken naar manieren om bestaande infrastructuur beter in te passen, buurten opnieuw te verbinden en tegelijk woningbouw toe te voegen. Dit project maakt zichtbaar dat zulke doelen niet los van elkaar hoeven te staan. Door infrastructuur ondergronds te organiseren en bovengronds te investeren in een compleet stedelijk programma, ontstaat een gebied dat zowel functioneel als aantrekkelijk is.

Bron en beeld: Ballast Nedam Ontwikkeling.

Daglicht in ruimtes zonder ramen. Zo breng je het buitengevoel naar binnen

0
Daglicht in ruimtes zonder ramen

Te weinig (of zelfs helemaal geen) daglicht is een veelvoorkomend probleem binnen de utiliteitsbouw. Hierbij kan worden gedacht aan inpandige ruimtes, zoals kantoren, wachtkamers en behandelruimtes, maar ook aan kelders en wandelgangen. Op een plek zonder natuurlijk licht is het lastiger om je te concentreren en voel je je sneller vermoeid. Daglicht speelt immers een essentiële rol in ons dag- en nachtritme, en ons algehele welzijn. Juist in panden waar een gebrek is aan licht maakt het soort verlichting een wezenlijk verschil. Het type verlichting heeft dan een nog grotere impact op de beleving van een ruimte.

Hoe kunstmatig daglicht een oplossing kan bieden

In een ruimte zonder of met beperkt daglicht is het uiterst belangrijk om niet alleen voldoende licht te creëren, maar ook om te kiezen voor de juiste lichtbronnen. Denk hierbij aan de juiste lichtintensiteit en kleur. Een veelgebruikte oplossing is kunstmatig daglicht. Bij dit type lichtbron wordt zonlicht zo goed mogelijk nagebootst, inclusief de bijbehorende positieve eigenschappen.

Wolkenplafonds (praktijkvoorbeeld)

Een goed voorbeeld van kunstmatige verlichting is het LED wolkenplafond, dat niet alleen voor een egaal natuurlijk licht zorgt, maar ook de illusie wekt dat het licht echt van buiten komt. OpenCeilings maakt hiervoor gebruik van edge-lit technologie, in combinatie met LED fotopanelen. Niet alleen wordt zo het effect van daglicht nagebootst, maar de panelen geven bezoekers het gevoel via een dakraam naar de blauwe lucht te kijken.

De verlichte fotopanelen kunnen worden geïntegreerd in een standaard systeem- of rasterplafond, zoals die van een wachtkamer of hal. Dankzij de modulaire panelen van 60 x 60 cm en 60 x 120 cm stel je eenvoudig een formaat samen dat past bij de ruimte. De hoge resolutie foto’s en de edge-lit technologie brengen zo een donkere en/of klinische kamer als het ware tot leven.

Verlichting via het plafond of een wand

OpenCeilings heeft niet alleen een oplossing bedacht voor het toevoegen van daglicht aan het plafond, maar deze daglichtervaring is ook mogelijk voor wanden. Dit is ideaal voor ruimtes waar een plafondoplossing niet past, maar wel behoefte is aan een warme en prettige vorm van verlichting. Dit kan de behandelkamer van een ziekenhuis of tandartsenpraktijk zijn, waarbij de fotopanelen zorgen voor een prettige afleiding. Kunstmatig daglicht is echter ook zeer geschikt voor kantoren, onderwijslocaties en de horeca. Want met een minimale renovatie kan zo een totaal andere sfeer worden neergezet.

Wat daglicht verlichting zo bijzonder maakt

Kunstmatig daglicht onderscheidt zich van andere lichtbronnen door het dynamische karakter. Zo beweegt de verlichting van de wolkenplafond LED-panelen van OpenCeilings mee met het natuurlijke dagritme, wat ook wel Human Centric Lighting (HCL) wordt genoemd. HCL bootst dus niet alleen de intensiteit en temperatuur van zonlicht na, het past zich zelfs aan op het natuurlijke verloop. Zo varieert het van koel licht met een hoge intensiteit in de ochtend naar een warmere tint, met een intensiteit die in de loop van de dag afzwakt. Dit bevordert het welzijn van mensen in de ruimte én het is ook nog eens een duurzame methode van verlichting.

Vond je dit artikel interessant? Ontdek dan ook hoe deze mini-fabriek werkt op basis van zonlicht in de vorm van een “kunstmatig blad”.

Voorzorg: Funderingsrisico wordt meegewogen bij hypotheek garantie NHG

0
Funderingsrisico wordt meegewogen bij NHG hypotheek

Vanaf begin 2027 moet bij het afsluiten van een hypotheek met NHG garantie rekening gehouden worden met de verwachte herstelkosten als een woning een hoog funderingsrisico heeft. Dit kan gevolgen hebben voor de leencapaciteit. Zo wil NHG voorkomen dat kopers na aankoop voor hoge herstelkosten komen te staan die zij niet kunnen betalen.

Kosten fundering

Wie een woning koopt met een hoog funderingsrisico, loopt mogelijk risico op hoge herstelkosten. Het herstellen van een fundering kan al snel tienduizenden euro’s kosten, soms zelfs meer.

NHG wil voorkomen dat kopers een woning financieren zonder rekening te houden met verwachte herstelkosten waarvoor zij onvoldoende financiële ruimte hebben. Door deze kosten vooraf te betrekken bij het bepalen van de toegestane financieringslast. Zo wordt duidelijker wat iemand verantwoord kan lenen.

Hiermee verkleint NHG het risico dat kopers na aankoop worden geconfronteerd met herstelkosten die zij niet kunnen financieren. Men komt met regels zodat geldverstrekkers een duidelijke standaard hebben om funderingsrisico’s op een eenduidige manier te beoordelen en mee te wegen.

Blijft er financiële ruimte over voor funderingsherstel?

Wie een woning koopt met een hoog funderingsrisico, moet mogelijk rekening houden met hoge herstelkosten. De nieuwe regels zorgen ervoor dat geldverstrekkers deze indicatieve kosten meewegen bij het beoordelen van de hypotheek. Zo wordt niet alleen gekeken of de koper de hypotheek kan betalen. Tevens wordt gekeken ook of er financiële ruimte blijft voor mogelijk funderingsherstel.

Funderingslabel

Of de herstelkosten meetellen hangt af van de risico-inschatting in het taxatierapport en eventueel aanvullend onderzoek. Deze inschatting loopt van A (laag risico) tot en met E (hoog risico).

Bij een risicoklasse D of E is een verkennend funderingsonderzoek verplicht. Blijkt daaruit dat de woning een hoog funderingsrisico heeft? Dan moet de geldverstrekker de verwachte indicatieve herstelkosten meewegen.

Gezamenlijke aanpak

Met de nieuwe regels zorgt men ervoor dat geldverstrekkers funderingsrisico’s op dezelfde manier meewegen bij hypotheken met NHG.

Funderingsproblemen vragen om samenwerking. Tussen overheid, gemeenten, de financiële sector en andere betrokken partijen, met langdurige regie vanuit het Rijk. Ook moeten kopers en woningeigenaren risico’s tijdig kunnen herkennen en weten welke mogelijkheden er zijn om problemen aan te pakken. Zo moet informatie al bij aankoop van de woning beschikbaar zijn.

Nadere informatie

De nieuwe Voorwaarden en normen 2027 worden op 30 oktober 2026 gepubliceerd en zijn van toepassing op geldleningen waarvoor vanaf 1 januari 2027 een bindend aanbod wordt uitgebracht. Een compleet overzicht van wijzigingen in verband met fundering van een woning is hier te vinden op.

NHG?

De Nationale Hypotheek Garantie (NHG), is garantie-instituut en garantieverklaring. Een extra zekerheid en verzekering voor de betaalbaarheid van je huis. Het beschermt kopers, maar ook de hypotheekverstrekkers, tegen financiële risico’s. Koop je een huis met een NHG-garantie, dan kan je vaak meer lenen.

Bron: NHG Nationale Hypotheek garantie.

Zie ook: Meer fondsen voor starterswoningen en NHG naar 500.000 tot 530.000 euro.

Hoe ziet de woning van morgen er uit en waar staat deze?

0
Hoe ziet de woning van morgen er uit en waar staat die?

Er moeten jaarlijks 100.000 woningen gebouwd worden en de ruimte is beperkt. Wat en waar gaan we eigenlijk bouwen? En voor wie? Wat zijn de verschillen per regio? Het kadaster deed onderzoek naar de woningbouw van morgen. In het onderzoek kijken de onderzoekers naar woningen die nu gebouwd worden. Ook wordt gekeken naar woningen die de recente tien jaar zijn gebouwd. Door die van nu en toen te vergelijken, is te onder andere te zien of nieuwbouw aansluit bij de wensen van woningzoekenden.

Woningbouw waar?

In heel ons land wordt gebouwd, maar de meeste nieuwe woningen komen in en rond grote steden. 18 procent van de nieuwbouw in de afgelopen vijf jaar staat in de grote steden. De G4: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. De komende jaren loopt de nieuwbouw daar op tot 27 procent. In de Randstad en Noord-Brabant worden nu de meeste woningen gebouwd. In Noord-Brabant is dat vooral rond Tilburg, Breda Eindhoven en Den Bosch.

Welke woningen worden er gebouwd?

Driekwart van alle woningen die gebouwd worden zijn appartementen. Dat was de afgelopen vijf jaar de helft van de nieuwbouw. Er komen steeds meer appartementen bij. Eerder was het 17 procent, de komende jaren wordt 42 procent van de nieuwbouw een appartement.

Kenmerkend is dat er minder grote appartementen bij komen. Nog maar 13 procent is groter dan 90 vierkante meter. 10 jaar geleden was dat nog 22 procent. In de grotere steden neemt het aantal appartementen per gebouw toe. In de G4 gaat het om 38 woningen per appartementencomplex. 10 jaar daarvoor waren dat er nog 15.

Woonoppervlakte

Uit het landelijke WoonOnderzoek Nederland (WoON) 2024 blijkt dat woningzoekenden in de koopsector vaak liever een eengezinswoning met tuin hebben. Er komen steeds meer kleinere eengezinswoningen bij. 22 procent is kleiner dan 100 vierkante meter Eerder was dat nog 9 procent. Opvallend is dat het perceel- en woonoppervlakte van ééngezins koopwoningen in de G4 juist groter wordt. Nu is dat ongeveer 190 vierkante meter. Vijf jaar geleden was dat nog minder dan 160 vierkante meter.

Wie koopt de woning van morgen?

Van woningen die nu gebouwd worden, is 37 procent gekocht door kopers jonger dan 35 jaar. 32 procent is gekocht door 55-plussers. Dit is een opvallende verandering. In de grotere steden neemt het aandeel appartementskopers jonger dan 35 jaar ook toe. Daarbuiten is dat andersom. Daar worden appartementen in verhouding vaak gekocht door 55-plussers.

Juist nieuwbouwwoningen worden vooral gekocht door ‘lokale’ kopers, dus uit de buurt. Gemiddeld komt ongeveer 60 procent uit de eigen- en 20 procent uit een aangrenzende gemeente.

Onderzoek

Het onderzoek naar de woningbouw van morgen, ‘De Bouwagenda’ (pdf), is geschreven door Hans Wisman en Lars Brugman, onderzoeker bij het Kadaster.

Bron: Kadaster.