Home Blog

Minder transformatiewoningen door daling herbestemming bestaand vastgoed

0

Het aantal transformatiewoningen is in 2025 opnieuw gedaald. Daarmee zet een ontwikkeling door die voor de bouw- en vastgoedsector al vier jaar zichtbaar is. Uit nieuwe cijfers van het CBS blijkt dat 6,4 duizend woningen zijn ontstaan uit aanpassingen van bestaande panden. Dat zijn er fors minder dan een jaar eerder.

“Van de woningen die in 2025 aan de voorraad zijn toegevoegd, is 7 procent transformatiewoning”

Vorig jaar 9 procent

In 2024 lag dat aandeel nog op 9 procent. De totale groei van de woningvoorraad komt nog steeds vooral uit nieuwbouw. In 2025 ging het daarbij om 69 duizend woningen. Daarnaast kwamen er 12 duizend woningen bij via andere toevoegingen, zoals woningsplitsing. Toch blijven transformatiewoningen een relevant onderdeel van de woningproductie, juist omdat ze vaak sneller kunnen worden gerealiseerd dan volledige nieuwbouw op een lege locatie.

De nieuwste cijfers, afkomstig van het CBS, zijn opgesteld op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voor de uitvoeringspraktijk geven deze data meer inzicht in de mate waarin woningen uit bestaande panden nog bijdragen aan de landelijke bouwopgave.

Daling van transformatiewoningen

Met 6,4 duizend opgeleverde woningen uit transformatie ligt het volume in 2025 19 procent lager dan in 2024. Daarmee is sprake van het vierde jaar op rij waarin het aantal transformaties afneemt. Dat is een duidelijke trend, geen tijdelijke afwijking. Voor marktpartijen betekent dit dat de productie van woningen uit bestaande panden moeilijker op gang blijft dan enkele jaren geleden nog werd verwacht.

De afname raakt niet alleen de aantallen, maar ook het relatieve belang van dit segment binnen de totale woningbouwproductie. Waar transformatiewoningen eerder een zichtbare aanvulling vormden op nieuwbouw, verschuift het zwaartepunt nu verder richting traditionele bouwproductie. Dat heeft gevolgen voor ontwikkelaars, aannemers en adviseurs die zich hebben gespecialiseerd in herontwikkeling, functiewijziging en binnenstedelijke verdichting.

Tegelijk laat een eerste raming voor 2026 zien dat in het eerste halfjaar bijna 3 duizend woningen via transformatie zijn toegevoegd. Dat wijst erop dat de markt niet stilvalt. Wel blijft het niveau gematigd. Voor de sector is daarom vooral de vraag welke projecttypen nog wel haalbaar zijn en onder welke voorwaarden nieuwe transformatiewoningen rendabel kunnen worden uitgewerkt.

Minder transformatiewoningen

Private huursector levert minder transformatiewoningen op

Opvallend in de nieuwe cijfers is de sterke terugval in de private huursector. Juist daar zijn in 2025 veel minder woningen uit transformatie opgeleverd. Dat is relevant, omdat veel eerdere transformatieprojecten juist in dit segment werden ontwikkeld. Denk aan voormalige kantoorgebouwen, winkelpanden of gemengd stedelijk vastgoed dat na functiewijziging een woonprogramma kreeg met compacte appartementen voor verhuur.

De daling in de private huur kan samenhangen met een combinatie van factoren. Hogere financieringslasten, strengere rendementseisen, oplopende bouwkosten en onzekerheid over exploitatie kunnen de haalbaarheid van transformatieprojecten onder druk zetten. Ook aanvullende eisen rond brandveiligheid, geluid, daglichttoetreding en installatietechniek maken herbestemming in veel gevallen technisch ingewikkeld en kostbaar. Daardoor worden plannen later uitgevoerd of soms helemaal niet meer gestart.

Voor uitvoerende partijen is dat een bekend beeld. Transformatie vraagt vaak om maatwerk in constructie, installaties en logistiek. Bij bestaande gebouwen komen verrassingen in de uitvoering vaker voor dan bij seriematige nieuwbouw. Dat vergroot het risico in planning en begroting. Toch blijven transformatiewoningen interessant, omdat ze een functie geven aan bestaand vastgoed en bijdragen aan duurzamer ruimtegebruik in stedelijk gebied.

Minder woningen uit bestaande panden zoals kantoren en winkels

De daling is vooral zichtbaar bij pandtypen die in eerdere jaren juist een grote rol speelden, zoals voormalige kantoren. Minder woningen in oude kantoorlocaties betekent dat een belangrijk kanaal voor binnenstedelijke toevoeging afzwakt. Ook winkels en andere utiliteitsgebouwen leveren minder vaak nieuwe woonruimte op. Dat is een belangrijke ontwikkeling voor gemeenten die herstructurering van centra, kantoorlocaties en gemengde stadswijken op de agenda hebben staan.

De praktijk leert dat lang niet ieder leegstaand gebouw geschikt is voor woningbouw. Een pand moet niet alleen juridisch en planologisch kunnen worden omgezet, maar ook bouwkundig voldoende kwaliteit hebben. De diepte van de plattegrond, de positie van kernen, de draagstructuur en de gevelindeling bepalen of een gezond woonmilieu mogelijk is. Daarbij spelen ook eisen rond energieprestatie en ventilatie een grote rol.

Minder transformatiewoningen

Zuid-Holland ziet sterke terugval

Regionaal valt op dat Zuid-Holland ruim een derde minder woningtransformaties telde dan een jaar eerder. Dat is een forse daling in een provincie waar de druk op de woningmarkt groot is en waar veel stedelijke verdichting plaatsvindt. Juist in deze regio werden de afgelopen jaren veel projecten gerealiseerd in bestaande stedelijke gebieden. De terugval kan daarom doorwerken in de lokale programmering van gemeenten en in de werkvoorraad van marktpartijen.

Transformatie is sterk afhankelijk van lokale marktomstandigheden, leegstand, grondwaarden, gemeentelijk beleid en de aanwezigheid van geschikte panden. In provincies met veel verouderd commercieel vastgoed kan herbestemming nog steeds kansen bieden, maar de uitkomst verschilt per stad, wijk en object.

Vooruitzichten 2026

De eerste schatting voor 2026 geeft aan dat in de eerste zes maanden bijna 3 duizend woningen via transformatie zijn toegevoegd. Dat biedt enig houvast, al is het nog te vroeg om van een herstel te spreken. De markt voor transformatiewoningen blijft gevoelig voor rente, regelgeving en uitvoerbaarheid. Tegelijk is de behoefte aan extra woningen onveranderd groot, zeker in stedelijke gebieden waar ruimte schaars is.

Daarom blijft transformatie een serieus instrument binnen de bredere woningbouwopgave. Niet als vervanging van nieuwbouw, maar als aanvulling met een eigen profiel. Projecten in bestaand vastgoed kunnen bijdragen aan versnelling, gebiedsvernieuwing en slimmer ruimtegebruik. Vooral als publieke en private partijen vroeg samenwerken aan haalbare programma’s, technische kwaliteit en een realistische exploitatie, kunnen nieuwe transformatiewoningen weer vaker van de grond komen.

Bron: CBS.

Top 25 duurzame aanbesteders laat daling zien in duurzaam gunnen

0
Top 25 duurzame aanbesteders laat daling zien in duurzaam gunnen

De nieuwe Top 25 van duurzame aanbesteders laat een dubbel beeld zien. Aan de ene kant vallen sterke stijgers op, zoals Universiteit Utrecht, provincie Zuid-Holland en gemeente Helmond. Aan de andere kant daalt duurzaam aanbesteden voor het eerst sinds de start van de ranglijst. Voor bouwbedrijven, opdrachtgevers en inkopers is dat een belangrijk signaal. De cijfers maken duidelijk dat publieke opdrachtgevers nog vaak duurzaamheid opnemen in hun uitvraag, maar dat zij minder vaak echt belonen op kwaliteit, emissiebeperking, MKI en andere duurzame prestaties, zo bericht Bouwend Nederland.

Duurzame aanbesteders? “Opdrachtgevers gunnen minder op duurzaamheid en kiezen voor laagste prijs”

Daling in duurzaam aanbesteden zet door

De Top 25 van het Aanbestedingsinstituut van Bouwend Nederland laat zien dat de gemiddelde score van de best presterende opdrachtgevers is gezakt van 3,98 naar 3,83. Daarmee daalt het niveau van duurzaam aanbesteden voor het eerst in acht jaar tijd. Dat is opvallend, omdat het totale aantal aanbestedingen in 2025 juist steeg naar 1.724. Toch werden slechts 709 opdrachten gegund op duurzaamheid. Het aandeel duurzame gunningen daalde daarmee van 46,9 naar 41,1 procent.

Vooral in de infrasector is die ontwikkeling zichtbaar. Opdrachtgevers kiezen daar vaker voor gunning op laagste prijs. Dat aandeel steeg van 30 naar 34 procent. Tegelijk nam het aantal aanbestedingen af waarin duurzaamheid zwaar meeweegt in de beoordeling. Juist dat gewicht bepaalt of een aannemer met een beter duurzaam aanbod ook echt meer kans maakt op de opdracht. Voor bedrijven die investeren in schoon materieel, circulaire materialen en innovatie is dat geen goed nieuws.

Volgens Bouwend Nederland zit de groei van duurzaam aanbesteden nu vooral in voorschriften. Die schrijven een minimumniveau voor, maar geven geen extra waardering aan partijen die verder gaan. Daardoor neemt de prikkel om te investeren af. Dat effect is nog sterker wanneer een opdrachtgever eerst duurzame eisen stelt en daarna alsnog op laagste prijs gunt. In de praktijk levert dat voor veel aannemers een lastige markt op.

Gelukkig geven stijgers in de Top 25 ander signaal af

Tegen die neergaande lijn in laat de Top 25 ook zien dat verbetering wel degelijk mogelijk is. Universiteit Utrecht maakt de grootste sprong. De kennisinstelling stond vorig jaar nog op plaats 80 met een score van 2,00 en stijgt nu naar plaats 23 met 3,27. Daarmee laat zij zien dat ook opdrachtgevers buiten de klassieke infra- en bouwportefeuille een serieuze rol kunnen spelen bij verduurzaming van de bouw en infraketen.

Lees verder onder de afbeelding.
Top 25 duurzame aaanbesteders

Provincie Zuid-Holland is een andere opvallende stijger. De provincie stond twee jaar geleden nog op plaats 62 en vorig jaar op plaats 21. Nu deelt Zuid-Holland de derde plaats met een score van 4,50. Die stijging hangt samen met een gerichtere inzet op duurzame gunningscriteria en een duidelijkere vertaling van beleidsdoelen naar concrete aanbestedingen. Daarmee laat deze Top 25 zien dat leren en bijsturen effect heeft op de uitkomst.

Ook gemeente Helmond laat een sterk resultaat zien. De gemeente steeg van plaats 20 naar een gedeelde derde plaats met eveneens 4,50. Vooral in het vierde kwartaal van 2025 zette Helmond nog een forse stap. Van de vier aanbestedingen in die periode kregen er drie de hoogste score. De gemeente beloont bedrijven die extra emissiebeperking aanbieden en past daarnaast instrumenten toe zoals MKI, innovatie en contractuele afspraken voor extra verduurzaming.

Noord-Brabant en Eindhoven voeren Top 25 aan

Aan de top van de ranglijst verandert minder. Provincie Noord-Brabant staat voor de achtste keer op rij op de eerste plaats, opnieuw met een score van 5,64. Daarmee blijft de provincie een stabiele koploper onder de duurzame aanbesteders. Gemeente Eindhoven stijgt van plaats 7 naar plaats 2 met een score van 4,75. Ook dat is een sterke prestatie, zeker in een jaar waarin veel andere opdrachtgevers juist lager uitkomen.

De Top 25 maakt daarmee duidelijk dat koploperschap mogelijk blijft, ook in een markt waarin prijsdruk zichtbaar aanwezig is. Voor de uitvoerende partijen is dat relevant, omdat opdrachtgevers aan de bovenkant van de lijst vaker ruimte bieden aan duurzame meerwaarde in de aanbieding. Dat vergroot de kans dat investeringen in emissieloos materieel, circulair werken en CO2-reductie ook daadwerkelijk worden terugverdiend.

Uit de eerste registraties over 2026 blijkt dat de dalende lijn mogelijk doorzet. Dat maakt de uitkomsten van deze Top 25 extra belangrijk voor de sector. Voor opdrachtgevers ligt er een duidelijke opgave om duurzaamheid niet alleen op papier op te nemen, maar ook echt te waarderen in de gunning.

Meer informatie over onder meer de puntentelling in de Top 25.

Bron en infographic: Bouwend Nederland.

Milo Schoenmaker nieuwe voorzitter Adviescollege Veiligheid Groningen

0
Milo Schoenmaker voorgedragen als voorzitter van Adviescollege Veiligheid Groningen

De voordracht van Milo Schoenmaker als voorzitter van het Adviescollege Veiligheid Groningen markeert een volgende stap in de bestuurlijke continuïteit rond de veiligheidsaanpak in Groningen. Het adviescollege speelt een belangrijke rol in het beoordelen van veiligheidsvraagstukken. Die betreffen met name het schadeherstel en de versterkingsopgaven in het aardbevingsgebied. Met de keuze voor Milo Schoenmaker lijkt het kabinet te sturen op bestuurlijke ervaring, stabiliteit en een zorgvuldige afweging van publieke belangen.

De ministerraad heeft ingestemd met de voordracht van Milo Schoenmaker als voorzitter van het Adviescollege Veiligheid Groningen. Sinds maart 2026 vervult Milo Schoenmaker deze functie al op interim-basis. Met de voordracht wordt zijn betrokkenheid nu voor langere tijd voortgezet. De benoeming moet nog formeel worden bekrachtigd via koninklijk besluit en geldt daarna voor een periode van vier jaar.

Het Adviescollege Veiligheid Groningen, vaak aangeduid als ACVG, adviseert over veiligheidsrisico’s die samenhangen met de gevolgen van gaswinning in Groningen. Daarbij gaat het onder meer om de veiligheid van woningen, utiliteitsbouw en bredere ruimtelijke vraagstukken. De voorzitter van het college heeft daarom een zichtbare positie binnen een dossier waarin techniek, bestuur en maatschappelijke belangen samenkomen.

Bestuurlijke ervaring Milo Schoenmaker

Milo Schoenmaker brengt een lange loopbaan in het openbaar bestuur mee. Hij begon als wethouder in Haarlemmermeer in de periode van 1998 tot 2003. Daarna was hij burgemeester van Bussum van 2003 tot 2012 en vervolgens burgemeester van Gouda van 2012 tot 2019. Die functies vragen om bestuurlijke regie, publieke verantwoording en gevoel voor complexe dossiers, eigenschappen die ook binnen het Adviescollege Veiligheid Groningen van groot belang zijn.

Na zijn periode als burgemeester stond Milo Schoenmaker van 2019 tot 2025 aan het roer als bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Daar werkte hij in een omgeving met grote politieke en maatschappelijke druk. Ook was hij vicevoorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur en voorzitter van de vierde denktank van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Deze achtergrond laat zien dat Milo Schoenmaker gewend is om te opereren op het snijvlak van beleid, uitvoering en toezicht.

Breder takenpakket

Naast zijn werkzaamheden voor het Adviescollege Veiligheid Groningen heeft Milo Schoenmaker nog andere bestuurlijke taken. Zo werkt hij aan een advies over de toekomst van het asiel- en migratielandschap. Die opdracht voert hij uit op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en in samenwerking met ABDTOPconsult. De afronding van dat advies staat gepland voor eind 2026.

Daarnaast is hij voorzitter van enkele raden van toezicht binnen de volkshuisvesting en de gezondheidszorg. Dat maakt duidelijk dat hij ervaring heeft met governance vraagstukken in sectoren waar publieke belangen zwaar wegen. Voor het Groningse veiligheidsdossier is dat niet onbelangrijk, omdat ook daar toezicht, legitimiteit en draagvlak een grote rol spelen. Tegelijk vraagt zo’n breed takenpakket om goede prioritering en strakke afstemming.

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Wikipedia. Foto: ACVG.

Build Europe Award voor Groene Loper in Maastricht

0
Build Europe Award voor Groene Loper in Maastricht

De Groene Loper in Maastricht heeft in Napels een Build Europe Award ontvangen en daarmee opnieuw internationale waardering gekregen voor Nederlandse gebiedsontwikkeling. Voor de bouw- en vastgoedsector is deze onderscheiding meer dan een symbolische prijs. Het project laat zien hoe een zware infrastructurele ingreep kan uitgroeien tot een samenhangende stedelijke ontwikkeling met woningen, groen, voorzieningen en blijvende maatschappelijke waarde. Voor professionals in ontwerp, uitvoering, ontwikkeling en bestuur is de Groene Loper daarmee een relevant referentieproject voor duurzame verstedelijking en publiek-private samenwerking.

Nederlandse aanpak krijgt Europees podium

Met de onderscheiding voor de Groene Loper krijgt niet alleen Maastricht internationale aandacht, maar ook de Nederlandse aanpak van integrale gebiedsontwikkeling. De Build Europe Award is bedoeld voor projecten die opvallen door architectonische kwaliteit, duurzaamheid, innovatie en een aantoonbaar positief effect op hun omgeving. Dat juist de Groene Loper deze erkenning ontvangt, past binnen een bredere waardering voor projecten waarin infrastructuur, leefbaarheid en stedelijke kwaliteit met elkaar zijn verbonden.

De basis van het project ligt in een ingrijpende aanpassing van de voormalige Rijksweg A2. Door deze verkeersas ondergronds te brengen, ontstond bovengronds ruimte voor een nieuw stadsdeel. Daarmee verdween een fysieke en mentale scheiding tussen buurten die jarenlang door een drukke verkeersroute van elkaar waren gesplitst. Op de vrijgekomen ruimte is een gebied ontstaan dat zich richt op wonen, verblijven, ontmoeten en bewegen. Dat maakt de ontwikkeling relevant voor gemeenten en marktpartijen die zoeken naar oplossingen voor verdichting zonder verlies van leefkwaliteit.

Volgens Build Europe sluit het project goed aan op de Europese opgave om steden gezonder, duurzamer en beter verbonden te maken. De prijsuitreiking in Napels geeft de Groene Loper een internationaal podium en versterkt de positie van Nederland als land met kennis van complexe stedelijke transformatie.

Van verkeerscorridor naar stedelijke kwaliteit

Wat de Groene Loper bijzonder maakt, is de schaal en de samenhang van de gebiedsontwikkeling. Het gaat niet alleen om het verplaatsen van verkeer naar een tunnel, maar om een volledige herinrichting van het stedelijk gebied op en rond het tunneldek. De ontwikkeling omvat circa 1.200 woningen, een stadspark van 2,5 kilometer en ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, horeca en commercieel vastgoed. Daarmee is een voormalig infrastructuurgebied veranderd in een gemengd en toekomstbestendig stadsdeel.

Waar voorheen geluid, uitstoot en verkeersdruk het straatbeeld bepaalden, is nu ruimte ontstaan voor groenstructuren, langzaam verkeer en een prettige openbare ruimte. Dat draagt bij aan gezondheid, biodiversiteit en een betere gebruikswaarde van het gebied. Juist die integrale benadering maakt de Groene Loper tot een project dat verder gaat dan traditionele binnenstedelijke herontwikkeling.

Ook in bouwkundig en stedenbouwkundig opzicht is de ontwikkeling interesant. De programmering combineert woningbouw met publieke ruimte en voorzieningen, waardoor een stedelijk milieu ontstaat dat meerdere functies ondersteunt. Voor ontwikkelaars en aannemers laat dit zien dat gebiedsontwikkeling steeds vaker vraagt om langjarige fasering, nauwe afstemming met overheden en een ontwerpbenadering waarin infrastructuur, vastgoed en openbare ruimte als één opgave worden gezien.

Samenwerking draagt Groene Loper naar succes

De Groene Loper is ontwikkeld door Ballast Nedam Development en de gemeente Maastricht, samen met diverse partners. Die publiek-private samenwerking vormt een belangrijk fundament onder het resultaat. Grote infrastructurele projecten met een stedelijke component vragen om investeringen over een lange periode, bestuurlijke continuïteit en duidelijke afspraken over kwaliteit, programma en uitvoering. In Maastricht is die gezamenlijke lijn vastgehouden, ook toen de opgave complex en langdurig bleek.

Voor de sector is dat een belangrijk signaal. Gebiedsontwikkeling op dit niveau lukt alleen wanneer publieke en private partijen niet uitsluitend vanuit hun eigen belang opereren, maar een gezamenlijke visie uitwerken en volhouden. Juist daardoor kon een verkeerskundige maatregel uitgroeien tot een bredere stedelijke verbetering. De maatschappelijke meerwaarde zit niet alleen in de vastgoedproductie, maar ook in de structurele verbetering van de leefomgeving en de herverbinding van buurten.

Onno Dwars, CEO van Ballast Nedam Development, stelt dat de Europese prijs laat zien wat mogelijk is wanneer lef, visie en uitvoering samenkomen. Volgens hem bewijst de Groene Loper dat gebiedsontwikkeling meer is dan het toevoegen van woningen alleen. Het gaat ook om het versterken van de kwaliteit van leven voor bewoners, gebruikers en toekomstige generaties. Daarmee positioneert het project zich als een sterk Nederlands voorbeeld binnen het Europese debat over duurzame stedelijke ontwikkeling.

Nationale en Europese waardering

De recente Europese erkenning volgt op een eerdere nationale bekroning. In mei 2026 won de Groene Loper al de NEPROM-prijs voor locatieontwikkeling. De jury sprak toen waardering uit voor de gedurfde keuze om de autoweg ondergronds te brengen en voor het positieve effect daarvan op de stad. Daarbij speelden verbeteringen in leefkwaliteit, gezondheid, biodiversiteit en de verbinding tussen omliggende buurten een grote rol.

Met de Build Europe Award krijgt die nationale waardering nu een internationaal vervolg. Voor de Nederlandse bouw- en ontwikkelsector is dat van betekenis, omdat het laat zien dat lokale vakkennis en uitvoeringskracht ook op Europees niveau meetellen. De Groene Loper wordt daardoor niet alleen gezien als een sterk project voor Maastricht, maar ook als een exporteerbaar voorbeeld van hoe integrale gebiedsontwikkeling kan bijdragen aan stedelijke transformatie.

Fahid Minhas, directeur van NEPROM, ziet de prijs als erkenning voor de kwaliteit van de locatie en voor de manier waarop een complexe infrastructurele ingreep is vertaald naar een leefbare stad. Volgens hem laat de Groene Loper zien wat mogelijk wordt wanneer publieke en private partijen hun krachten bundelen en over langere tijd vasthouden aan een gedeelde koers. Voor Nederlandse steden die voor vergelijkbare opgaven staan, is dat een bruikbaar referentiepunt.

Waarom Groene Loper ook Europees navolging krijgt

De kracht van de Groene Loper zit in de combinatie van uitvoerbaarheid, stedelijke kwaliteit en maatschappelijke opbrengst. Veel Europese steden zoeken naar manieren om bestaande infrastructuur beter in te passen, buurten opnieuw te verbinden en tegelijk woningbouw toe te voegen. Dit project maakt zichtbaar dat zulke doelen niet los van elkaar hoeven te staan. Door infrastructuur ondergronds te organiseren en bovengronds te investeren in een compleet stedelijk programma, ontstaat een gebied dat zowel functioneel als aantrekkelijk is.

Bron en beeld: Ballast Nedam Ontwikkeling.

Daglicht in ruimtes zonder ramen. Zo breng je het buitengevoel naar binnen

0
Daglicht in ruimtes zonder ramen

Te weinig (of zelfs helemaal geen) daglicht is een veelvoorkomend probleem binnen de utiliteitsbouw. Hierbij kan worden gedacht aan inpandige ruimtes, zoals kantoren, wachtkamers en behandelruimtes, maar ook aan kelders en wandelgangen. Op een plek zonder natuurlijk licht is het lastiger om je te concentreren en voel je je sneller vermoeid. Daglicht speelt immers een essentiële rol in ons dag- en nachtritme, en ons algehele welzijn. Juist in panden waar een gebrek is aan licht maakt het soort verlichting een wezenlijk verschil. Het type verlichting heeft dan een nog grotere impact op de beleving van een ruimte.

Hoe kunstmatig daglicht een oplossing kan bieden

In een ruimte zonder of met beperkt daglicht is het uiterst belangrijk om niet alleen voldoende licht te creëren, maar ook om te kiezen voor de juiste lichtbronnen. Denk hierbij aan de juiste lichtintensiteit en kleur. Een veelgebruikte oplossing is kunstmatig daglicht. Bij dit type lichtbron wordt zonlicht zo goed mogelijk nagebootst, inclusief de bijbehorende positieve eigenschappen.

Wolkenplafonds (praktijkvoorbeeld)

Een goed voorbeeld van kunstmatige verlichting is het LED wolkenplafond, dat niet alleen voor een egaal natuurlijk licht zorgt, maar ook de illusie wekt dat het licht echt van buiten komt. OpenCeilings maakt hiervoor gebruik van edge-lit technologie, in combinatie met LED fotopanelen. Niet alleen wordt zo het effect van daglicht nagebootst, maar de panelen geven bezoekers het gevoel via een dakraam naar de blauwe lucht te kijken.

De verlichte fotopanelen kunnen worden geïntegreerd in een standaard systeem- of rasterplafond, zoals die van een wachtkamer of hal. Dankzij de modulaire panelen van 60 x 60 cm en 60 x 120 cm stel je eenvoudig een formaat samen dat past bij de ruimte. De hoge resolutie foto’s en de edge-lit technologie brengen zo een donkere en/of klinische kamer als het ware tot leven.

Verlichting via het plafond of een wand

OpenCeilings heeft niet alleen een oplossing bedacht voor het toevoegen van daglicht aan het plafond, maar deze daglichtervaring is ook mogelijk voor wanden. Dit is ideaal voor ruimtes waar een plafondoplossing niet past, maar wel behoefte is aan een warme en prettige vorm van verlichting. Dit kan de behandelkamer van een ziekenhuis of tandartsenpraktijk zijn, waarbij de fotopanelen zorgen voor een prettige afleiding. Kunstmatig daglicht is echter ook zeer geschikt voor kantoren, onderwijslocaties en de horeca. Want met een minimale renovatie kan zo een totaal andere sfeer worden neergezet.

Wat daglicht verlichting zo bijzonder maakt

Kunstmatig daglicht onderscheidt zich van andere lichtbronnen door het dynamische karakter. Zo beweegt de verlichting van de wolkenplafond LED-panelen van OpenCeilings mee met het natuurlijke dagritme, wat ook wel Human Centric Lighting (HCL) wordt genoemd. HCL bootst dus niet alleen de intensiteit en temperatuur van zonlicht na, het past zich zelfs aan op het natuurlijke verloop. Zo varieert het van koel licht met een hoge intensiteit in de ochtend naar een warmere tint, met een intensiteit die in de loop van de dag afzwakt. Dit bevordert het welzijn van mensen in de ruimte én het is ook nog eens een duurzame methode van verlichting.

Vond je dit artikel interessant? Ontdek dan ook hoe deze mini-fabriek werkt op basis van zonlicht in de vorm van een “kunstmatig blad”.

Voorzorg: Funderingsrisico wordt meegewogen bij hypotheek garantie NHG

0
Funderingsrisico wordt meegewogen bij NHG hypotheek

Vanaf begin 2027 moet bij het afsluiten van een hypotheek met NHG garantie rekening gehouden worden met de verwachte herstelkosten als een woning een hoog funderingsrisico heeft. Dit kan gevolgen hebben voor de leencapaciteit. Zo wil NHG voorkomen dat kopers na aankoop voor hoge herstelkosten komen te staan die zij niet kunnen betalen.

Kosten fundering

Wie een woning koopt met een hoog funderingsrisico, loopt mogelijk risico op hoge herstelkosten. Het herstellen van een fundering kan al snel tienduizenden euro’s kosten, soms zelfs meer.

NHG wil voorkomen dat kopers een woning financieren zonder rekening te houden met verwachte herstelkosten waarvoor zij onvoldoende financiële ruimte hebben. Door deze kosten vooraf te betrekken bij het bepalen van de toegestane financieringslast. Zo wordt duidelijker wat iemand verantwoord kan lenen.

Hiermee verkleint NHG het risico dat kopers na aankoop worden geconfronteerd met herstelkosten die zij niet kunnen financieren. Men komt met regels zodat geldverstrekkers een duidelijke standaard hebben om funderingsrisico’s op een eenduidige manier te beoordelen en mee te wegen.

Blijft er financiële ruimte over voor funderingsherstel?

Wie een woning koopt met een hoog funderingsrisico, moet mogelijk rekening houden met hoge herstelkosten. De nieuwe regels zorgen ervoor dat geldverstrekkers deze indicatieve kosten meewegen bij het beoordelen van de hypotheek. Zo wordt niet alleen gekeken of de koper de hypotheek kan betalen. Tevens wordt gekeken ook of er financiële ruimte blijft voor mogelijk funderingsherstel.

Funderingslabel

Of de herstelkosten meetellen hangt af van de risico-inschatting in het taxatierapport en eventueel aanvullend onderzoek. Deze inschatting loopt van A (laag risico) tot en met E (hoog risico).

Bij een risicoklasse D of E is een verkennend funderingsonderzoek verplicht. Blijkt daaruit dat de woning een hoog funderingsrisico heeft? Dan moet de geldverstrekker de verwachte indicatieve herstelkosten meewegen.

Gezamenlijke aanpak

Met de nieuwe regels zorgt men ervoor dat geldverstrekkers funderingsrisico’s op dezelfde manier meewegen bij hypotheken met NHG.

Funderingsproblemen vragen om samenwerking. Tussen overheid, gemeenten, de financiële sector en andere betrokken partijen, met langdurige regie vanuit het Rijk. Ook moeten kopers en woningeigenaren risico’s tijdig kunnen herkennen en weten welke mogelijkheden er zijn om problemen aan te pakken. Zo moet informatie al bij aankoop van de woning beschikbaar zijn.

Nadere informatie

De nieuwe Voorwaarden en normen 2027 worden op 30 oktober 2026 gepubliceerd en zijn van toepassing op geldleningen waarvoor vanaf 1 januari 2027 een bindend aanbod wordt uitgebracht. Een compleet overzicht van wijzigingen in verband met fundering van een woning is hier te vinden op.

NHG?

De Nationale Hypotheek Garantie (NHG), is garantie-instituut en garantieverklaring. Een extra zekerheid en verzekering voor de betaalbaarheid van je huis. Het beschermt kopers, maar ook de hypotheekverstrekkers, tegen financiële risico’s. Koop je een huis met een NHG-garantie, dan kan je vaak meer lenen.

Bron: NHG Nationale Hypotheek garantie.

Zie ook: Meer fondsen voor starterswoningen en NHG naar 500.000 tot 530.000 euro.

Hoe ziet de woning van morgen er uit en waar staat deze?

0
Hoe ziet de woning van morgen er uit en waar staat die?

Er moeten jaarlijks 100.000 woningen gebouwd worden en de ruimte is beperkt. Wat en waar gaan we eigenlijk bouwen? En voor wie? Wat zijn de verschillen per regio? Het kadaster deed onderzoek naar de woningbouw van morgen. In het onderzoek kijken de onderzoekers naar woningen die nu gebouwd worden. Ook wordt gekeken naar woningen die de recente tien jaar zijn gebouwd. Door die van nu en toen te vergelijken, is te onder andere te zien of nieuwbouw aansluit bij de wensen van woningzoekenden.

Woningbouw waar?

In heel ons land wordt gebouwd, maar de meeste nieuwe woningen komen in en rond grote steden. 18 procent van de nieuwbouw in de afgelopen vijf jaar staat in de grote steden. De G4: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. De komende jaren loopt de nieuwbouw daar op tot 27 procent. In de Randstad en Noord-Brabant worden nu de meeste woningen gebouwd. In Noord-Brabant is dat vooral rond Tilburg, Breda Eindhoven en Den Bosch.

Welke woningen worden er gebouwd?

Driekwart van alle woningen die gebouwd worden zijn appartementen. Dat was de afgelopen vijf jaar de helft van de nieuwbouw. Er komen steeds meer appartementen bij. Eerder was het 17 procent, de komende jaren wordt 42 procent van de nieuwbouw een appartement.

Kenmerkend is dat er minder grote appartementen bij komen. Nog maar 13 procent is groter dan 90 vierkante meter. 10 jaar geleden was dat nog 22 procent. In de grotere steden neemt het aantal appartementen per gebouw toe. In de G4 gaat het om 38 woningen per appartementencomplex. 10 jaar daarvoor waren dat er nog 15.

Woonoppervlakte

Uit het landelijke WoonOnderzoek Nederland (WoON) 2024 blijkt dat woningzoekenden in de koopsector vaak liever een eengezinswoning met tuin hebben. Er komen steeds meer kleinere eengezinswoningen bij. 22 procent is kleiner dan 100 vierkante meter Eerder was dat nog 9 procent. Opvallend is dat het perceel- en woonoppervlakte van ééngezins koopwoningen in de G4 juist groter wordt. Nu is dat ongeveer 190 vierkante meter. Vijf jaar geleden was dat nog minder dan 160 vierkante meter.

Wie koopt de woning van morgen?

Van woningen die nu gebouwd worden, is 37 procent gekocht door kopers jonger dan 35 jaar. 32 procent is gekocht door 55-plussers. Dit is een opvallende verandering. In de grotere steden neemt het aandeel appartementskopers jonger dan 35 jaar ook toe. Daarbuiten is dat andersom. Daar worden appartementen in verhouding vaak gekocht door 55-plussers.

Juist nieuwbouwwoningen worden vooral gekocht door ‘lokale’ kopers, dus uit de buurt. Gemiddeld komt ongeveer 60 procent uit de eigen- en 20 procent uit een aangrenzende gemeente.

Onderzoek

Het onderzoek naar de woningbouw van morgen, ‘De Bouwagenda’ (pdf), is geschreven door Hans Wisman en Lars Brugman, onderzoeker bij het Kadaster.

Bron: Kadaster.

Servicepunt helpt bewoners en bedrijven op weg met duurzame daken

0
Servicepunt helpt bewoners en bedrijven op weg met duurzame daken

In de provincie Utrecht ligt een groot oppervlak aan platte en schuine daken nog ongebruikt. Tegelijk groeit de druk op de gebouwde omgeving door hitte, piekbuien, hoge energiekosten en de behoefte aan meer groen. Het Servicepunt Duurzame Daken wil daar verandering in brengen. Met praktische informatie, lokale acties, kennisdocumenten en een kansenkaart helpt het initiatief van woningeigenaren, bedrijven, VvE’s en gemeenten om hun dak doelgericht te verduurzamen.

“Alleen al de provincie Utrecht heeft meer dan 56 vierkante kilometer plat dak. Hoeveel daarvan is geschikt voor verandering naar een duurzaam dak?”

Jouw duurzaam dak?

Het servicepunt richt zich op breed toepasbare dakoplossingen. Daarbij gaat het niet alleen om zonnepanelen, maar ook om groendaken, waterberging, dakisolatie, gebruiksdaken en combinaties daarvan. Juist die stapeling van functies maakt duurzame daken interessant voor ontwerp, uitvoering en beheer. Een dak krijgt dan meerdere prestaties tegelijk: energieopwekking, verkoeling, opvang van regenwater, langere levensduur van de dakbedekking en versterking van biodiversiteit. Voor professionals in bouw en uitvoering is dat een ontwikkeling die vraagt om afstemming tussen constructie, installatietechniek, dakopbouw en onderhoud.

Meerwaarde van duurzame daken

De informatie van het servicepunt laat zien dat duurzame daken meer zijn dan een losse maatregel. Ze dragen bij aan een gezondere leefomgeving en kunnen de waarde van vastgoed verhogen. Groene daklagen houden water vast en geven dit later weer af. Daardoor neemt de druk op het riool af tijdens zware buien. Tegelijk zorgt verdamping voor verkoeling van het dak en de directe omgeving. Dat is gunstig in stedelijke gebieden waar hittestress steeds vaker voorkomt.

Warmteregulerend

Ook voor energieprestaties zijn duurzame daken interessant. Zonnepanelen op of naast groen blijven op warme dagen koeler, waardoor het rendement kan verbeteren. Daarnaast beschermt een begroeiingslaag de dakbedekking tegen zoninstraling en grote temperatuurverschillen. Volgens het servicepunt kan de levensduur van de dakafwerking daardoor fors toenemen. Voor opdrachtgevers betekent dit dat de investering niet alleen vanuit duurzaamheid, maar ook vanuit beheer en exploitatie te onderbouwen is.

Een ander voordeel is de bijdrage aan biodiversiteit. Zeker bij daken met een dikkere substraatlaag of met inheemse beplanting ontstaat ruimte voor insecten en andere soorten. Dat sluit aan bij bredere doelen op het gebied van natuur en milieu. In stedelijke wijken, waar groen op maaiveld schaars is, bieden duurzame daken extra kansen om ecologische waarde toe te voegen zonder extra grondruimte in te nemen.

Vertaling duurzame daken naar uitvoerbare keuzes

Een sterk punt van het platform is dat het technische en beleidsmatige informatie vertaalt naar praktische keuzes. Via de Duurzame Daken-wijzer krijgen gebruikers inzicht in factoren die bepalen wat op een dak mogelijk is. Daarbij spelen persoonlijke wensen een rol, maar ook de draagkracht van de constructie, de staat van de dakbedekking, het beschikbare budget en de combinatie met bestaande installaties.

Voor de uitvoeringspraktijk is die benadering logisch. Niet ieder dak is geschikt voor dezelfde oplossing. Een lichtgewicht sedumdak stelt andere eisen dan een blauw-groen dak met waterbuffering of een gebruiksdak met verblijfsfunctie. Ook de detaillering verschilt. Denk aan wortelwerende lagen, afwatering, opstanden, belasting door nat pakketgewicht en de bereikbaarheid voor onderhoud. Door deze aspecten vroeg in kaart te brengen, kunnen faalkosten lager uitvallen en sluit het ontwerp beter aan op de werkelijke mogelijkheden van het gebouw.

Het servicepunt verwijst ook naar de kennisdocumenten van het Nationaal Dakenplan. Daaronder vallen de herziene Facts & Values Multifunctionele Daken en handreikingen voor blauw-groene daken, groen-gele daken, gebruiksdaken en dakbeleid. Voor bouwprofessionals vormen deze documenten een bruikbare basis bij advisering, ontwerpuitwerking en gesprek met opdrachtgevers. Ze maken duidelijk dat multifunctioneel dakgebruik niet alleen een duurzaamheidsambitie is, maar ook een concrete ontwerp- en uitvoeropgave.

Lokale regeling stimuleert aanleg in regio Utrecht

De provincie Utrecht en meerdere gemeenten zetten actief in op versnelling. In de gemeente Utrecht kunnen bewoners deelnemen aan een collectieve inkoopactie voor groendaken. Door subsidie en gezamenlijke inkoop kan de aanlegprijs dalen tot een relatief laag bedrag per vierkante meter. Voor huishoudens met een U-pas is zelfs een kosteloze aanleg mogelijk. Zulke regelingen maken duurzame daken bereikbaar voor een grotere groep en zorgen tegelijk voor meer volume in de markt.

Ook in andere plaatsen, zoals Zeist, Vleuten, Stichtse Vecht en Bunnik, loopt aandacht voor groen op het dak op. Het servicepunt bundelt berichten over bewonersavonden, trainingen, excursies en kortingsacties. Daarmee ontstaat een netwerk waarin bewoners, beleidsmakers en uitvoerende partijen elkaar sneller vinden. Voor leveranciers en aannemers is dat relevant, omdat de vraag naar gestandaardiseerde maar toch projectgerichte dakoplossingen hierdoor groeit.

Daarnaast biedt de provincie een kansenkaart waarmee gebruikers kunnen nagaan waarvoor hun dak geschikt is. Via de kansenkaart van provincie Utrecht is te zien of een dak potentie heeft voor energie-opwekking, biodiversiteit, waterberging of zelfs een daktuin of andere verblijfsfunctie. Zulke digitale hulpmiddelen maken de eerste verkenning laagdrempelig en versnellen de route naar advies en uitvoering.

Technische varianten en combinaties op duurzame daken

Het servicepunt duurzame daken zet nadrukkelijk in op functiecombinaties. Dat sluit aan op de praktijk van stedelijke verdichting, waar elke vierkante meter harder moet werken. Een dak kan bijvoorbeeld tegelijk dienen als drager van zonnepanelen, als retentielaag voor regenwater en als groeiplaats voor beplanting. Bij grotere en sterkere constructies komen daar dakterrassen, sportfuncties of moestuinen bij.

De aangehaalde voorbeelden laten verschillende systemen zien, zoals lichtgewicht sedum op steenwol, sedummatten op substraat, sedumpluggen op biobased materiaal en biodivers ingerichte bloemdaken. Ook combinaties van zonnepanelen met groen komen terug, zowel naast elkaar als in een geïntegreerde opbouw. Voor de bouwpraktijk vraagt dit om een goede afstemming tussen dakleverancier, constructeur, installateur en onderhoudspartij. Juist bij multifunctionele pakketten is kennis van belasting, waterhuishouding en brandveiligheid van groot belang.

Dat geldt ook voor waterbergende daken. Bij een dikkere dakopbouw of slimme sturing kan regenwater tijdelijk op het dak worden vastgehouden. Daarmee ontstaat extra buffering tijdens piekbuien en meer waterbeschikbaarheid voor beplanting in droge periodes. In stedelijke projecten waar klimaatadaptatie een grotere rol krijgt, zullen zulke toepassingen naar verwachting vaker onderdeel worden van renovatie- en nieuwbouwopgaven.

Kennis, begeleiding en contact rond duurzame daken

Het servicepunt beperkt zich niet tot algemene informatie, maar biedt ook begeleiding en verwijzingen naar leveranciers, subsidiemogelijkheden en veelgestelde vragen. Verder zijn er trainingen, zoals voor bewoners en buurtcoaches die anderen willen helpen bij de benutting van hun dak. Daarmee wordt een brug geslagen tussen beleid, bewonersinitiatief en uitvoering.

De organisatie achter het platform wordt ondersteund door onder meer de provincie Utrecht, Netwerk Water en Klimaat en betrokken gemeenten. De uitvoering ligt bij Natuur en Milieufederatie Utrecht.

Bron: Natuur en Milieu.

Nieuw gebouwd met oude materialen: Circulair Centrum Nederland in Heerde

0
Nieuw gebouwd met oude materialen: Circulair Centrum Nederland in Heerde

Materialen die in 2022 zijn ‘geoogst’ tijdens de ontmanteling van een voormalig kantoorgebouw van de provincie Gelderland liggen sinds die tijd opgeslagen op het terrein langs de A50 in Heerde. Over enkele maanden start op deze locatie de bouw van het Circulair Centrum Nederland. Dat wordt een plek waar bedrijven, organisaties, onderwijs en onderzoek samenkomen. Zij werken daar aan een circulaire, duurzame en inclusieve toekomst. Het nieuwe circulair centrum wordt gebouwd wordt met materialen die 40 jaar oud zijn. Dat maakt het hoogbouw project extra bijzonder.

Aantonen, kennis, ervaring en toepassen

Aan de bouw van het circulair centrum ging een zorgvuldig ontwerpproces vooraf met uitgebreid onderzoek en onderbouwingen. Zo moest onder meer worden aangetoond dat de hergebruikte materialen voldoen om de hoogbouw mee te realiseren. Met de bouw van Circulair Centrum Nederland willen de betrokken partijen in de praktijk laten zien wat er mogelijk is met het hergebruik van bestaande gebouwonderdelen. Niet alleen door materialen opnieuw toe te passen. Maar ook door kennis en ervaring op te doen die toekomstige circulaire bouwproject en verder kunnen helpen.

Onderzoek heeft aangetoond dat het prima kan. Het centrum wordt de thuisbasis van de stichting Circulair Centrum Nederland. Dat heeft de missie in Nederland en daarbuiten een vooraanstaand kenniscentrum op het gebied van circulair bouwen te bouwen. Hiervoor brengt zij ondernemers, onderwijs, onderzoek, overheid en maatschappelijke organisaties samen.

Circulair Centrum Nederland verbindt

Door kennis en praktijk met elkaar te verbinden, wil Circulair Centrum Nederland projecten realiseren die laten zien dat circulair bouwen haalbaar én schaalbaar is. In het centrum is plaats voor iedereen. Inclusiviteit is een van de pijlers onder de organisatie, naast circulariteit en duurzaamheid. Het centrum biedt ruimte voor onderwijs en onderzoek. Verder geeft het start-ups de mogelijkheid om gebruik te maken van diverse faciliteiten en hun netwerk uit te breiden. Daarnaast kunnen bedrijven en instellingen kantoorruimte huren. Maar ook evenementen organiseren en gebruikmaken van modern ingerichte vergaderruimten en een congresruimte.

Circulair Centrum Nederland brengt partijen uit verschillende disciplines bij elkaar om nieuwe vormen van samenwerking te ontwikkelen. Want circulair bouwen vraagt niet alleen om andere materialen en technieken, maar ook om een andere manier van samenwerken. Door kennis, ervaring en belangen met elkaar te verbinden, ontstaan nieuwe oplossingen en kunnen partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor een toekomstbestendige bouwsector. Wil je in dit gebouw werken, leren, innoveren en ontmoeten?

Bron: Circulair Centrum Nederland

Beter grondbeleid moet woningbouw aanjagen en tekorten gemeenten verkleinen

0
Grondwaardemethode moet bouw versnellen en tekort verkleinen

Om gebiedsontwikkeling te versnellen en het grondbeleid te verbeteren, maakt het kabinet meer duidelijke keuzes, zo laat zij weten. Men wil meer, sneller en beter bouwen. Daarvoor is betaalbare grond belangrijk. De kosten van publieke voorzieningen worden nu meegenomen bij het bepalen van de zogeheten inbrengwaarde van grond. Daardoor wordt het verhalen van kosten door gemeenten duidelijker. Gemeenten en ontwikkelaars weten zo beter en eerder waar ze aan toe zijn. Hierdoor kunnen zij beter afspraken maken over de financiering van gebiedsontwikkelingen.

Minder onzekerheid, meer resultaat

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor voorzieningen als wegen, riolering en groen. Alleen kunnen zij de kosten daarvan niet altijd volledig verhalen. Tegelijkertijd drijft speculatie bij doorverkoop de grondprijzen op. Hierdoor kunnen financiële tekorten ontstaan. Ook duren onderhandelingen tussen gemeenten en ontwikkelaars onnodig lang. Het gevolg daarvan is dat woningbouwprojecten vertraging oplopen, duurder worden of helemaal niet doorgaan.

“We moeten meer woningen bouwen zodat we woningzoekenden sneller kunnen helpen. Gemeenten en marktpartijen zijn daarin onmisbare schakels en hebben baat bij duidelijkheid. Door vooraf de kosten van publieke voorzieningen mee te nemen in de inbrengwaarde van de grond en deze kosten te verduidelijken, voorkomen we financiële tekorten bij gemeenten. En bieden we ontwikkelaars duidelijkheid vooraf. Zo kunnen woningbouwprojecten sneller van de grond komen en krijgen meer mensen een dak boven hun hoofd”, aldus minister Elanor Boekholt-O’Sullivan.

Residuele grondwaardemethode

Zoals afgesproken in het coalitieakkoord komt de minister met een voorstel voor een beter werkend systeem voor de inbrengwaarde van grond. De residuele grondwaardemethode (pdf). Deze methode houdt in dat de publieke kosten aan het begin worden meegenomen bij het bepalen van de inbrengwaarde van grond. Ook wordt verduidelijkt welke kosten de gemeenten kunnen verhalen op de projectontwikkelaar.

Helder grondbeleid en versnellen

Deze nieuwe grondwaardemethode vraagt om een zorgvuldige uitwerking en heeft vooral effect op toekomstige woningbouwprojecten. De maatregelen worden uitgewerkt in goed overleg met de gemeenten, ontwikkelaars, taxateurs en andere betrokkenen. Het doel is om de woningbouw te versnellen zonder private investeringen onnodig te belemmeren. Een overgangsregeling moet voorkomen dat lopende projecten worden ontregeld.

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.