Home Blog Pagina 407

Bouwsector trekt vanaf 2015 enorm aan

0
Taco van Hoek EIB

Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) stelt in het rapport `Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid` dat de bouwsector vanaf 2015 enorm aantrekt. De woningbouwproductie zal in 2015 met 17% groeien en in de periode daarna, van 2016 tot en met 2019, groeit de bouwproductie gemiddeld met 10,5% per jaar.

EIB: “Het wordt een heel fors herstel”

`De bouw wordt de komende jaren de grote groeisector`, stelt EIB-directeur Taco van Hoek. Een voorziene groei van 17% is ongekend. `Dat hebben we lange tijd niet kunnen zeggen.` De afgelopen jaren kromp de bouw. Vergeleken met 2008 ligt de productie een kwart lager en de woningnieuwbouw 40% lager. Dit jaar zal de nasleep van de crisis nog merkbaar zijn, met een dalende woningproductie van 7%. De grond-, weg-, en waterbouw stabiliseert dit jaar en de utiliteitsbouw groeit dit jaar licht met 1%. De utiliteitsbouw en de grond-, weg-, en waterbouw groeien de komende jaren minder sterk, met percentages rond de 2%.

De vraag naar woningen zal groeien. `Het wordt een heel fors herstel, dankzij de marktkrachten`, aldus Van Hoek. `Op een breed front is sprake van herstel` concludeert hij. `De woningverkopen nemen toe, de prijzen stabiliseren en de orderportefeuilles van aannemers laten een lichte stijging zien.`

Bron: Financieel Dagblad

Bouwsector trekt vanaf 2015 enorm aan. Zie ook:
Bouwsector dit jaar nog onder druk.

Rotterdam Centraal wint Daylight Award

0
Daylight_Award
Daylight_Award

Tijdens het congres Licht 2014 in het Congresgebouw World Forum in Den Haag is op 22 september 2014 voor de vierde keer de Daylight Award van Stichting Living Daylights uitgereikt. Het Centraal Station van Rotterdam is dit jaar door de vakjury gekozen tot winnaar.

De jury vond vooral de opeenvolging van ruimten bestaande uit de drie basiselementen van het station: de entreehal, de transferhal en de perronoverkapping, bijzonder. Elk element kent haar eigen vorm van daglichttoetreding. Rotterdam Centraal Station scoort daarnaast onbetwist als hoogste op het criterium locatie en gebruik. “De reiziger kijkt op veel plekken door het hele station en kan zich prima oriënteren. Het daglicht vergezelt hem bij al zijn bewegingen en is letterlijk leidraad; naar binnen, naar buiten en door het gebouw heen”, aldus juryvoorzitter Koen van Velsen.

De Daylight Award
De Daylight Award is in het leven geroepen om gerealiseerde projecten waarin het samenspel tussen dag- en kunstlicht vernieuwend is voor het bouwconcept, onder de aandacht te brengen. Het primaire doel van de award is om opdrachtgevers en ontwerpers te stimuleren om daglichttoepassingen integraal in het ontwerp van een gebouw mee te nemen.
De jury van de Daylight Award bestaat dit jaar uit:
[list color=”dark”]

  • Koen van Velsen (voorzitter van de jury)
  • Francesco Veenstra (voormalig winnaar Daylight Award)
  • Lars Courage (voormalig winnaar Daylight Award)

[/list]
Verder namen plaats in de jury: Solmaz Esmailzadeh (lichtspecialist bij ARUP), Paul van Bergen (directeur van DGMR), Peter de Winter (hoofdredacteur ArchitectuurNL en Bouwwereld) en Sander Mirck (Mirck Architecture), namens de Stichting Living Daylights.

Daglicht in het gehele ontwerp
Om tot de winnaar te komen is de jury op bezoek geweest bij de genomineerde projecten. Daglicht blijft volgens de stichting iets wat ervaren moet worden. Er waren verschillende argumenten waarom Rotterdam Centraal Station de winnaar van de award is geworden, zo vertelt juryvoorzitter Koen van Velzen. “De entreehal vangt op veel verschillende plekken daglicht. Aan de voorzijde via de transparante gevel met het hoge dakoverstek, aan de zijkanten via de eveneens transparante doorgangen naar de bus- en tramstations en van boven via grote maar onnadrukkelijke daklichten. Het samenspel tussen kunst- en daglicht is bij Centraal Station Rotterdam erg sterk. In de transferhal komt daglicht binnen via de vides ter plaatse van de perrontrappen en de perrons zelf zijn geheel transparant overkapt. Door middel van prints en een patroon van zonnecellen op het glas van de overkapping wordt een eventueel teveel aan lichtinval getemperd. Al deze elementen hebben er voor gezorgd dat het centraal station de winnaar is geworden.

Inzendingen
De ingezonden projecten maken duidelijk dat daglicht steeds vanzelfsprekender wordt binnen de (her)ontwikkeling van de gebouwde omgeving. Stichting Living Daylights wil dit aan de hand van de Daylight Award blijven stimuleren. Opvallend was dat de jury deze editie besloot geen woningbouwprojecten te nomineren voor de prijs. Veel inzendingen in deze categorie stralen weliswaar zorg, aandacht en gedegen vakmanschap uit, maar ontberen het prikkelende en vernieuwende effect dat nodig is voor een Daylight Award.

Om daglichtgebruik ook in de woningbouw te blijven stimuleren, heeft de jury besloten de projecten: Schuren(Border Architecture), House W (Studio PROTOTYPE) en Boerderij de Borkeld (Reitsema & Partners architecten) een eervolle vermelding toe te kennen voor gedegen vakwerk met aandacht voor daglicht.

Verhagen en Rutte bespreken extra investeringen infrastructuur

0
Verhagen en Rutte

Voorzitter Maxime Verhagen, de voorzitter van Bouwend Nederland heeft bij premier Mark Rutte gepleit voor extra investeringen in infrastructuur. Dat deed Verhagen tijdens een kort bezoek van de Eerste Minister aan de speciale Bouwkeet op de stoep van de Tweede Kamer.

“Verhagen wil dat het zogeheten MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) verlengd wordt”

Verhagen vroeg aandacht voor het feit dat de miljarden die nu gereserveerd zijn voor de grote infraprojecten in Nederland bijna op zijn. Hij wil daarom dat het zogeheten MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) verlengd wordt. En wel tot 2040. Dat zou er in de praktijk op neer komen dat meer investeringen, bijvoorbeeld om Nederland klimaatbestendig te maken, naar voren gehaald worden.

Een dergelijk voorstel werd eerder deze week bij de Bouwkeet gedaan door fractievoorzitter Diederik Samson van regeringspartij PvdA. Premier Rutte stelde daarom lachend bij de Bouwkeet: “Ik begrijp dat Maxime (Verhagen) nu een PvdA-voorstel omarmt. Ik heb op zijn vraag geen ‘ja’ of ‘nee’ gezegd. Ik heb Maxime beloofd erover na te denken.”

Verhagen benadrukte tijdens de ontmoeting met premier Mark Rutte ook het belang voor de bouw van het lage btw-tarief voor renovatie. Hij bedankte de premier dat het kabinet die btw-verlaging weer tot 1 juli volgend jaar heeft verlengd.

Groei industriële productie zet in 2014 door

0
Groei industrie

Na een goede start in het eerste kwartaal van 2014 maakte de industrie een relatief zwak tweede kwartaal mee, maar Groei industriële productie zet in 2014 door, aldus ABN AMRO. Terwijl de productie in de eerste drie maanden nog groeide met 3,5 procent in vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder, nam dit in het tweede kwartaal af naar 0,8 procent groei op jaarbasis. Deze afvlakking is in bijna alle industriële branches zichtbaar. Zo is de productiegroei in de chemische industrie in het tweede kwartaal gedaald naar een niveau onder het lange-termijngemiddelde van 1,8% op jaarbasis. Ook in 2015 verwacht men in deze sector niet direct een sterkere groei, want hiervoor zijn de structurele problemen, zoals een sterkere internationale concurrentie, te groot.

De rubber- en kunststofindustrie staat er gunstiger voor, alhoewel deze branche ook te maken heeft met toenemende concurrentiedruk. De productiegroei in deze branche zakte in het tweede kwartaal in, maar bleef net boven het lange-termijngemiddelde. In de basismetaalindustrie is de productie dit jaar gegroeid. Tot en met juli was sprake van 7,5 procent groei op jaarbasis. Net als de machinebouw laat deze sector sterke groeicijfers zien. ABN AMRO gaat uit van een productiegroei van 5 procent over geheel 2014 voor de basismetaalindustrie. De machine-industrie is momenteel de parel van de industriële sector en zal dit jaar met 6 procent joj groeien. De productie van metaalproducten kromp met 1,6 procent in juni op jaarbasis, maar is tot dusver al gegroeid met 3,2 procent j-o-j. Al met al geldt dat bedrijven die leveren aan export-intensieve branches in 2014 en 2015 zullen profiteren van de groei van de export.

Orderportefeuille trekt aan en Duitse economie veert op
Het vertrouwen van ondernemers in de industrie ebde aan het begin van dit jaar weg door lage verwachtingen over de inkomende orders en zorgen over de afvlakkende Duitse groei. Ondanks het feit dat de verwachtingen over de nieuwe orders nog relatief laag is, gaan wel meer ondernemers ervan uit dat zij extra orders zullen plaatsen bij hun leveranciers de komende maanden. Ook is sprake van een lichte toename van de orders in maanden werk.

Voor Nederland zijn de economische ontwikkelingen in Duitsland, onze grootste handelspartner, van groot belang. Ook hier geldt dat veel indicatoren in het tweede kwartaal hun neerwaartse lijn hebben gehandhaafd. Maar de meest recente cijfers zijn echter positief. De industriële orders zijn dit jaar gegroeid met 4,4% op jaarbasis, neemt de inkoopmanagersindex weer toe en is de industriële productie na een aantal mindere maanden in de eerste helft van 2014 weer gestegen. Men verwacht dat de marktomstandigheden in de rest van het jaar zullen verbeteren. Een sterkere wereldeconomie en de daling van de euro zullen in de komende maanden steun bieden aan de groei van de industriële sector. Niet alleen in Duitsland, maar ook in Nederland.

Groei in 2014 met 2,5 procent
De wereldhandel groeit dit jaar met 3 procent op jaarbasis en volgend jaar met 6 procent. De industrie is met name afhankelijk van de groei van de export en Europa en Azië spelen hier een voorname rol. Maar juist deze regio’s worden nu geconfronteerd met een periode van economische onrust en onzekerheid. Om die reden is het vertrouwen van producenten nog relatief zwak en schommelt sinds begin dit jaar rond het lange-termijngemiddelde. Gedurende de laatste maanden van dit jaar gaan wij echter uit van verder mondiaal herstel. ABN AMRO denkt echter dat 2014 zal worden afgesloten met een bescheiden herstel van de Nederlandse economie en gaat voor 2014 uit van een productiegroei van 2,5 procent j-o-j. In 2015 neemt de economische groei toe naar 1,5% j-o-j en gaan wij uit van een groei van de industriële productie van 3,0% op jaarbasis.

Het volledige rapport is hier te downloaden.

Nieuwe openbaar vervoer terminal (OVT) Arnhem

0
OVT Arnhem - JBO op 40m hoogte

In opdracht van ProRail realiseert Ballast Nedam, in combinatie met BAM, de prestigieuze openbaar vervoer terminal (OVT) in Arnhem. Hét sluitstuk van de werkzaamheden in het gehele stationsgebied van de stad. De complexe vorm en de innovatieve uitvoeringstechnieken kenmerken het project.

In 1996 ontstond het masterplan voor verbouwing van het stationsgebied rondom Arnhem Centraal, één van de grootste naoorlogse ontwikkelingen van de stad. Een noodzakelijke verbouwing, want naar verwachting wordt station Arnhem met 110.000 reizigers per dag in 2020 een van dé knooppunten van openbaar vervoer in Nederland. Tot 2015 vinden werkzaamheden plaats om het station en haar directe omgeving te vernieuwen (160.000 m2 bouw op 40.000 m2 grondoppervlakte). Vanaf 1997 is gestart met de sloop van de eerste panden en de bouw van de ondergrondse parkeergarage. Binnen het masterplan Arnhem Centraal zijn verschillende deelprojecten los van elkaar gebouwd. In 2007 zou het sluitstuk van dit prestigeproject worden aanbesteed, de bouw van de OV Terminal. De ­OVT- die perrons, busstation, parkeergarage en fietsenstalling met elkaar verbindt, is zoals gezegd het sluitstuk. Oftewel, ‘de gouden kers op de taart’, volgens Joeri Boekhorst, werkorganisator bij BAM Utiliteitsbouw en namens de Bouwcombinatie OV Terminal Arnhem (BCOVTA) als omgevingsmanager betrokken bij het project.

Fases

“De OVT zou in eerste instantie in zijn geheel gebouwd worden; de afbouw van de perrontunnels en de realisatie van de ondergrondse fietsenstalling, de stationshal met daarbij een kantoorgedeelte (K5)”, vertelt Boekhorst. “Maar de aanbesteding mislukte. Geen aannemer kon het werk bouwen binnen het beschikbare budget. Omdat het project raakvlakken had met andere deelprojecten, was het noodzakelijk dat een gedeelte van dit project wel uitgevoerd zou worden. Immers andere deelprojecten zouden anders vastlopen. Er is toen besloten het project OVT in twee fases te knippen. De eerste fase, de afbouw van de perrontunnel en de bouw van de ondergrondse fietsenstalling, is in 2011 afgerond. We zijn nu bezig met fase 2; de bouw van de centrale hal (OV Terminal) en het aangrenzende kantoor.”

De aanneemsom van de laatste fase is 35 miljoen euro. Het uitgangspunt is, dat de aannemer binnen het budget blijft, maar vrij is in het bedenken en aandragen van ‘slimme’ oplossingen. En die slimme oplossingen zijn er. Joeri Boekhorst: “Het was de bedoeling de hal geheel in beton uit te voeren. Dat bracht veel risico’s en kosten met zich mee om de bedachte exotische krommingen uit te timmeren. Daarom hebben wij voorgesteld het dak uit te voeren in de vorm van een stalen scheepsromp. De stalen vormen kunnen prefab in fabrieken worden geproduceerd, waardoor de risico’s kleiner en beter te beheersen zijn. Bovendien, met staal is de constructie vele malen lichter.”

Licht, ruimte en comfort

We praten met Joeri Boekhorst verder over het ontwerp van de terminal, gemaakt door architectenbureau UNStudio. Bij het ontwerp moest rekening gehouden worden met de hoogteverschillen die er van nature zijn rond het station. Dit is opgelost door meerlaags grondgebruik en glooiende vormen. Hierdoor is het station gemakkelijk toegankelijk en overzichtelijk. Licht, ruimte en comfort zijn elementen die centraal staan binnen het ontwerp. Joeri Boekhorst: “De stationshal is zo ontworpen dat de gebruikers alle voorzieningen kunnen gebruiken zonder dat ze trappen op of af moeten. Vanuit de centrale hal loop je de parkeergarage, de fietsenstalling en het overdekte parkeerstation voor de streekbussen in. De diverse winkels en horeca zijn gemakkelijk bereikbaar. Alles loopt vloeiend in elkaar over. Om even uit te rusten, zijn horizontale vlakken gebouwd. Alle locaties zijn bovendien per lift of per trap bereikbaar. Het gebouw is dan ook voor mindervaliden goed toegankelijk. Door het gebruik van verschillende materialen zijn de hoofdroutes voor visueel gehandicapten duidelijk waarneembaar. De hoofdtoegangen hebben grote tourniquets, die uitstekend met rolstoelen en kinderwagens te betreden zijn. En, bij de uitgangen worden automatische deuren met drukknopbediening geplaatst.”

Van fronttwist tot trompet

Het ontwerp en de bouwtechniek, vooral het stalen dak in de vorm van een scheepsromp, zijn vooruitstrevend. Boekhorst vervolgt: “Als centrale kolom in de hal is de ‘fronttwist’ bedacht; de ‘eyecatcher’. Het element, dat 16 meter hoog is en bovenin een spanwijdte heeft van 26 meter, begint onderin de fietsenstalling en draagt het dak. In feite komen alle ‘lijnen’ bij de ‘fronttwist’ bijeen. De vloeren en wanden lopen er in over. Bovenop de ‘fronttwist’ komt een grote glaskap, opdat er genoeg daglicht naar binnen komt. Naast de ‘fronttwist’ kennen we ook de ‘flip’. Technisch gezien is dit het meest ­kritische onderdeel. Het vormt de centrale ondersteuning van de ‘balcony’ en is ook het punt waarop het schaaldak van de terminal zijn krachtsafdracht doet. De ‘flip’ is het ultieme voorbeeld waarin beton- en scheepsbouwtechniek letterlijk met elkaar verweven zijn. Hiervoor hebben we een nieuwe rekenmethode ontwikkeld. Dit maakt het project uniek. Voor zover bij ons bekend, is deze constructietechniek nog nergens toegepast. Het punt is, de berekeningswijze van een schip wijkt totaal af van die van een gebouw. De scheepsbouwtechniek wordt wel vaker in de bouwwereld toegepast. Daarbij is de fundering vaak van beton en komt de constructie, die er bovenop staat, uit de scheepsbouw. Omdat de twee werelden dan niet met elkaar verweven zijn, is een nieuwe rekenmethode dan niet nodig.”

Nog een ander voorbeeld van ‘kunstzinnige’ bouw is de ‘roadbridge’, een betonnen vloer die de brug vormt tussen de nieuwe Stationsstraat en het kantorenplein waar straks auto’s overheen kunnen rijden. En wat te denken van de diverse façades? Deze constructies, die de hal in grote mate afsluiten voor weersinvloeden, zijn gemaakt van staal en glas. Ze bevinden zich deels kronkelend en hellend tussen de ‘balcony’, de ‘roadbridge’ en het dak van de terminal. Als laatste noemen we de ‘trompet’; de belangrijkste ondersteunende gekromde pilaar voor het kantoorgebouw K5, dat deel uitmaakt van de totale constructie en tegen de stationshal wordt aangebouwd.

Uitdagingen

De nieuwe OVT kan met recht een uitdaging genoemd worden. Een technische uitdaging omdat, zo zegt Joeri Boekhorst, niets recht is. Aan een waterpas heb je hier niets. Maar er zijn meer uitdagingen, zoals de bouw­logistiek. “We bouwen in een stationsgebied”, vervolgt de werkorganisator, “waarin alles in bedrijf is. Denk aan het busstation. Alles moet in bedrijf blijven. Een continue afstemming met alle partijen is dan ook vereist. Soms zijn we genoodzaakt ’s nachts te werken. Daarnaast engineeren we de bouw zodanig, dat we op bepaalde plekken gemakkelijk kunnen faseren. Ook hebben we tijdelijke staalconstructies (700 ton, gelijk aan het gewicht van het dak) aangebracht opdat mensen overdag kunnen lopen/reizen en wij werken. Naast deze logistieke uitdaging was er die van het bouwen van de terminal op de bestaande constructies. Verschillende bouwprojecten, waar wij op aansluiten, zijn aan ons project vooraf gegaan. Wat bleek? De bestaande constructie kon de krachten, die uit de terminal kwamen, niet opnemen. Hiertoe hebben we de engineering opnieuw bekeken. We hebben onder andere staalconstructies toegevoegd om bestaande constructies te stabiliseren. Trekbanden zijn aangebracht om tegendruk te creëren, waardoor de krachten in de constructie zelf opgenomen worden. Daarnaast is de krachtswerking in de nog te bouwen terminal aangepast, waardoor belastingen anders door de constructie geleid worden.”

Extra dimensie

Eind 2015 moet ‘de gouden kers op de taart’ in gebruik genomen worden. De niewe OVT, het paradepaardje van de stad Arnhem, waarbij vele complexe en innovatieve uitvoeringstechnieken toegepast zijn en worden. Hij is er trots op, Joeri Boekhorst. Lachend zegt hij: “We hebben al een schapje gereserveerd voor de nationale Staalprijs”. Ook voor hemzelf is het een bijzonder project, vertelt hij tot slot. “Ik kom uit de omgeving van Arnhem. Als klein jochie kan ik me het oude station nog herinneren. Toen ik begon met studeren, was het een grote bouwput. Nu ik bij de BAM werk, mag ik meewerken aan het slotstuk. Buiten dat het al een uniek project is, geeft dit voor mij nog een extra dimensie.”
[tabs]
[tab title=”Extra informatie”]
Arnhem Centraal

[/tab]
[tab title=”Algemene informatie”]
[list color=”dark]

  • Opdrachtgevers: Gemeente Arnhem, ProRail, NS
  • Financiers: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Gemeente Arnhem, NS, Provincie Gelderland, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
  • Ontwerp: UNStudio
  • Aannemer: Bouwcombinatie OV Terminal Arnhem (BCOVTA), waarin BAM Utiliteitsbouw bv en Ballast Nedam Bouw en Ontwikkeling B.V. participeren
  • Investering: 635 miljoen euro totale project, fase 2 (OVT) betreft 35 miljoen euro.
  • [/list]

    [/tab]
    [tab title=”Technische details”]
    [list color=”dark]

  • Bruto dakoppervlak: circa 4500 m2
  • Bruto vloeroppervlak: circa 6200 m2
  • Structuur/materialen: staal, aluminium en koud gevormde glazen daken (toepassing van zo’n 36 soorten glas)
  • Tourniquets: 19
  • Isolatie van dak/gevels én vloerverwarming in de gehele OVT
  • Staal in terminal: ca. 750 ton verdeeld over 144 secties
  • Staal in K5: ca. 480 ton
  • Daken bekleed met Glasvezelversterkte betonnen panelen, ca. 1500 stuks (4500 m2)
  • [/list]

    [/tab]
    [/tabs]

    I/O modules voor elk gebouwbeheersysteem

    0
    Mondial College Nijmegen, Illustratie Factor Architecten

    Toen Megens Installaties twee jaar geleden de I/O modules van Metz Connect ging toepassen in combinatie met gebouwbeheersystemen van verschillende fabricaten was dat vernieuwend. Inmiddels gebeurt het vaker: I/O modules voor elk gebouwbeheersysteem. Armand van Andel, technisch directeur: ‘Het kan niet altijd, maar soms loont het de moeite om buiten de gebaande paden te kijken. Als kennispartner zijn we dat aan onze opdrachtgevers verplicht.’

    De bouw evolueert, installaties worden steeds geavanceerder en van de schakels in de bouwketen wordt in toenemende mate geëist dat ze intensiever en integraler samenwerken. Megens Installaties heeft deze koerswijziging aangevoeld en een strategie uitgestippeld die nu lijkt te renderen. Armand van Andel: ‘Opdrachtgevers verlangen steeds meer expertise en kennis in de context van een totaaloplossing. Daarom bieden wij een betrouwbare dienstverlening, openheid en betrokkenheid, en denken wij mee in nauwe samenwerking met onze leveranciers. Alles om tot een innovatief en duurzaam eindresultaat te komen. Daarom hebben wij ruim 3 jaar geleden groots ingezet op BIM. Ook regeltechniek is bij Megens Installaties een belangrijk onderdeel van een goed werkende installatie. Wij werken regelmatig met gebouwbeheersystemen van Priva. Ongeveer 10 jaar geleden is Megens Installaties een partner geworden van Priva regelsystemen. Inmiddels werken er fulltime 3 regeltechnici binnen het bedrijf. Zij ontwerpen, programmeren en stellen de installaties in bedrijf op locatie. Wil je maatwerk leveren en duurzame totaaloplossingen? Dan zul je de regie moeten voeren over de technische kennis. Daarbij is het altijd zoeken naar de balans tussen innovatie, kwaliteit en kosten. Zo ook was het geval met de Modbus I/O modules van Metz Connect, op de Nederlandse markt vertegenwoordigd door Vedotec.’

    Aanleiding

    Twee jaar geleden was Megens op zoek naar een andere toepassing voor naregelingen. Vedotec had deze intelligente componenten met veldbus Modbus net nieuw in het assortiment, verkrijgbaar met digitale en analoge input en output en als mixed module. Henny Verdonck van Vedotec vult aan: ‘Deze intelligente I/O modules zijn geschikt voor elk fabricaat gebouwbeheersysteem.’

    Functie

    Grofweg zijn er twee mogelijkheden in het gebruik. De I/O modules fungeren als naregeling of als I/O op afstand. Naregeling is wat meer ruimtegericht; hiermee regel je de temperatuur, luchthoeveelheden, zonwering, CO2 in een ruimte, eventueel op basis van aanwezigheidsdetectie. Gebruik je de modules als I/O op afstand, dan zijn ze meer geschikt voor het regelen van zones en het aansturen van apparatuur die op afstand zit. Zo compact als ze zijn, zo veelzijdig zijn de componenten in het gebruik, getuige het aantal projecten waarbij Megens koos voor deze combinatie.

    Naregeling voor zones

    Het Mondial College is een school van 10.000 m2 die net voor de bouwvak is opgeleverd. In dit project paste Megens de I/O modules toe als naregeling voor zones. Armand vertelt: ‘In dit gebouw zit een WKO-installatie. Warmte wordt centraal opgewekt in het gebouw en er wordt koude gehaald uit de bodem. Het gebouw is grotendeels voorzien van vloerverwarming en vloerkoeling. Afhankelijk van de oriëntatie en functies is er een indeling gemaakt en wordt er per zone ook naverwarmd of gekoeld middels lucht. Daarvoor worden deze modules toegepast. Ze zijn dus op zoneniveau ingezet voor de naregeling van de temperatuur.’

    Ruimteregeling

    Het kan ook anders. Bij De Waag bijvoorbeeld, een zorggebouw voor mensen met autisme. Daar heeft Megens de I/O modules als ruimteregeling ingezet voor de naregeling van de temperatuur. Overigens zijn hier geen bedieningen of opnemers aan de muur aangebracht, aangezien de cliënten ze in een mum van tijd van de muur afhalen. Bij De Waag is in de betreffende ruimtes een plafondsensor ingebouwd. Via deze sensor, aangesloten op de naregeling, wordt de temperatuur in de ruimte gemeten. De naregelingen kunnen centraal, dus via het gebouwbeheersysteem, benaderd worden. Via buscommunicatie worden de juiste waardes centraal toegekend aan de verschillende ruimtes.

    Inclusief CO2 meting

    In het geval van de Baarnse School en VSO Rotsoord zijn de I/O modules ingezet als ruimteregeling voor temperatuur. Bovendien wordt het CO2 percentage in de ruimte gemeten en is aanwezigheidsdetectie toegepast. In deze gebouwen regelen de modules dus niet alleen de ruimtetemperatuur, maar ook de luchthoeveelheid in de ruimte op basis van CO2 in combinatie met aanwezigheid.
    Armand van Andel: ‘Bij een dergelijke toepassing zie je vaak dat in de ruimte voor de diverse meetwaarden (temperatuur en CO2) meerdere opnemers moeten worden geplaatst. Door een bedieneenheid te plaatsen die is voorzien van een temperatuur- en een CO2 sensor, zijn er geen 2 opnemers meer nodig. Daar komt nog bij dat op het display van de bediening de verschillende waardes worden getoond. De bedieningen worden middels een ‘busprotocol’ aan de I/O modules en het bovenliggende gebouwbeheersysteem gekoppeld. Deze bedieningen en sensoren worden eveneens door Vedotec geleverd. Wij maken dus gebruik van één leverancier die ons één geïntegreerde oplossing levert voor de naregeling.’

    “Het is net LEGO”

    Ontwikkelingen

    Op de vraag of de I/O modules nog doorontwikkeld worden, antwoordt Henny Verdonck: ‘Deze componenten hebben zich in de afgelopen jaren goed bewezen. De markt heeft ze leren kennen. Wat je nu ziet gebeuren, is dat er steeds meer vraag komt naar de mixed module, zodat ze heel flexibel kunnen worden ingezet voor specifieke toepassingen. Het is net LEGO.’

    Voordelen

    Flexibiliteit is absoluut een belangrijk voordeel van de I/O modules. Daardoor zijn ze ook geschikt voor renovaties en uitbreidingen, en kunnen ze vrij eenvoudig in een later stadium worden toegepast. ‘Zorgorganisatie Lunet zorg is daar een mooi voorbeeld van’, haakt Armand in. ‘Daar waren de eerste twee gebouwen van een groter project niet voorzien van naregelingen. Die hebben wij naderhand met behulp van deze I/O modules aangebracht. Op dat moment, in die fase van het project scheelde dat enorm veel geld terwijl de gevraagde functionaliteit toch kon worden toegevoegd.’
    En daarmee is ook het tweede voordeel benoemd: functionaliteit. Armand: ‘Deze componenten zijn heel functioneel. Ze doen wat ze moeten doen. Verder scheelt het bij de aanleg vaak veel bekabeling en ruimte. Enkele I/O modules kunnen zomaar 10 naregelingen vervangen. Ga maar na wat dat bij grote projecten met de kosten doet, terwijl de kwaliteit toch behouden blijft. De prijs-kwaliteitverhouding is dan ook een belangrijk argument om in bepaalde projecten te kiezen voor deze componenten, zonder in te leveren op kwaliteit en functionaliteit.’

    Partners

    De oplossing van I/O modules van Metz Connect in combinatie met een willekeurig gebouwbeheersysteem is bij Megens Installaties inmiddels gestandaardiseerd. ‘Mits het bestek dit toelaat en het ook echt de beste oplossing is’, nuanceert Armand. ‘Want het kan net zo goed zo zijn dat de module dan misschien stukken goedkoper is, maar dat het werk wat er bij komt kijken, het totaal weer veel duurder maakt of de module functioneel niet is in te zetten. Wij merken dat de toonaangevende adviesbureaus inmiddels overtuigd raken van de meerwaarde die deze combinatie kan bieden. Desalniettemin blijft het continu een afweging om tot de beste oplossingen te komen.’

    Wat dat betreft zitten Megens en Vedotec op één lijn. Armand tot besluit: ‘Wij zijn vooral een bedrijf dat gaat voor kwaliteit en een goed functionerende technische oplossing. De laagste prijs is daarbij natuurlijk van belang, maar niet bepalend. Wij willen alleen dingen maken die werken. Die filosofie kost ons soms werk. Maar het levert ook werken op. Opdrachtgevers raken er steeds meer van overtuigd dat kwaliteit belangrijker is dan de prijs. Door de zorg die we besteden aan ons werk en het kwaliteitsniveau tegen een redelijke vergoeding, worden we regelmatig teruggevraagd. Met veel opdrachtgevers hebben we dan ook een langdurige relatie, zowel voor nieuwe installaties als voor beheer en onderhoud. Het is prettig dat we kunnen terugvallen op een leverancier als Vedotec. Samen verkennen we de mogelijkheden en boetseren we net zolang totdat we de beste oplossing hebben gevonden, voor de opdrachtgever én de gebruiker van het gebouw.’

    [tabs]
    [tab title=”Vedotec”]
    De Vijf Boeken 1k
    2911 BL Nieuwerkerk aan den IJssel
    T 088 833 68 00
    info@vedotec.nl
    www.vedotec.nl

    [/tab]
    [/tabs]

    Nederland de Digital Delta van Europa

    0
    NL als Digital Delta

    “Nederland kan de ideale proeftuin en testmarkt voor nieuwe ICT-producten, diensten en toepassingen worden. Door gericht actie te nemen en als overheid, bedrijfsleven, onderwijs en wetenschap samenwerken kan Nederland de eerste echt digitale economie van Europa worden. Nederland wordt dan een aantrekkelijke vestigingsplaats voor start-ups en innovatieve bedrijven.” Dit betoogde Bart Hogendoorn, voorzitter van Nederland ICT, tijdens de Avond van de Digitale Economie. Nederland ICT wil dat Nederland de Digital Delta van Europa wordt.

    Nederland heeft volgens Hogendoorn een uitstekende uitgangspositie, onder meer dankzij de uitstekende digitale infrastructuur. De voorzitter van Nederland ICT deed een omroep aan gemeenten en regio’s om niet met elkaar te concurreren, maar om samen te werken en zodoende Nederland als geheel concurrerender te maken. De ambitie van Nederland ICT kreeg steun van Hans de Boer, voorzitter VNO-NCW. De Boer beklemtoonde nogmaals dat een flexibele arbeidsmarkt noodzakelijk is om concurrerender te worden. Bas Eenhoorn, Nationaal Commissaris Digitale Overheid, beloofde dat over twee jaar de digitale infrastructuur van de overheid op orde is. René Penning de Vries, zojuist benoemd door het kabinet als ICT Boegbeeld, presenteerde tijdens de Avond van de Digitale Economie de contouren van het actieplan van zijn ICT Team. Tineke Netelenbos, voorzitter van ECP en tevens Digital Champion, waarschuwde dat Nederland op het gebied van ICT en onderwijs internationaal achterop dreigt te raken. In andere EU-landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, is ICT al ingebed in onderwijsprogramma’s.

    “Door gericht actie te nemen en als overheid, bedrijfsleven, onderwijs en wetenschap samenwerken kan Nederland de eerste echt digitale economie van Europa worden”

    Nederland ICT zal de komende periode in gesprek gaan met alle betrokken partijen om te komen tot een concrete gezamenlijke ambitie en afstemming van de actieagenda.
    De Avond van de Digitale Economie is een nieuw initiatief van Nederland ICT en ECP, platform voor de informatiesamenleving, waar kansen voor de digitale economie worden besproken, inspirerende voorbeelden worden gepresenteerd en bijzondere initiatieven in de schijnwerpers worden gezet. Ruim 300 vertegenwoordigers uit bedrijfsleven, overheid en wetenschap waren bij deze eerste editie aanwezig.
    De visie van Nederland ICT is te hier lezen.

    Vol aan de slag met leegstand vastgoedmarkt

    0
    Volle bak aan de slag met leegstand Bunker-599
    bunker 599 - raaaf & atelier lyon fotografie allard bovenberg

    Leegstand teistert de Nederlandse vastgoedmarkt. En door bezuinigingen, stagnerende bevolkingsgroei en ruimtebesparing door technologische innovatie, zijn de prognoses over de komende jaren somber gestemd. Iedere gemeente zit wel in de maag met meer of minder gebouwen zonder functie. Maar kan de vloek niet een zegen zijn? Op plekken waar niemand meer aanwezig is en geen belangen meer zijn, is opeens veel mogelijk. De creatieve, locatiespecifieke benadering van ‘architect van het jaar 2013’, RAAAF, is een sterk wapen om het gevecht met spookgebouwen aan te gaan.

    Al voor 2008 stonden veel gebouwen in Nederland leeg, maar destijds zag de maatschappij daar geen probleem in. Er was geld zat. Slopen en iets nieuws ervoor in de plaats bouwen was de automatische reactie op langdurige leegstand. Toen er na 2008 plotseling geen geld meer was voor sloop en nieuwbouw, moest men op zoek naar nieuwe oplossingen voor de toenemende leegstand. Maar zowel overheid als bedrijfsleven waren niet echt voorbereid op deze situatie. Nu, een aantal jaar later, lijkt een nieuwe lichting architecten zich de veranderde situatie eigen te hebben gemaakt. Vaak jonge architecten zijn bezig met het ontwikkelen en uitwerken van creatieve oplossingen en nieuwe methoden en technieken om de algemene problematiek in de bouwwereld in Nederland op te lossen.
    Waar Nederland rond de eeuwwisseling internationaal furore maakte met Superdutch, waarin alles kon en mocht, is het nu de beurt aan ‘Superhumble’, zoals architectuurcriticus Hans Ibelings deze nieuwe generatie architecten met hun nieuwe, diverse, aanpak noemde. Het grote verschil is dat de ‘nederige’ architect begrijpt dat het niet de tijd is om als architect vanuit een ivoren toren te bepalen wat de maatschappij nodig heeft, maar dat de architect zich verdiept in maatschappelijke vraagstukken en die als vertrekpunt neemt. 3D-printen, gebruik van ambachtelijke bouwmethoden, werken met marktplaatsmateriaal, er zijn voorbeelden te over van innovatie met een sympathiek karakter. Humble moet verder niet begrepen worden als nederig, in die zin dat deze architect een stap terug zouden doen, of dat er met minder middelen minder mogelijk zou zijn. Integendeel. Hoog inzetten en durven dromen heeft de nieuwe generatie wel van de oude meegekregen. Waar Superdutch luchtkastelen werkelijkheid maakte zonder veel aandacht voor de omgeving, neemt Superhumble de bestaande situatie als uitgangspunt, verzint daar associërend een droombestemming voor en probeert die vervolgens te realiseren.

    Uitverkoop bij de overheid

    De nieuwe aanpak is deels het gevolg van en de oplossing voor wijdverbreide leegstand in Nederland. Waar de bedrijfswereld en de burgerbevolking aan den lijve ondervinden dat leegstand op een creatieve manier moet worden aangepakt, lijkt de overheid zich niet echt van de problematiek bewust. Getuige de laconieke wijze waarop minister Blok bezig is – in naam van de bezuinigingen – in de periode tot 2020 0,9 miljoen vierkante meter kantoorruimte en 1,9 miljoen vierkante meter aan andere objecten te slijten op de markt. De in totaal 2,8 miljoen vierkante meter valt uiteen in twee categorieën. Categorie één zijn gebouwen die in het bezit van de overheid zijn. Daarvan staat het grootste gedeelte af te stoten gebouwen nu al leeg. Categorie twee, de grootste categorie, zijn gebouwen die door de overheid nu zijn gehuurd. Deze worden, naar het lijkt, zo snel mogelijk verlaten, zonder dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de markt. Vreemd, aangezien al in 2008 toenmalig rijksadviseur voor het cultureel erfgoed Fons Asselbergs constateerde dat de leegstand van beeldbepalende gebouwen schrikbarend toenam. Naast een ‘Nieuwe Kaart van Nederland’, liet hij op de ‘Oude Kaart van Nederland´ zien dat 900 belangrijke gebouwen, met het karakter cultureel erfgoed, leegstonden. Zijn boodschap vond destijds buiten een kleine kring van professionals geen gehoor.
    Afgelopen juni vond het symposium ‘Diversiteit van de Leegstand’ plaats, georganiseerd door het College van Rijksadviseurs. Minister Blok kwam daar zijn vastgoed aan de man brengen en kreeg van zowel gemeenten als bedrijven advies om toch vooral goed na te denken en gefaseerd te werk te gaan in het afstoten van Rijksvastgoed. Dat het symposium enigszins uitwerking heeft gehad, blijkt uit een bericht van eind augustus op de site van het Rijksvastgoedbedrijf. Deze organisatie is sinds 1 juli 2014 in werking als fusie tussen diverse ministeriële vastgoedonderdelen en de Rijksgebouwendienst. Het bericht geeft een eerste duiding hoe deze afstootopgave, een opgave zonder precedent, gaat worden aangepakt. Er wordt benadrukt dat de Rijksoverheid zelf geen projectontwikkelaar is. En dat samenwerking tussen overheden en bedrijven nodig is om tot creatieve en haalbare voorstellen te komen. Het bericht noemt vijf mogelijke instrumenten voor het vastgoed: directe verkoop, herbestemming, transformatie, gebiedsontwikkeling en tijdelijke functieverandering.

    Leegstand als vakgebied

    Dat die laatste, tijdelijke functieverandering ook als optie wordt genoemd, kan wel eens een direct gevolg zijn van de presentatie die Ronald Rietveld op het symposium gaf. Rietveld is medeoprichter en één van de drie vaste ontwerpers van RAAAF, het meest aansprekende architectenbureau als het gaat om een revolutionaire aanpak van leegstand. Ook hun werk mag humble worden genoemd, gezien de herwaardering voor plekken waar niemand naar omkijkt. Doornen in het oog van gemeenten, rotte kiezen in het landschap.
    In 2010 zette RAAAF, met iets meer succes dan Fons Asselbergs, de leegstand van duizenden bouwsels met het predicaat ‘erfgoed’ op de kaart. Het zal geholpen hebben dat deze inventarisatie van leegstand middels de installatie ‘Vacant NL’ op de Architectuurbiënnale van 2010 in Venetië werd gepresenteerd en internationale waardering kreeg. Het bleek een startpunt om aan de slag te gaan met deze waardevolle gebouwen. De tijdelijke master ‘Vacant NL’, aan het Sandberg instituut, is een direct uitvloeisel van de installatie op de Architectuurbiënnale. Rietveld ziet ‘Vacancy studies’ als nieuw vakgebied. En benadrukt daarbij de tijdelijke aard van de master. Een tijdelijke master, voor tijdelijke oplossingen. Het geld is nu even weg. De gebouwen leeg. De langetermijnvisie voor veel gebouwen zijn zoek. In de tussentijd is er gelegenheid om te spelen met nieuwe vormen. Tijdelijke invullingen van lege gebouwen, die kunnen dienen als testcases voor nieuwe manieren van samenwerken tussen wetenschap, overheid, experts en bedrijfsleven. “We moeten leren denken in opstapelende tijdeenheden voor gebruik van een gebouw. Sequentiële tijdelijkheid. Nu vindt in een gebouw dit plaats, straks dat, en na een aantal jaren kan een beoogde herbestemming wellicht toch nog doorgang vinden, of kan het gebouw alsnog worden gesloopt. Maar in de tussentijd is de maatschappij geholpen.”

    Operatie ‘geheim’

    Ondertussen heeft het bureau zelf een aantal zeer interessante projecten gerealiseerd waarmee vaak op provocatieve wijze duidelijk is gemaakt dat er in zijn algemeenheid veel meer mogelijk is dan vaak gedacht wordt. Rietveld’s presentatie op het symposium benadrukte de mogelijkheden die liggen in tijdelijk hergebruik van leegstaand vastgoed. Een hele rits aan oplossingen en voorbeelden is beschikbaar om aan te tonen dat hun visie geen dagdromerij is. Die visie is beschreven in het recent verschenen boek ‘Vacancy Studies’. Elf basisprincipes dienen als handleiding voor een ‘interventie, een precies gekozen ingreep in stad of land die een gewenste ontwikkeling in gang zet’. Kort door de bocht zijn die elf principes samen te vatten in twee karaktereigenschappen die projectontwikkelaars moeten hebben: zorg er ten eerste voor dat je blik zo ruim mogelijk is, wat betreft toekomst, gebruikers, samenwerkingen, multifunctionaliteit, wat dan ook. En ten tweede, zorg ervoor dat er draagvlak ontstaat, dat je in staat bent de omslag te maken tussen idee en werkelijkheid. Wanneer beide eigenschappen aanwezig zijn, is het mogelijk om droombeelden, de fascinaties van de ontwerper, uiteindelijk te realiseren. Dat blijkt uit het project ‘Secret Operation 610’. Een monsterlijk projectiel op wieltjes, ontworpen voor het verlaten vliegveld Soesterberg. Het ontwerp lijkt in eerste instantie geschikt voor een filmset. Maar het projectiel rijdt nu al een jaar rond op de oude landingsbaan van Soesterberg, met in haar buik de ene keer uitvinders van de TU Delft, en dan weer de top van TNO, of het bestuur van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

    Architectenbluf

    Het aan de man brengen van een project, verzamelen van draagvlak en een duidelijke visie uitdragen naar buiten toe. Dat is een belangrijke karaktertrek van RAAAF. Goed voorbeeld is het eerder genoemde verschil in presentatie van de leegstand met die van Fons Asselbergs. Wellicht had Asselbergs in 2008 te vroeg gelijk, maar de wijze waarop twee jaar later leegstand op de Architectuurbiënnale werd gepresenteerd en ideeën en oplossingen werden aangedragen, leverde wereldwijd bewondering en enthousiasme op. Superhumble? Met een flinke dosis eigenwijsheid en typische architectenbluf zijn sinds 2010 diverse ambitieuze projecten verwezenlijkt. Belangrijk is de hulp van vooruitstrevende gemeenten en provincies. Zo was de gemeente Culemborg betrokken bij het project waarbij een monumentale bunker, onderdeel van de Hollandse Waterlinie, dwars doormidden werd gezaagd. Daarmee werd de mores van UNESCO en erfgoedbeleid aan de laars gelapt, dat de oorspronkelijke vorm van een monument met geen vinger gekrenkt mag worden. Het resultaat was zo’n publiek succes dat het monument inmiddels is voorgedragen voor de UNESCO-lijst. Hulde voor de ambtenaren in Culemborg, die hun nek uitstaken. En, in het geval van de Secret Operation, voor die van de provincie Utrecht, mede-opdrachtgever van dat project. Ronald Rietveld hierover: “De wethouders van Soest hangen nu de vlag uit. Maar van tevoren hadden ze geen idee wat we van plan waren, ze konden het totaal niet overzien en waren er helemaal niet voor.” Gevraagd naar de rol van ambtenaren in het algemeen is Rietveld helder. Gespecialiseerde ontwerpbureaus hebben over het algemeen veel meer kennis van de materie in huis dan bij gemeente of provincie aanwezig is. Het is belangrijk dat de samenwerking tussen alle partijen beter geregeld wordt. Want niet alleen het Rijk kampt met af te stoten gebouwen, maar elke middelgrote gemeente in Nederland zit met tientallen publieke gebouwen zonder functie in de maag.

    secret operation 
610 - raaaf & 
frank havermans Fotografie 
raymond rutting

    Symbolische ontwerpen

    De projecten van RAAAF pogen politiek en bedrijfsleven te stimuleren de materie te begrijpen en de handschoen op te pakken. De projecten hebben, naast dat het voorbeelden zijn van ‘zo kan het dus ook’, een symbolisch karakter. Niet voor niets is er een filosoof verbonden aan het bureau, Erik Rietveld, de broer van Ronald. Zo symboliseert de door midden gekliefde bunker het protest tegen de vooringenomen opvatting dat het altijd beter is om de oorspronkelijke vorm van een monument te behouden. ‘Op het snijvlak van kunst en architectuur’, zo eindigt of begint Ronald Rietveld vaak zijn vele en snelle formuleringen, wanneer hij over de projecten vertelt. Dat snijvlak is het gebied waar de twee broers elkaar de hand kunnen geven. Een ander voorbeeld van hun provocatieve kunst is de tentoonstelling ‘Firemen walk with us’ uit 2011. Brandveiligheid is vaak een heikel punt in de zoektocht naar een bestemming voor een leeg gebouw. Het Eiffelgebouw in Maastricht was, onder meer vanwege veiligheidsredenen, al jarenlang gesloten. Reden genoeg om er een ‘landschap van vuur’ te creëren die buiten het gebouw zichtbaar was, ‘alsof het gebouw in de fik stond’. Zo werd letterlijk zichtbaar dat brandveiligheid geen reden mag of kan zijn voor leegstand. Een creatieve samenwerking met de brandweer, waarom niet?
    De boodschap die Rietveld gemeenten en provincies wil meegeven is ‘veel slimmer na te denken’. “Niet alles hoeft verbouwd te worden. Laat, voordat je iets op de markt gooit, ontwerpend onderzoek verrichten naar de specifieke kwaliteit van een locatie. Dit geldt ook voor de uitverkoop van het Rijkserfgoed. Een onconventionele manier van kijken levert meer op dan men denkt. Wie mij niet gelooft moet maar langskomen in Soesterberg.”
    Slopen die handel? Voor leegstaand erfgoed lijkt dit de perfecte benadering, en op populairdere vestigingsplekken zijn voldoende inventieve rendabele oplossingen te vinden. Niet in de laatste plaats omdat er altijd wel gebruikers gevonden kunnen worden. Maar wat te doen met de rij aan kansloze kantoorpanden, waarvan sommige überhaupt nooit bemand zijn geweest? En in de krimpgebieden in Nederland, hoe ga je daar met leegstand om? Leegstand is daar een invloedrijk onderdeel van de neerwaartse spiraal die als volgt werkt: de plaatselijke economie is gestagneerd, mensen trekken weg, leegstand neemt toe, waardevermindering van grond en vastgoed treedt op, er vindt verpaupering plaats, vervolgens raakt de plaatselijke economie nog meer in het slop, enzovoorts. Sloop lijkt onvermijdelijk. Rudy Stroink pleitte op het symposium voor een snelle sloop van gebouwen die nu al leegstaan. Die zijn immers niets meer waard in de markt en moeten zo snel mogelijk verdwijnen, om de prijzen van vastgoed dat wel de moeite waard is, niet nodeloos laag te houden. Een wat ouderwetse kijk op de vastgoedmarkt. Maar de opmerking ‘het idee dat een gebouw zonder gebruiker nog een waarde vertegenwoordigt, dient als principe verlaten te worden’, klopt. Tenminste, waar het direct financiële waarde van niet-erfgoed betreft. Sloop van niet-erfgoed moet als serieuze optie overwogen worden om leegstand, verpaupering en waardevermindering in krimpgebieden tegen te gaan. Sloop komt in het woordenboek van het Rijksvastgoedbedrijf echter ook na het symposium nog niet voor, getuige het ontbreken van die optie tussen de vijf mogelijkheden van het af te stoten vastgoed. De meest conventionele mogelijkheid om leegstand tegen te gaan in krimpgebieden, lijkt het neerhalen van gebouwen die voor verpaupering zorgen en daarvoor in de plaats positieve impulsen aan een gebied toe te voegen, bijvorbeeld: parken, natuur, stadslandbouw en recreatiemogelijkheden. Het allergoedkoopst is natuurlijk om dergelijke impulsen tot stand te brengen zonder sloop. Zo zijn er wereldwijd voorbeelden te over van stadslandbouw in kantoorpanden.

    Vacant on the move

    Wanneer wordt overgegaan tot sloop kan ook dat een uitdaging vormen. ‘Creatieve destructie’ (Stroink) en ‘creatief slopen’ (Rietveld) deden als terminologie op het symposium haar intrede, maar in de praktijk is er nog weinig concrete invulling aan gegeven. Ook hierin heeft kunst een leidende rol, getuige de installatie van Marjan Teeuwen, die in Amsterdam-Noord een fascinerende binnenwereld creëerde in een ten dode opgeschreven flatwoning. Waar de boel is verlaten en opgegeven, is opeens van alles mogelijk, blijkt uit de installatie. RAAAF denkt onder andere na over ruïnes die een recreatieve functie kunnen vervullen.

    Als het aan Ronald Rietveld ligt, breekt er over de hele linie, inclusief de sloopbranche, een nieuw tijdperk aan. “Wij zijn ervan overtuigd dat een andersoortige benadering nodig is. Overal moeten ontwerpers bij betrokken worden. Het liefst ontwerpers op het grensvlak van kunst en architectuur.” Want die verzinnen overal een oplossing voor, wil Rietveld maar zeggen. Toch moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de serie wegwerpkantoorpanden en erfgoed, of gebouwen die voor erfgoed in aanmerking komen. Per gebouw moet echter eerst goed worden nagedacht tot welke categorie het behoort. Dan moet nagedacht worden over mogelijke oplossingen en invullingen in de toekomst, zonder meteen te denken, ‘dat lelijke gebouw kan maar beter weg’. Daarvoor zijn een boel creatievelingen nodig in de bouwwereld.
    Want generieke oplossingen voor leegstand bestaan niet. Het algemene karakter van de leegstand in -Nederland is juist dat het vele diverse opgaven betreft. Wat wel een constante moet worden bij de aanpak van leegstand, is een open houding. Het besef dat een locatiespecifieke, creatieve benadering, het meeste kans op succes heeft. Open oren en ogen brengen de meest wonderlijke samenwerkingen en realisaties tot stand.

    En de onconventionele methode tegen leegstand in krimpgebieden? Erfgoed verplaatsen naar plekken waar het wél een functie kan hebben. RAAAF is bezig met een groot onderzoek naar de mogelijkheden. Samen met Mammoet, het bedrijf dat olieraffinaderijen verplaatst. Voorbijvarende kerken? “Het is mogelijk, en het gaat gebeuren. Wat en waar is nog in uitvoering, maar daar ligt een hele grote ambitie. Er is al genoeg gesloopt waar men achteraf spijt van had.”

    [tabs]
    [tab title=”Vliegbasis Soesterberg als schoolvoorbeeld”]
    De provincie Utrecht, de Vrede van Utrecht en Stichting Kunst en Openbare Ruimte, gaven RAAAF en beeldend kunstenaar Frank Havermans de vrije hand om vliegbasis Soesterberg een nieuwe impuls te geven. Sinds de sluiting in 2008 discussieerden natuurliefhebbers, makelaars, politici en bedrijven over de toekomst van het terrein. Waar een dergelijke langdurige discussie meestal langdurig functieverlies tot gevolg heeft, werd op Soesterberg druk gewerkt aan het futuristische project om het terrein dynamisch te houden. Volgens Rietveld loopt de Secret Operation sinds de realisatie in 2013 als een trein. Studenten van TU Delft gebruiken het als control room voor testen die op zij op de oude landingsbaan uitvoeren. Directies van TNO, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en AKZO bedenken nieuwe visies in de buik van het toestel.

    In het boek Vacancy Studies worden aan de hand van de Secret operation 610, de elf ontwerpprincipes van RAAAF inzichtelijk gemaakt.

    Vacancy Studies

    1. Eigen fascinaties en ambities:
      De ontwerpers raakten gefascineerd door de geheimzinnige sfeer van de koude oorlog op het terrein. Daarnaast was de uitstraling van de F15’s en de Wolfhound Strike Fighters een belangrijke inspiratie voor het ontwerp.
    2. Analyse van cultuurhistorie en bestaande kwaliteiten van een plek op verschillende schaalniveaus:
      Soesterberg is historisch gezien uniek erfgoed in Nederland. In 1913 testten Nederlandse luchtvaartpioniers er hun toestellen. Daarnaast is het een van de weinige plekken met erfgoed uit de koude oorlog in Nederland. Destijds maakten de Amerikanen gebruik van de vliegbasis. Daarom is gekozen voor een mobiel object, die zowel de shelters als de landingsbaan die de Amerikanen gebruikten, kan aandoen. Er is gezocht naar gebruikers die de landingsbaan wilden benutten als testlocatie. En het object werd volledig op maat gemaakt voor haar vaste uitvalsbasis, Shelter 610.
    3. Meeliften op grootschalige ontwikkelingen en processen:
      Onderdeel van het topsectorenbeleid in Nederland is 
de ambitie om in 2040 de luchtvaart in Nederland klimaatneutraal te laten opereren. Dat vereist de nodige innovatie. In het shelterpark in Soesterberg wordt jaarlijks een tijdelijke campus van een maand georganiseerd waar teams uit verschillende topsectoren met elkaar aan de slag gaan. Door te kiezen voor tijdelijkheid, in plaats van volledige herbestemming tot vaste campus – waar nu waarschijnlijk geen geld voor is – kan er direct aan de slag kan worden gegaan.
    4. Nieuwe allianties met onderzoekers, belanghebbenden en specialisten:
      Faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft bleek de ideale partner. Hun verbondenheid aan de topsector Hightech Systemen en het netwerk van de TU zorgen dat de Secret Operation functioneert als een ‘motor van innovatie’.
    5. Gewenste ontwikkelingen in werking zetten:
      Door te kiezen voor een mobiel object is het mogelijke gebruik gemaximaliseerd. Diverse gebruikers kunnen diverse plekken van de vliegbasis gebruiken. Een extra strategische bijkomstigheid was dat door de mobiliteit de volledige landingsbaan gebruikt wordt. Zo werd voorkomen dat natuurbeheerders de landingsbaan konden doorsnijden, als oversteekplek voor dieren. Rietveld: “Die landingsbaan is uniek. Je mag best interventies doen, maar je moet wel weten wat je doet.”
    6. Schijnbaar tegengestelde belangen verbinden:
      Waar luchtvaart en natuurbelangen ogenschijnlijke vijanden zijn, onderzoekt de TU Delft nieuwe manieren van vliegen onder de noemer: ‘no noise, no carbon, just fly.’ En worden op Soesterberg innovatieve experimenten gedaan naar groen vliegen.
    7. Langetermijnambities verlengen:
      Waar provincie en gemeente discussie voeren over plannen waar op korte termijn geen geld voor is, werd ondertussen gekeken naar een direct gebruik van Soesterberg dat een stimulans zou geven in de richting van wat Soesterberg idealiter over twintig jaar kan zijn. ‘Een bruisend laboratorium voor het vliegen van de 21e eeuw’.
    8. Schaalniveaus verbinden:
      Er is in de gaten gehouden wat op lokaal, provinciaal, nationaal en internationaal niveau gaande is, en gezocht naar verbanden. Op alle niveaus is er belang bij een vliegbasis waar innovatie plaatsvindt en waar erfgoed te is bezichtigen.
    9. Rol en beleving voor verschillende gebruikersgroepen integreren en visualiseren:
      Het gebruik van de mobiele sculptuur is niet van tevoren geprogrammeerd, maar er is geanticipeerd op verschillende gebruikers. Daarvoor hebben de ontwerpers zich een jaar lang elke week op de locatie teruggetrokken om na te denken over mogelijk gebruik. Uiteindelijk is dat direct teruggekomen in het ontwerp. De stoelen hebben een passieve en actieve stand, de tafel kan uit het plafond worden getrokken en de zitplekken voor het grote raam in de kop vormen een ruimte voor contemplatie.
    10. Experimenteer met verschillende visualisatietechnieken:
      Het ontwerp is op meerdere schalen en met verschillende technieken gevisualiseerd. In het ontwerpproces vond een wisselwerking plaats tussen detail en geheel, waarbij voor ingewikkelde details diverse visualisaties werden gemaakt. Ook tijdens het bouwen werden diverse ontwerpen en mogelijkheden afgewogen en waar nodig nieuwe visualisaties gemaakt.
    11. Helder concept en krachtige verbeelding:
      ‘Een krachtige verbeelding van het concept is onontbeerlijk geweest in het proces.’ Door steeds als ontwerper bewust te zijn van het doel en de uiteindelijke functionering van het resultaat. Uiteindelijk zijn de associaties met abstracte begrippen als ‘groen vliegen’, ‘koude oorlog’ en ‘innovatie’ in één vorm gegoten

    De Secret Operation heeft de waarde van het oude vliegterrein inzichtelijk gemaakt en een eerste stap naar een nieuwe invulling gezet. De discussies over de toekomst van Soesterberg zijn inmiddels beëindigd. Het terrein zal grotendeels gaan -
fungeren als landschapspark, gefinancierd door woningbouw aan de randen van het park. Hangars worden beschikbaar voor culturele activiteiten. Daarnaast zal eind 2014 het Nationaal Militair Museum op Soesterberg haar deuren openen. Het nieuwe museum is een fusie van het Legermuseum en het Militaire Luchtvaart Museum. Een bezuiniging van het ministerie van Defensie. Op biedboek.nl staan alle gebouwen die het Rijksvastgoedbedrijf in de uitverkoop doet. Het oude pand van het Legermuseum, het Armamentarium in Delft, wordt daar aangeboden als ‘een stukje gouden eeuw op toplocatie in Delft. Het wacht op een bijzondere herontwikkeling’. Wat zou daar in de tussentijd mogelijk zijn?

    [/tab]
    [/tabs]

    Pijler voor gebouwautomatisering groeiende onderwijsfaciliteit HAS

    0
    HAS Milieuhal

    HAS Hogeschool in Den Bosch implementeerde onlangs een nieuw gebouwbeheersysteem. Daarin speelt de toepassing van een geavanceerd, database-gebaseerd klimaatvoorspellingssysteem een innovatieve en onderscheidende rol. Waarom doet een school zoiets? Hoe krijg je het werkend? En wat levert het op? Intrigerende vragen die om antwoorden roepen van betrokkenen.

    Nieuwe gebouwautomatisering HAS ‘Niet reageren, maar anticiperen’

    Verwarming, koeling, ventilatie, zonnepanelen en een WKO-installatie geïntegreerd in één klimaatsysteem. Het is het ultieme doel van HAS-duo Joost Veltman en Tonny Nijholt. En eigenlijk willen ze nog veel verder gaan, richting complete aansturing vanuit het Facility Management systeem. Joost is manager Facilitaire Dienst en Huisvesting en initiator van een ambitieus en ingrijpend migratietraject. Tonny werkt al langer dan Joost bij de HAS, is medewerker Facilitaire Dienst, dolblij met de komst van Joost met zijn visionaire aanpak, en vanaf het begin betrokken bij het project. De heren waarschuwen direct al dat het doel nog niet bereikt is. Joost: ‘Het energievraagstuk is inmiddels aardig op de rit en ook de zonnepanelen zijn door aannemende partij Rensen Regeltechniek gekoppeld aan het nieuwe gebouwbeheersysteem. Onlangs zijn er gaten in de betonvloeren geboord voor de aanleg van de schachten ten behoeve van een ventilatie- en klimaatsysteem. De aanleg ervan staat voor de komende twee jaar op het programma. Volgend jaar zomer wordt een start gemaakt met het boren van twee bronnen in de achtertuin voor de aanleg van een WKO-installatie. We hebben al flinke stappen gezet, maar het einde van onze reis naar een beter klimaat en duurzaamheid is nog niet in zicht.’ En dan hebben ze het nog niet over de eerder genoemde aansturing via het facility management systeem. Dat ligt nog verder achter de horizon.

    Gedateerd

    Drie jaar geleden kwam Joost Veltman als interim-manager binnen bij de HAS. Vrijwel direct constateerde hij achterstand op een aantal gebieden, waaronder het gebouwbeheersysteem. In het gebouw zelf was het muf en benauwd. Het was maar deels warm te krijgen, en voor een ander deel helemaal niet. Om van de torenhoge energierekeningen nog maar te zwijgen.

    Het complex bestaat uit twee delen. Het eerste deel met de A,B en C gebouwen dateert uit 1996, het nieuwste D deel werd in 2002 opgeleverd. Dientengevolge zaten er twee verwarmingssystemen in, twee verschillende brandmeldsystemen, twee ventilatiesystemen enzovoorts. Alles dubbel en autonoom, behalve op het niveau van het gebouwbeheersysteem. Dat was een systeem van Staefa Control Systems, intussen bijna twintig jaar oud. Tonny: ‘Het was compleet verouderd, totaal niet functioneel. Eerlijk gezegd was het op het moment van implementatie al aan de oude kant. We hebben het over het einde van het tijdperk van Staefa Control Systems, vlak voordat het bedrijf samengevoegd zou worden tot Landis & Staefa en uiteindelijk Siemens zou worden. Destijds heeft men waarschijnlijk gedacht een goede deal te hebben gesloten, maar wij hebben gemerkt dat er veel is wegbezuinigd of goedkoper is uitgevoerd om de kosten te drukken.’ Joost vult aan: ‘We hebben kunnen herleiden dat destijds 40.000 gulden is bespaard op bekabeling, met als gevolg dat we later voor 125.000 euro de boel hebben moeten laten aanpassen. Vanuit die ervaring hebben we met elkaar afgesproken dat áls we iets zouden gaan veranderen, het meteen goed moest zijn.’

    Fit for use

    Samen met Royal HaskoningDHV schreef Joost Veltman het programma Fit for Use, een visiedocument over hoe het gebouw er in de toekomst uit zou moeten zien om het onderwijs te kunnen faciliteren. Niet alleen installatietechnisch, maar ook in termen van exploitatie, gebruik, benutting, beheer en beheersbaarheid. Joost verklaart: ‘In 2011 telde HAS Hogeschool ongeveer 340 docenten en ongeveer 2100 studenten. Nu zijn dat er respectievelijk ruim 400 en bijna 3000. Allemaal nog steeds in hetzelfde gebouw. Om die groei aan te kunnen, heb je een visie en een plan nodig.’

    Fit for Use bestaat uit vier pijlers. De eerste pijler is ‘voldoende vierkante meters’. Om dit te realiseren, is de naastgelegen kantoorvleugel van de Westertoren aangeschaft. Pijler twee staat of valt met een ‘aangenaam gebouwklimaat in de hele school’. Pijler drie staat nog in de planning: de transformatie van het atrium. Dit is nu nog een buitenruimte met een glazen dak. Het is de verbindingshal tussen de oudere A, B en C delen en het nieuwere D gebouw. Deze moet getransformeerd worden tot binnenruimte, voorzien van een klimaat­systeem, isolatie, brandvoorziening enzovoorts. Pijler vier die de HAS wil realiseren, is ‘Het Nieuwe Werken’. Er zijn zones, vlekken gedefinieerd binnen het gebouw waar de verschillende sectoren van het onderwijs gehuisvest zijn. Die mogen dan aangeven hoe ze, binnen grenzen, flexibel willen werken. Deze fase gaat uiteraard pas in na oplevering van het totale klimaatsysteem. Hiervoor zal te zijner tijd opnieuw een plan geschreven worden.

    Kwaliteit

    Er werd besloten om het volledige klimaatsysteem gefaseerd te vervangen. Joost legt uit: ‘In de basis wil je je gebouw kunnen beheersen. Je wilt kunnen meten, monitoren en kunnen sturen. Dit hebben we ook als zodanig omschreven in de verplichte Europese aanbesteding, waarvoor een aantal partijen werden uitgenodigd. Kwaliteit was in die procedure voor ons heel belangrijk. We wilden niet per definitie voor de goedkoopste aanbieder gaan. Sterker nog, waar meestal voor honderd procent op prijs wordt geselecteerd, woog bij ons de prijs voor niet meer dan een derde mee, tegen kwaliteit voor twee derde. Verder is in de aanbesteding meegenomen dat de HAS openstond voor ondernemers met een innovatief idee om tot energiebesparing te komen. Als enige partij heeft Rensen Regeltechniek die uitdaging aangenomen door het zogenaamde Weather Forecast Control systeem voor te stellen, wat nu MeteoViva Climate heet.’

    Johan Verheijen is accountmanager bij Rensen Regeltechniek en vanaf het begin betrokken bij de migratie als vaste contactpersoon tussen de HAS en de uitvoerende partijen. ‘Toen wij instapten, lag er een bestek. Daarin was een aantal disciplines specifiek beschreven. Er stond bijvoorbeeld in dat alleen de regelaars vervangen zouden worden. De kasten waren op dat moment al vijftien jaar oud. Normaal gesproken ga je na ongeveer vijftien jaar overwegen of je alleen de regelaar vervangt of ook de complete kast. Daarom hebben we ons grondig voorbereid, waarbij we ons hebben laten leiden door het bestek.’

    Business development

    Op de vraag wie het overzicht had over de investering en het rendement daarop, antwoordt Joost: ‘Ik heb de voornaamste berekeningen gemaakt; als we dit investeren, winnen we dat op de exploitatiekosten. De complete kapitaallast is gedekt uit de onderhoudsvoorziening. Die was ruim. Ons uitgangspunt was dat de nieuwe situatie aantoonbaar beter moest zijn. In het geval van het klimaatvoorspellingssysteem bijvoorbeeld, heb ik gevraagd naar de marges. Die lagen tussen de acht en veertien procent. Na een jaar kwamen we er al achter dat we negen procent bespaard hadden. Dat zijn harde cijfers waar je echt iets mee kunt.’

    Tot dusver zijn de ratio’s gehaald. Maar de echte besparing wordt pas duidelijk zodra het totale klimaatsysteem op orde is. De combinatie van alle disciplines moet de grootste winst opleveren. Het feit dat de HAS overgaat op WKO en dat dus ook gekoeld zal worden via de WKO, moet zorgen voor een effect dat je nu nog alleen maar kunt berekenen. Die verantwoordelijkheid neemt de HAS helemaal zelf. Er is in dit geval geen sprake van een prestatiecontract.

    Klimaatvoorspellingssysteem

    De innovatie, die is nu een aantal keren genoemd. Tijd om in te zoomen op de technologie er achter. Harry Crijns van Crijns Energy Controlling legt uit: ‘Wij zijn als onderaannemer van Rensen Regeltechniek verantwoordelijk voor het klimaatvoorspellingssysteem als applicatie op het gebouwbeheersysteem. Het is een nieuwe vinding op het gebied van klimaatregeling. De trend is dat gebouwen steeds meer gaan lijken op thermosflessen. Ze hebben een zware, geïsoleerde schil, zijn kierdicht en de interne last wordt steeds groter. De norm voor de interne belasting per werkplek is nog steeds 100 Watt. In dit systeem gaan we uit van 250 Watt, omdat dit realistischer is. Er gaat bijna geen energie, geen warmte meer uit. Nieuwe technieken om warmte op te wekken, zoals WKO, warmtepompen en dergelijke, vragen om laag-thermische systemen. Hiervoor heb je een grote capaciteit, een groot oppervlak nodig. Echter, die laag-thermische systemen hebben één groot nadeel; ze zijn traag. Traditionele klimaatregelsystemen werken reactief. Ze krijgen een signaal, zonder verdere omgevingsomstandigheden over gebruik, capaciteit, aanwezigheid, en gaan dan pas verwarmen of koelen. Wanneer je gebouwen steeds meer gaat isoleren en steeds minder energie nodig hebt, dan merk je dat het opwekken van die energie leidt tot een klimaatverslechtering. Je moet dus niet reageren op een temperatuur- of koelingsvraag, maar juist anticiperen. Dat doet dit systeem.’

    Simulatie

    De basis van het klimaatvoorspellingssysteem is een simulatieprogramma waarin alle lokale parameters van het gebouw worden meegenomen. Om een optimaal binnenklimaat te realiseren, wordt gebruikgemaakt van de lokale weersvoorspelling, thermodynamische eigenschappen van het gebouw, de te verwachten bezettingsgraad, de interne warmtelasten van de gebruikte apparaten en analyse van de meetgegevens ten opzichte van de stuurgegevens. Op basis van deze gegevens berekent het systeem als eerste de behoefte aan verwarming, koeling en ventilatie in het gebouw als functie van de tijd. Daarna rekent het alle mogelijke besturingsscenario´s van de bestaande W-installatie door om aan deze vraag te voldoen. Het besturingsscenario waarbij de minste energie wordt verbruikt, dient vervolgens voor de besturing. Iedere dag wordt deze simulatie gemaakt, voor een weekprognose, een driedaagse prognose en voor de prognose voor morgen. Daarnaast wordt ieder uur gecheckt of er in de uitgangsgegevens een verandering is gekomen waardoor een nieuwe simulatie met bijbehorend besturingsscenario noodzakelijk is. Denk aan het weer dat plotseling omslaat of een grote ontvangst in de entree van het gebouw. Deze berekeningen worden in een rekencentrum uitgevoerd. Het resultaat: de set-points en vrijgaven worden samen met hun tijdvensters naar het gebouw gezonden. Daar bevindt zich een box die enerzijds de communicatie met het rekencentrum verzorgt en anderzijds, via het gebouwbeheersysteem, de verschillende machines in de W-installatie aanstuurt. Deze box haalt ook de benodigde meetgegevens uit het gebouwbeheersysteem en geeft die door om te vergelijken met de prognose uit de simulatie.

    Mocht het zo zijn dat de uitkomsten van de simulatie en de verkregen meetgegevens te ver uit elkaar liggen, dan slaat het systeem alarm en worden de inputgegevens van het rekenmodel zo aangepast dat de simulatie de meetgegevens zeer dicht benadert. De uitkomst van deze simulatieroutine wordt weer naar de box in het gebouw gestuurd. Als de simulatie en de meetgegevens langzaam uit elkaar gaan lopen, is dit meestal een reden voor onderhoud, bijvoorbeeld het uitwisselen van de filters of het bijregelen van ventielen en kleppen.

    MeteoConsult

    Het klimaatvoorspellingssysteem doet meer dan het verwerken van de gemeten buitentemperatuur. Op basis van de weersverwachting wordt bepaald hoeveel energie nodig is. De data worden gekocht van MeteoConsult, het gaat dan specifiek om de door MeteoConsult berekende computermodellen. In Nederland gebruikt Meteo­Consult de meteorologische data van zo’n driehonderd meetstations. Harry Crijns: ‘Wij krijgen voor dit gebouw elk uur 72 weersgegevens binnen. Daarmee wordt gerekend. Dus: die machine moet worden vrijgegeven, die installatie moet naar die temperatuur toe en eventueel met die snelheid. Zijn er significante afwijkingen? Dan wordt er opnieuw gerekend. De setpoints en vrijgaves worden opnieuw doorgestuurd en het gebouwbeheer­systeem past zich daarop aan. Volautomatisch.’

    En dan, wat levert het op? Is daar al concreet iets over te zeggen? Harry Crijns: ‘Het systeem draait nu twee jaar bij de HAS. In 2013 bedroeg de besparing op gas 12,3%, en op elektriciteit 17,8%. Dat gaat nog veel meer worden als straks de WKO is aangelegd en het ventilatiesysteem draait.’ Joost Veltman is benieuwd of dat inderdaad gaat lukken.

    Innovatief

    Crijns Energy Controlling en Rensen Regeltechniek hebben een geschiedenis samen op het gebied van energiebemetering. Johan verklaart waarom Rensen juist dit systeem heeft voorgesteld aan de HAS: ‘De HAS vroeg ons om een innovatief idee om energie te besparen. Wat je dan in het ideale geval wil, is ruimtelijk regelen. Hoe kleiner de zones om te regelen, des te meer je kunt optimaliseren. Dit gebouw leent zich daar gewoon niet voor, omdat het vanuit een ouderwetse bouwfilosofie is gebouwd. Alles zit achter één verwarmingsgroep. Dan moet je werktuigbouwkundig wel heel veel doen om het gebouw daarvoor geschikt te maken. Dit klimaatvoorspellingssysteem is een heel geschikt alternatief. Hiermee bereken je van tevoren de energievraag. De toekomstige situatie wordt gesimuleerd, en dat is wel uniek. Tegelijkertijd is het voor ons een goed leerproject, omdat er natuurlijk veel meer gebouwen zijn die niet geschikt zijn om ruimtelijk te regelen en die wellicht ook baat zouden hebben bij een dergelijke aanpak. Zeker met het oog op de trend van hergebruik van gebouwen, kan het uitkomst bieden.’

    Systeemarchitect

    De rol van systeemarchitect werd bij de implementatie van het nieuwe gebouwbeheersysteem van de HAS ingevuld door Rensen Regeltechniek. Johan Verheijen: ‘Wij hebben de coördinatie verzorgd tussen alle partijen. We hebben de regelaars vervangen van het gebouwbeheersysteem. Op verzoek van de HAS is gekozen voor Priva.’ Joost Veltman verklaart: ‘Vanwege de positieve ervaringen in de kas, omdat Priva met onderdelen universeel is, en omdat ik een positieve indruk door een presentatie die Priva verzorgde bij de Vereniging van Vastgoed Management Experts.’
    Johan vervolgt: ‘Verder hebben wij de koppelingen verzorgd tussen het gebouwbeheersysteem en de al eerder geïnstalleerde zonnepanelen. Die waren vanwege subsidie aangeschaft. Maar omdat er geen goed gebouwbeheersysteem was, konden gegevens niet uitgelezen worden. Het waren verschillende typen zonnepanelen, dus die hebben we afzonderlijk inzichtelijk gemaakt. Verder zijn alle energiemeters inleesbaar geworden. In feite is het de configuratie van het gebouwbeheersysteem die wij voor onze rekening hebben genomen.’

    WKO

    Volgens planning wordt in de zomer van 2015 een start gemaakt met de aanleg van een WKO-installatie. In eerste instantie alleen voor de HAS, maar ook het naastgelegen Avans heeft plannen om te zijner tijd over te stappen op WKO gebouwautomatisering. Daar komt bij dat de gemeente een oplossing moet zien te vinden voor een bodemverontreiniging een eindje verderop. Die moet gestopt worden, omdat de verontreiniging de bronnen van Heineken bedreigt. Hiertoe wordt een pompsysteem geïnstalleerd om het water aan de bodem te onttrekken. Dat water wordt via een ringleiding elders weer in de bodem geïnjecteerd. Daarbij worden bacteriën ingebracht die het water moeten zuiveren. Joost: ‘Als je dan toch het water oppompt, kun je het ook meteen gebruiken in een systeem voor WKO. Dus het kan zo zijn dat we op den duur gekoppeld worden. De derde mogelijkheid ligt aan de overkant. Daar ligt het WKO gebouwautomatisering systeem van Eles (Essent), dat inmiddels is verkocht. Daar zouden we ook nog op aan kunnen sluiten, maar er moet nog veel onderhandeld worden om dat mogelijk te maken. Er zijn mogelijkheden genoeg in ieder geval.’

    Het WKO gebouwautomatisering traject vult de HAS in samen met Brabant Water. Deze laatste partij is door de gemeente aangewezen om de grondwaterverontreiniging aan te pakken. Brabant Water heeft een eigen werkmaatschappij Hydreco. Dat is de aannemende partij voor de aanleg van het WKO-systeem van de HAS hogeschool. Joost: ‘Daarvoor hoeft de HAS geen investeringen te doen. We zijn bezig met een DBFMO contract en betalen hiervoor gedurende dertig jaar een vast bedrag per jaar.’

    Geld en groei HAS

    De rek is er nog niet uit bij de HAS. Joost: ‘We groeien nog altijd door. Vorig jaar zijn we met 76 studenten gestart op een nieuwe locatie in Venlo. Daar zijn aan het begin van het nieuwe schooljaar zo’n 125 studenten gestart, en aantal kan nog doorgroeien tot maximaal duizend. In Den Bosch hebben we tijdelijk twee verdiepingen van het oude hoofdgebouw van Laurus gehuurd. Daar hebben we de theorielokalen gehuisvest. Verder ben ik samen met Avans aan het bekijken of we een ademgebouw kunnen creëren. Met op de begane grond een meet&greet ruimte voor studenten, met daarboven theorielokalen die je voor bijvoorbeeld vijf of tien jaar kunt huren, en daarboven kantoorruimtes die te huur kunnen worden aangeboden aan startende ondernemers, zijnde voormalig studenten van de HAS of Avans.’

    Prognose rond gebouwautomatisering

    Het is misschien een beetje op de zaken vooruitlopen, maar toch vragen we Joost naar een prognose ten aanzien van de toekomstige situatie. ‘We zijn met nul begonnen en we hebben in drie jaar tijd behoorlijk wat bereikt. Maar er kan nog veel meer, zowel qua systemen als in het gebruik van het gebouw. Ik schat dat de Return on Investment voor de migratie ongeveer vijf jaar zal zijn. Voor het klimaatvoorspellingssysteem zijn we uitgegaan van drie jaar, maar ik denk dat twee jaar realistischer is. Als alles straks klaar is, ga ik een meerjaren onderhoudsplan schrijven met een planning voor de gebouwautomatisering. Dat moet dan de basis worden voor de aanbesteding van het onderhoud en voor het bewaken van het financiële overzicht op onderhoudsgebied.’

    Voorbeeldplicht HAS

    Met de introductie van gebouwautomatisering systemen als het hier toegepaste MeteoViva Climate doen modelgebaseerde regelingen hun intrede in de gebouwautomatisering. Het kan bijna niet anders of dergelijke geavanceerde technologieën worden vaker ingezet om een beter binnenklimaat te realiseren met beheersing van het energieverbruik. Joost: ‘Natuurlijk willen wij besparen, maar daar zit ook een maximum aan. Het doel is niet de meest duurzame school te zijn, het doel is wel zo duurzaam mogelijk te zijn. Duurzaam in het proces, duurzaam in het onderwijs en duurzaam in de exploitatie. Wij leiden jongeren op voor de toekomst. Die moeten doordrongen zijn van het feit dat we duurzaam bezig moeten zijn en dan moet je zelf wel het goede voorbeeld geven. Ik geloof dat het wat dat betreft met de HAS hogeschool wel goed komt!’

    [tabs]
    [tab title=”HAS Hogeschool behaalt bronzen SustainaBul”]
    In juni van dit jaar haalde de HAS een bronzen SustainaBul. Joost legt uit: ‘Vorig jaar deden we alleen maar mee om te weten waar we stonden. We wonnen toen natuurlijk niets. Met deze bronzen bul zijn we bewezen duurzamer dan vorig jaar. In het algemeen klassement van universiteiten en hbo-instellingen zijn we gestegen van de negentiende naar de veertiende plek. Bij het hbo-klassement staan we nu op plek vijf, terwijl we vorig jaar nog zesde waren. Volgend jaar gaan we voor zilver, het jaar erop ‘natuurlijk’ voor goud. En met de stappen die we nog moeten maken, is dat zeker haalbaar.’ De SustainaBul is de duurzaamheidsranking van Nederlandse hoger onderwijsinstellingen. Deze ranglijst, die dit jaar voor de derde keer gepubliceerd wordt, toetst op duurzaamheid in brede zin van het woord.

    [/tab]
    [tab title=”Projectdetails”]
    [list=”dark”]

    • Opdracht: Energieoptimalisatie HAS Hogeschool
    • Opdrachtgever: HAS Hogeschool, Den Bosch
    • Hoofdaannemer: Rensen Regeltechniek
    • Onderaannemer: Crijns Energy Controlling
    • Vloeroppervlak: 14.000 m2
    • Energiebesparing op gas: 12,3%
    • Energiebesparing op elektriciteit: 17,8%
    • ROI: 2 jaar
    • Klimaatinstallatie:
    • 6 circuits met radiatorverwarming
    • 7 circuits met vloerverwarming
    • 4 circuits met stralingspanelen
    • 2 circuits met gordijnverwarming
    • 6 luchtbehandelingskasten met verwarming
    • 1 luchtbehandelingskast met verwarming en koeling
    • 10 onafhankelijk te regelen zones
    • 108 meet- en regelpunten

    [/list]
    [/tab]
    [/tabs]

    Riek Bakker wint ARC14 Oeuvre Award

    0
    Kop van Zuid

    Prof. Riek Bakker, stedebouwkundige en directeur van Riek Bakker Advies, is dit jaar de winnaar van de ARC14 Oeuvre Award. Zij is al meer dan veertig jaar een leidende stem in de Nederlandse stedebouw en ruimtelijke ontwikkeling. Haar bijdrage aan de ontwikkeling van Nederland is overal zichtbaar. In 1976 richt ze samen met Ank Bleker Bureau Bakker en Bleeker op.

    Belangrijke ontwerpen uit die periode zijn ondermeer het Wollenfoppenpark in Nederland en het prijsvraagontwerp voor Parc de la Villette in Parijs. Haar grote doorbraak begint, als zij in 1986 directeur Stadsontwikkeling in Rotterdam wordt en met veel energie en overtuigingskracht de ontwikkeling van de Kop van Zuid tot stand brengt. Sindsdien is zij niet meer weg te denken uit de stedebouw en de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, en voert ze het debat aan over de stedelijke transformatie en de rol die het ruimtelijke ontwerp hierbij speelt.
    In 1987 is ze medeoprichter van BVR waarvan ze tot 2007 directeur is. Vanuit dit bureau werkte ze onder andere aan de ontwikkeling van Vinex wijk Leidse Rijn te Utrecht, met als hoogtepunt de overkapping van de A2 en de aanleg van een centraal park. Sinds 2004 is zij directeur van Riek Bakker Advies en werkte zij aan uiteenlopende stedelijke, infrastructurele, ecologische en regionale plannen.

    Consistent en inspirerend
    De jury looft Riek Bakker om haar consistente en inspirerende bijdrage aan de vernieuwing van de stedebouwkundige praktijk in Nederland en de positie die ze het ontwerp durft te geven in de Nederlandse ruimtelijke ontwikkeling. Bakker geniet een grote publieke bekendheid door de manier waarop ze complexe stedelijke processen weet vlot te trekken. Bakker onderscheidt zich door haar directe manier van communiceren waarbij ze de verschillende partijen en hun verschillende standpunten inzet om het beoogde doel te behalen. Dat niet elke stakeholders dat doel op de voorhand onderschrijft, maar achteraf altijd wel, toont niet alleen haar kracht in het proces maar ook haar visie op de opgave.

    Liefde en fascinatie
    Bakker weet de verschillende coalities te benutten voor een stedelijk agenda. En in al die processen benut ze de kracht van het ontwerp en de ontwerpers. Dat is, vindt de jury, een tot nog toe te zeer onderbelichte kracht van Bakker: haar liefde en fascinatie voor de kracht van het ontwerp. Deze inspirerende kern van haar aanpak verdient volgens de jury, juist ook in de huidige tijd een grotere bekendheid. Zij ontwikkelde een eigen methode, door de jury omschreven als “een inclusieve methode waarbij iedereen meedoet, het ontwerp inspireert en analyseert en tegelijkertijd het stuur nooit uit handen wordt gegeven”.
    Dankzij deze methode bouwt ze aan een indrukwekkend oeuvre, aanvankelijk door zelf te ontwerpen, later als de persoon die stedelijke processen regisseert en daarbij het ontwerp op indrukwekkende wijze weet uit te dagen, te stimuleren en te positioneren.

    ARC14
    ARC14 is een reeks prijzen voor zowel gerenommeerde bureaus als jonge professionals. Dit jaar schreven meer dan 200 ontwerpers in voor prijzen op het gebied van stoelontwerp, interieur en architectuur. Het werk wordt beoordeeld door vakkundige jury’s. De winnaars worden bekendgemaakt tijdens de feestelijke prijsuitreiking op 27 november 2014 in Amsterdam.
    De ARC14 Oeuvre Award wordt jaarlijks toegekend aan een architect of een persoon uit een aanverwante discipline die een vakmatige bijdrage levert aan het verbeteren van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. De prijs is een initiatief van de redactie van de Architect. Met de prijs wil de uitschrijver een persoon eren die op dit moment actief bezig is in het vakgebied, die een stevige en substantiële bijdrage levert aan de opgave en de discussie daarover en die dit op een consistente wijze doet.
    De award wordt op 27 november 2014 uitgereikt tijdens de ARC14 Award Show in Amsterdam. De winnaar zal bij deze bijeenkomst de key note speech uitspreken. Hier meer informatie.

    Jury
    De jury van de ARC14 Oeuvre Award bestaat uit Henk Ovink (voorzitter, Ministerie I&M, Hurricane Sandy Rebuilding Task Force), Aart Oxenaar (Academie van Bouwkunst Amsterdam), Rients Dijkstra, (maxwan a+u, college rijksadviseurs) en Harm Tilman (secretaris, de Architect)