Home Blog Pagina 345

BREEAM awards voor Nederlandse gebouwen

0
BREEAM awards voor Nederlandse gebouwen

De recent ontwikkelde Nederlandse gebouwen van Tesla, Deloitte, ABN AMRO, Almere en ECOstyle zijn genomineerd voor de internationale BREEAM Awards. Deze Awards wordt op 8 maart in London uitgereikt aan de meest duurzame gebouwen ter wereld volgens de BREEAM-standaard. Het is voor de eerste keer dat Nederlandse gebouwen meedingen naar deze prijs.

BREEAM is mondiaal het meest gebruikte duurzaamheidskeurmerk voor gebouwen. Meer dan een half miljoen gebouwen zijn voorzien van dit keurmerk. Ieder jaar wordt het meest aansprekende gebouw bekroond met de BREEAM Award. In Nederland wordt het keurmerk beheerd door de Dutch Green Building Council. Directeur Annemarie van Doorn: “Het is een eer dat dit jaar ook vijf Nederlandse gebouwen zijn genomineerd. Ik zie deze awards als de Oscars voor duurzame gebouwen.”

NewLogic II, ECOstyle en Almere

Voor Tesla gaat het om het nieuwe distributiecentrum dat onlangs is opgeleverd in Tilburg. Het gebouw, NewLogic II, is ontwikkeld door DokVast en is het meest duurzame distributiecentrum van Nederland. Het gebouw voor ECOstyle is ontwikkeld in Ecomunitypark in Oosterwolde. Dat is geen gewoon bedrijventerrein, maar een ecologisch werklandschap waar innovatieve bedrijven zich kunnen vestigen. Ook de CityMall Almere, waar goed is gelet op akoestiek, klimaat en materiaalgebruik is genomineerd.

hoofdkantoor ABN AMRO

Het in 1999 opgeleverde hoofdkantoor van ABN AMRO kan eveneens rekenen op een nominatie. De bank heeft voor het gebouw aan de Gustav Mahlerlaan in Amsterdam allerlei maatregelen getroffen om het gebouw te verbeteren, waaronder de installatie van slimme energiemeters, de toepassing van energiezuinige liftsystemen en koeling met water uit De Nieuwe Meer.

The Edge

The Edge, sinds afgelopen jaar het nieuwe kantoor van Deloitte op de Zuidas, is misschien lijkt de grootste Nederlandse kanshebber op de award. Het innovatieve kantoorgebouw behaalde al diverse onderscheidingen en scoorde de hoogste BREAAM-score ooit voor een nieuw gebouw: 98,36 procent. Het gebouw heeft een compleet glazen gevel voor optimaal daglicht. Automatisering en duurzaamheid gaan in The Edge hand in hand en gebruikers hebben via een app toegang tot allerlei gebouwfuncties als het klimaatbeheer. Daarnaast kan het gebouw, dat is ontwikkeld door OVG Real Estate, meer energie produceren dan het verbruikt.

Eind januari sluit de nominatietermijn. Op 8 maart worden de winnaars bekendgemaakt tijdens de BREEAM Awards in het Marriot in London.

Bron: breeam.nl

Amersfoort kijkt naar zonnepanelen op monumenten

0
Amersfoort kijkt naar zonnepanelen op monumenten

In Amersfoort is de gemeente momenteel bezig om de voorwaarden voor zonnepanelen op beschermde stadsgezichten te versoepelen. Op platte daken zou dit mogelijk moeten worden, zo luidt het voorstel. Het betekent een volgende stap in het nadenken over monumentenzorg in combinatie met verduurzaming. Zonnepanelen op monumenten zijn soms nog taboe, maar nieuwe technieken maken een mooie toepassing steeds beter mogelijk.

Vandaar dat her en der langzamerhand steeds beter gespecificeerd wordt wat mag, mooi is en wat juist niet mag. maar soms is er vanuit provinciale en gemeentelijke overheden nog weinig over nagedacht. In Amersfoort gaat het specifiek over beschermde stadsgezichten en niet over zonnepanelen op rijksmonumenten. In de gemeenteraad van Amersfoort lijkt het erop dat een meerderheid wil toestaan dat zonnepanelen voortaan op platte daken van het beschermd stadsgezicht mogen worden aangelegd, zolang dit niet vanuit openbaar gebied zichtbaar is.

Beschermde stadsgezichten

Op het gebied van beschermde stadsgezichten blijkt vaker sprake van regelgeving die het verdient om nog eens tegen het licht te houden. Zo schreef B+U in 2015 over beschermde dorpsgezichten op Ameland en het beschermde stadsgezicht van Amsterdam. Op Ameland wordt druk gediscussieerd over de mogelijkheid van zonnepanelen op monumenten. In Amsterdam zijn zonnepanelen op het beschermd stadsgezicht inmiddels toegestaan. Wel is daarbij de voorwaarde gesteld dat elke aanvraag beoordeeld wordt door een commissie en op esthetische wijze moet worden uitgevoerd.

Energieambitie

In Amersfoort pleit GroenLinks ervoor dat de dure vergunning voor het plaatsen van zonnepanelen op beschermde stadsgezichten gratis wordt. Het is echter betwijfelbaar of dit plan door een meerderheid gesteund wordt. Op monumenten en op hellende daken van beschermde stadsgezichten blijven zonnepanelen in Amersfoort verboden. De gemeente heeft, zoals veel andere steden, de ambitie om in 2030 CO2-neutraal en duurzaam zijn. Historische steden staan daarbij voor de uitdaging om goed na te denken over toepassing van duurzame en energiezuinige maatregelen in historische panden. Waar het onderhoud van deze panden veeleisend en duur is, kan duurzame energie juist ook een oplossing bieden voor gebrek aan onderhoud van monumenten wegens te hoge kosten.

Op naar open standaard in de bouw

0
Op naar open standaard in de bouw

Oprichting Revit Standards Foundation

Samenwerken aan een open standaard in de bouw. De laatste jaren wordt er intensief nagedacht over hoe dit het best georganiseerd kan worden. De introductie van BIM is daarbij een invloedrijke stap geweest. Gisteren werd de oprichting van het Revit Standards Foundation bekendgemaakt. Doel is dat alle partijen die tijdens een bouwproces werken met BIM, op uniforme wijze bouwontwerpen modelleren en gebruik kunnen maken van de juiste standaard bibliotheek.

De Nederlandse Revit Gebruikers Groep (RevitGG) heeft, samen met de auteurs van de Nederlandse Revit Standards (NLRS) het initiatief genomen om afspraken rondom het gebruik van Revit software voor bouwontwerp te borgen en gratis beschikbaar te stellen. Dit is de directe inleiding om het RSF op te richten. De stichting moet het intellectueel eigendom van de NLRS als open standaard bewaken én zekeren.

Minder misverstanden

Het op uniforme wijze modelleren en het gebruik van een standaard bibliotheek moet ervoor zorgen dat er minder misverstanden ontstaan tussen verschillende stakeholders gedurende een bouwproces. Ook moet het makkelijker worden om informatie die voor een partij van toepassing is, snel uit een model te kunnen filteren.

Open standaard in de bouw

De Revit Standard Foundation is opgericht met steun van een groot aantal toonaangevende bouwpartijen, zo meldt Dura Vermeer, één van de betrokken partijen. Samen wil men ervoor zorgen dat er een goede open standaard komt die toekomstbestendige oplossingen biedt voor het gebruik van Autodesk Revit. Naast bouwbedrijven zijn er ook softwareleveranciers, gebruikersgroepen en adviseurs techniek en IT aangesloten bij de stichting. Ook overkoepelende organisaties als UNETO-VNI en Het BIM Loket.

Van en voor iedereen

Mark Wieringa, voorzitter van RSF en een van de oorspronkelijke auteurs van de NLRS: “We hebben de standaard geschreven en middels deze Foundation willen we onze gebruikersrechten overdragen. Daarmee handelen we helemaal in de geest van deze open standaard: van en voor iedereen. Met de oprichting van deze stichting kunnen we die open structuur behouden, bewaken, doorontwikkelen, onderhouden en de openheid ervan borgen.” Wieringa geeft verder aan de open standaard ook internationaal te willen doorontwikkelen: “We zijn inmiddels aangesloten bij vele buitenlandse initiatieven en de eerste samenwerkingen zijn een feit.”

Buitenlandse belegger wil nieuwe huurwoningen

0
Buitenlandse belegger wil nieuwe huurwoningen

Buitenlandse beleggers willen nieuwe huurwoningen bouwen in Nederland. Er blijkt zo’n 3 miljoen euro te wachten om geïnvesteerd te kunnen worden. Momenteel is de vraag naar huurwoningen in verschillende grote steden in Nederland groter dan het aanbod. Beleggers willen daarom nieuwe huurwoningen bouwen.

Dat bericht het Financieel Dagblad gisteren naar aanleiding van een onderzoek van vastgoedadviseur Capital Value. De ambitie om zelf te bouwen wordt omschreven als ‘uit nood geboren’, omdat in eerste instantie werd gehoopt op afstoot van huurwoningen in het middensegment, door corporaties die van minister Blok de opdracht kregen om zich meer te richten op sociale huurwoningen.

Vraagoverschot

Vooral in de grote steden blijkt een stijgende vraag naar huurwoningen. Doordat er echter een vraagoverschot is op de markt, zijn er nauwelijks huurwoningen beschikbaar voor verkoop aan beleggers. In 2015 werd voor 800 miljoen euro aan Nederlandse huurwoningen verkocht aan internationale beleggers. Een jaar eerder was dat nog 1,5 miljard.

Graag of niet?

Er zijn al voorbeelden van vastgoedbeleggers die dit jaar bezig zijn met het ontwikkelen van nieuwe woningen. Zo laat het Duitse Patrizia zeshonderd koop- en huurwoningen door Heijmans ontwikkelen in Den Haag. Diverse gemeenten proberen de koop van sociale woningen door buitenlandse beleggers te blokkeren. Marijn Snijders van Capital Value noemt in het fd het buitenlands kapitaal een ‘welkome aanvulling’, ‘doordat Nederlandse banken nog voorzichtig zijn met het financieren van nieuwbouwprojecten’.

Hogeschool Rotterdam verduurzaamt monument

0
Hogeschool Rotterdam verduurzaamd monument

Automatisering hand in hand met historische waarde

Een Hogeschool in een Rijksmonument is mooi, maar wat als het energieverbruik en comfortniveau in het gebouw niet meer van deze tijd zijn, en wetgeving en structuur van het pand een simpele oplossing in de weg staan? Dan is een dosis ervaring en creativiteit vereist om een succesvolle renovatie tot stand te brengen. Het voormalig kantoor van Unilever, stammend uit de jaren dertig, is echter weer klaar voor de toekomst. Automatisering van de klimaatinstallatie bleek een uitkomst, terwijl tussen neus en lippen ook de monumentale waarde van het monument werd opgepoetst.

Verhogen van comfort en verlagen van het energieverbruik. Dat was de opgave die projectmanager van de Hogeschool Rotterdam Rob Thijssen voor de kiezen kreeg in het geval van de locatie aan het Museumpark, hartje Rotterdam. Met een gevel zo lek als een mandje, maar bovendien een Rijksmonument, met alle eisen en voorschriften van dien. Een nieuwe luchtbehandelingsinstallatie was een eerste vereiste, om studenten letterlijk voldoende lucht te geven, maar ook om het gebouw beter te verwarmen en te koelen, wanneer nodig. Vanwege de historische waarde mocht zo’n installatie echter niet op het dak worden geplaatst. Op voorhand dus een ingewikkelde klus. Maar bouwpartijen met ervaring met renovatie weten welk motto gehanteerd moet worden: van de nood een deugd maken, elk nadeel heeft zijn voordeel. Ontwerpen en oplossen vanuit mogelijkheden, mogelijkheden zien in onmogelijkheden.
Dat is volgens de betrokkenen dan ook de sleutel tot succes geweest. Er is flink ingezet op reductie van de energiekosten, maar en passant kreeg ook de monumentale waarde van het pand een injectie. Zoals gezegd was een comfortabele en duurzame energieregeling de reden voor start van het renovatieproject. Rob Thijssen vertelt hoe het met de gevel was gesteld: “Als het binnen 21 graden was en buiten was het onder nul, en je zat aan de kant van de gevel, was je lichaam na een uur aan de ene kant 18 graden en aan de andere kant 21 graden. Studenten móésten wel kouklachten krijgen.” In de zomer konden de binnentemperaturen oplopen tot dertig graden op de bovenste verdiepingen. Stap één was dan ook de vernieuwing en isolering van het dak en de gevels. Daarvoor werden goed isolerend glas en nieuwe kozijnen aangebracht. De spil in het project was echter de aanbreng van een functionerend luchtbehandelingsinstallatiesysteem. De grote vraag was waar en hoe dit systeem zodanig kon worden ingebracht, dat geen schade aan het monument zou ontstaan.

Alleen al vanwege het feit dat het gebouw in het centrum van Rotterdam staat en de oorlog heeft overleefd, maakt dat sprake is van een historisch pand. Als voormalig kantoor van Unilever is het gebouw begin jaren dertig in gebruik genomen. Rijksmonumenten.nl leert meer: “Tussen 1930 en 1931 gebouwd voormalig Unilever kantoor in zakelijk-expressionistische trant, van algemeen belang wegens architectuur- en cultuurhistorische waarde. Verder is het gebouw met zijn markante toren en prominente situering in het hart van y-vormige vertakking van straten in het vroegere Land van Hoboken van stedenbouwkundig belang.” Het gebouw is in de loop der tijd twee keer onderhanden genomen. Eerst in de jaren zestig en later, toen het door de Hogeschool in gebruik werd genomen, in de jaren negentig. Met name bij die laatste verbouwing is een belangrijk deel van het interieur gesneuveld. Het gebouw was destijds nog geen monument. Maar daarover later meer.
Het is een eufemisme dat ambities op het niveau van duurzaamheid, automatisering en monumentale waarden in een gebouw niet altijd gelijk op kunnen gaan. Dit was echter wel de ambitie van de Hogeschool en de speciale situatie deed hen besluiten om de aanbesteding iets anders op te zetten dan normaal. Normaliter ligt de bal in het begin bij de architect, maar de essentie van de uitdaging was een technische oplossing voor de juiste toepassing van luchtbehandeling en comfortverbetering in een monument. Daarom is vanaf het begin de adviseur techniek, DWA, leidend gemaakt in het proces. Bijzonder is dat het definitief ontwerp, DO in vaktermen, dus niet is uitgewerkt op bestek, maar gedurende het bouwproces door DWA als controlerende adviseur is gemonitord.
Vanuit bepaalde uitgangspunten in het DO werd feitelijk tijdens het bouwproces, ontdekkend gezocht naar de mogelijkheden, oplossingen, die het pand kon bieden. Dat proces is uiteindelijk twee jaar lang vlekkeloos verlopen, aldus de betrokkenen. DWA vond in Wessel de Jong een architect met ervaring met renovatie van monumenten. Na de keuze voor Sonneveld als constructeur, kon begonnen worden met realisatie van de wens van de Hogeschool: een gigantische aanvoer en afzuiginstallatie van de kelder naar het dak.

De kelder bleek uiteindelijk de beste positie voor de grote luchtbehandelingsinstallatie, die het hele pand van warmte en zuivere lucht moest voorzien. Dat had echter wat voeten in de aarde. Thijssen: “We hebben mansgrote gaten in de vloeren van alle verdiepingen moeten maken. Je kunt op het dak in de luchtbehandeling springen en je komt in de kelder uit. De uiteindelijke kast die in de kelder is geplaatst komt uit Duitsland. Daar is hij helemaal opgebouwd, even getest, en vervolgens helemaal uit elkaar gehaald, in segmentjes van twee bij twee meter het pand ingedragen en volledig opnieuw opgebouwd. We hadden geen grotere opening dan een deuropening om de installatie naar binnen te krijgen.” “Dat betekent dat je uitgebreider moet testen dan normaal”, vult Theo Klok, adviseur van DWA, aan. In de kelder zelf was het nodige hak- en breekwerk nodig om de luchtbehandelingskast van 20 meter lang, tien breed en drie hoog, te installeren. Het hele warmtesysteem ging dus op de schop. De oorspronkelijke installatie blies de gangen van het pand vol met warme lucht, die vervolgens de afzonderlijke ruimtes en lokalen instroomde. De lucht waar men in werkte was feitelijk al in de gang gebruikt. In het nieuwe systeem heeft elke ruimte zijn eigen warmte- en koelsysteem, waarna via de gangen de lucht wordt afgezogen. Daardoor is een veel specifiekere, effectievere en zuinigere omgang met warmte-energie bereikt. Dit alles is toegepast met geautomatiseerde volumeregelboxen. De boxen meten de temperatuur, maar ook het CO2-niveau en gaan op basis daarvan dicht of open, zodat er altijd voldoende, maar nooit te veel verse ventilatielucht in de lokalen is. Om de prestaties ook in de praktijk te kunnen toetsen, is de online tool MonaVisa geïmplementeerd in de laagbouw. Daarmee worden de prestaties van de installaties, het energieverbruik en het comfort real time in de gaten gehouden.

Het buizenstelsel, voor de luchttoevoer naar de aparte ruimten, kon niet in het gebouw verstopt worden. Rob Thijssen: “Men bouwde in het verleden, 1932, erg hoge verdiepingen, wel 3,30 meter hoog. We hadden eventueel verlaagde plafonds kunnen aanbrengen en daarin het buizenstelsel kunnen verstoppen. Maar ook dat had afbreuk gedaan aan het karakteristieke van het monument.” Daarom is gekozen voor een architectonische oplossing, met een duidelijk onderscheid tussen oud en nieuw, tussen het monument en de functionaliteit van de techniek. Zowel Klok als Thijssen benadrukken dat dat nieuwe er wel erg strak uit is gaan zien. Klok: “De stelregel was: óf je moet het niet zien, óf het moet er goed uitzien. De metalen kanalen voor de luchttoevoer zijn geïsoleerd, ook vanwege koeling. Daaromheen zijn schalen aangebracht waarin je je spiegelbeeld kunt zien. Die buizen lopen van voor naar achter in het centrum van de gang, je kunt er niet omheen.” Thijssen haakt aan, “Als je het niet kunt wegmoffelen, laat dan maar zien wat je aan techniek inbrengt. Maar zorg ervoor dat het er strak uitziet. Hetzelfde kan gezegd worden over de toepassing van volumeregelboxen. Dan zie je het mooie van een DO met elkaar tijdens het proces tot uitvoering brengen. Deze oplossingen zijn stapsgewijs bedacht en ontwikkeld.” Naast de nieuwe klimaatinstallatie zijn ook de gevels, vloerbedekking, verlichting en dergelijke gerenoveerd. Omdat het pand al twee verbouwingen had ondergaan voordat het als Rijksmonument werd aangewezen, is een belangrijk deel van het oorspronkelijke interieur verloren gegaan. Ook hier was op voorhand niets definitief vastgelegd, maar bleef, in figuurlijke zin, steeds de dialoog gaande tussen het gebouw en haar renoveerders.

Tijdens het proces van renovatie werd steeds gekeken naar mogelijkheden om eventueel oude onderdelen van het gebouw in ere te herstellen, al dan niet ingegeven door wet- en regelgeving. Zo zijn de tegeltjes achter de radiatoren, die sinds jaar en dag waren overgeschilderd, teruggebracht naar de oude staat. De radiatoren zelf zijn vervangen, maar wel door ledenradiatoren zoals die er anno 1932 uitzagen. In de jaren zeventig is een oorspronkelijke stalen gevel vervangen door een metalen gevel, die destijds werd vastgekit met asbest. “We wilden vervangen om te voldoen aan de vereiste comfortklasse. Daarover hebben we een ellenlange discussie met welstand gehad. De nieuwe gevel moest volgens hen recht doen aan het pand uit 1932. Maar in die oorspronkelijke gevel had elk compartiment twaalf kleine raampjes. Leg dat maar eens aan de glazenwasser uit.” Na goed overleg werd overgegaan tot het aanbrengen van zes raampjes per compartiment.

Het gebouw is in vier fasen gerenoveerd, omdat het gebouw als school in gebruik bleef en omdat er sprake was van asbestsanering. Het gebouw werd opgedeeld in vier delen. Na fase 1 waren alle kinderziektes bekend en konden de andere drie delen makkelijk en snel worden aangepakt. Niet alleen in de technische kant van de organisatie, maar ook wat betreft de planmatige, organisatorische kant van het project, werd van de nood dus een deugd gemaakt. Zowel Klok als Thijssen zijn uiteindelijk erg trots op het resultaat. Gevraagd of er nog concessies gedaan moesten worden, naar aanleiding van de monumentenwet of regelgeving, blijkt wel met welke instelling dit resultaat is bereikt. Klok : “Ik denk dat we juist een kracht hebben gemaakt van alles wat we niet konden en wat we juist wél konden. Het is een grote puzzel geweest. Leuk om op die manier resultaten te bereiken.”

[tabs]
[tab title=”techniek Meteomodule”]
De in de lokalen aangelegde boxen zijn regeltechnische oplossingen. Door regelklepjes kan de temperatuur en het CO2-niveau goed gemonitord worden en kunnen koppelingen worden gemaakt met allerlei data, zoals aanwezigheidsniveaus, of en wanneer er mensen in het lokaal zijn. Het voordeel daarvan is dat via de regelingen, gekoppeld aan software, een wereld open gaat aan mogelijke energiebesparingen.
Het beheer van de software van het hele pand wordt gefaciliteerd door Regel Partners, die dit voor negen locaties van de Hogeschool doet. Waar per locatie verschillende partijen aan de slag gaan met regeltechniek en bijbehorende software, wordt door Regel Partners alle software gecontroleerd en zonodig aangepast op structuur, zodat de Hogeschool een een­duidig softwaresysteem heeft. ‘Zo voorkom je dat allerlei verschillende soorten software door elkaar heen gaan lopen en het voor de beheerders en gebruikers van de Hogeschool een onoverzichtelijke brei wordt’, legt Dennis Deijs, accountmanager service van Regel Partners, uit. De software wordt op afstand bewaakt en ondersteund, voor alle negen panden.
De afronding van de renovatie aan het Museumpark gaat gepaard met de start van een interessante nieuwe toepassing. De verwarming en koeling van lokalen in de Hogeschool wordt afgestemd op weersvoorspellingen, doorgekregen via een meteodienst. “Vanuit de Hogeschool was de vraag of we nog energie konden besparen, of we nog een leuke feature wisten. Voor C&A hebben we twee pilotprojecten met deze ‘meteomodule’ uitgerold. Twee locaties werden een jaar lang gemonitord. Daarna werd de meteomodule geïmplementeerd en is nog een jaar gemonitord. Vervolgens hebben we gekeken naar de besparing. Dat bleek zeven procent te zijn. Dat zit hem hoogstwaarschijnlijk in het vroegtijdig afschakelen van verwarming.
Zo’n winkel heeft een grote interne warmtelast. Als je om zes uur sluit kun je bijvoorbeeld om half zes stoppen met verwarmen. Als je op basis van de meteogegevens de buitentemperatuur en de weersverwachting steeds doorkrijgt, kun je dat variabel maken: vandaag is het warmer, dus we stoppen niet om half zes, maar om vijf of vier uur met verwarmen. Daarbij moet men natuurlijk wel de CO2 in de gaten blijven houden.

[/tab]
[/tabs]

Winkelleegstand niet toegenomen in 2015

0
Winkelleegstand niet toegenomen in 2015

De winkelleegstand in Nederland is in 2015 min of meer gelijk gebleven. Gezien diverse faillissementen in de detailhandel is dit opvallend. De aantrekkende economie zorgde er voor dat in de loop van het jaar steeds meer werd geconsumeerd, waardoor nieuwe winkels konden openen of bestaande winkels nieuwe ruimte in gebruik konden nemen.

Die faillissementen vonden vooral aan het begin van 2015 plaats, met onder meer gevestigde namen als Miss Etam, Schoenenreus en Thom Broekman. De toenemende economie zorgde er daarna voor dat het tweede kwartaal van 2015 de winkelleegstand voor het eerst in tien jaar niet toenam.

Lokale verschillen

In de tweede helft van het jaar nam de leegstand verder af, zodat uiteindelijk op 1 januari 2016, de leegstand 7,4% is, 0,1% lager dan begin 2015. Daartegenover staat dat het totaal aantal leegstaande panden licht afnam. Van 16.755 naar 16.562. Dat bericht onderzoeksbureau Locatus. Daarbij zijn duidelijke lokale verschillen te zien. In 2015 zette de trend door dat winkels in centra van de 17 grootste steden van Nederland, het beter doen dan centra van middelgrote steden. In de centra van de 17 grootste steden daalde de leegstand van 7,2% naar 6,9%. Winkels in stadsdeelcentra van grote steden doen het echter zeer slecht. Hier liep de leegstand op van 7,9% naar 9,4%.

Verklaring

Locatus verklaart deze verschillen door te wijzen op het verschil tussen doelgericht en recreatief aankopen. De doelgerichte, dagelijkse boodschappen, blijft de consument dicht bij huis doen, in wijk- en buurtcentra, die ook goed scoren. Recreatief winkelen gaat echter steeds meer via internet, waarbij consumenten die dit niet doen, vaker kiezen voor grote winkelcentra met uitgebreid aanbod. Daarvoor blijkt men ook bereid iets verder te reizen. Dit verklaart de achteruitgang van kleinere winkelcentra in middelgrote steden en stadsdelen.

Lange termijn

Over de lange termijn nam de leegstand van winkelcentra de afgelopen jaar met 3% toe, vanwege de economische crisis en stijging van internetaankopen. De markt lijkt zich langzaam te stabiliseren, hoewel het komende kwartaal de leegstand waarschijnlijk weer iets zal toenemen, ten gevolge van nieuwe faillissementen. Veel hangt af of grote spelers als V&D een doorstart kunnen maken.

De Bouwcampus gaat van start

0
De Bouwcampus gaat van start

Morgen, woensdag 13 januari, wordt in Delft de Bouwcampus officieel gelanceerd. Het gebouw is een ‘broedplaats voor de bouw’, waar partijen elkaar kunnen ontmoeten en samenwerken. De focus licht op moderne vraagstukken en innovatieve oplossingen op het gebied van leven, werken en wonen.

“Open innovatie betekent niet alleen samenwerken maar ook kijken naar andere manieren van samenwerken en oplossingen bieden. De Bouwcampus biedt partijen de ruimte om samen te experimenteren en op andere manieren naar de maatschappelijke vraagstukken te kijken”, aldus de organisatie.

Virtueel en fysiek

De Bouwcampus begon in 2013 als online netwerk, maar al snel ontstonden plannen voor huisvesting, waar ontmoeting en samenwerking in levende lijve plaats kan vinden. De officiële lancering is dus morgen, maar het pand aan de Van der Burghweg in Delft wordt inmiddels al gebruikt. Het virtuele netwerk blijft gewoon bestaan en vermeldt dat momenteel 11 partijen zich in het pand hebben gevestigd. Dit zijn voornamelijk kennis- en onderzoeksbureaus, maar ook meer projectgerichte adviesbureaus Building Changes en SBRCURnet.

Bouw en maatschappij

Er is veel aandacht voor de relatie tussen bouw en de maatschappij, met thema’s als vergrijzing, verduurzaming en verstedelijking. Ook start-ups en studenten zijn welkom voor projecten die op deze thematiek aansluiten. De Bouwcampus is een initiatief van Rijkswaterstaat, Bouwend Nederland, het Rijksvastgoedbedrijf, de gemeentes Rotterdam en Delft en de TU Delft. Los van het gebouw, hebben meer dan 120 bedrijven, overheidsorganisaties en kennisinstituten zich reeds bij het netwerk aangesloten.

Lancering

Ter gelegenheid van de lancering is er een speciaal programma samengesteld, met als thema de flexibilisering van de samenleving en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Diverse bewoners van de Bouwcampus zullen zich daarbij presenteren en ingaan op de wijze waarop co-creatie, waar hoog op wordt inzet, een meerwaarde kan hebben.
Het programma van 10.30 tot 15.30 uur is vrij toegankelijk voor geïnteresseerden.

Next level renovatie

0
Next level renovatie - Veel natuurlijk licht in de lobby van het nieuwe Alliander pand

Opdrachtgeverschap cruciaal bij huisvesting Alliander

Rendement en maatschappelijk verantwoord ondernemen, gaat dat samen in de bouw? Nationale en internationale akkoorden sturen aan op een transitie van het huidige economische systeem. De roep om verduurzaming in de gebouwde omgeving wordt steeds luider. Daarbij zijn voorbeeldprojecten nodig die laten zien dat maatschappelijke keuzes hand in hand kunnen gaan met financieel rendement. De renovatie van het gebouwencomplex van energienetwerkbeheerder Alliander in Duiven is zo’n voorbeeld.

In dezelfde week dat in Parijs het klimaatakkoord werd gesloten, kwam in Nederland het nieuws naar buiten dat gebouwen de grootste ‘vervuilers’ zijn van Nederland. De acht miljoen gebouwen die Nederland rijk is, zijn in totaal goed voor 36 procent van de landelijke CO2-uitstoot. Geen enkele andere sector haalt een dergelijk percentage. De helft van die 36 procent komt van kantoren, zo blijkt uit gezamenlijk onderzoek van de overheid en het Energieonderzoek Centrum Nederland. In Nederland is al sinds 2013 een energieakkoord van kracht, gesloten door overheid en bedrijfsleven. Daarbij is hoog ingezet op het terugdringen van energieverbruik van gebouwen. Eén van de ambities is dat energieverbruik van gebouwen in 2020 met twintig procent is afgenomen ten opzichte van 2013. De NOS meldde in december dat de afgelopen twee jaar het verbruik met 3 procent is teruggebracht. Het begin is dus gemaakt. Maar wil de ambitie voor 2020 gehaald worden, dan zal het proces moeten worden versneld. Overheid en bedrijfsleven zullen beide verantwoordelijkheid moeten delen en een actieve houding aannemen. Dat vraagt om ruimte voor innovatie, nieuwe benaderingen, nieuwe organisatiestructuren en nieuwe technieken om oude, vervuilende processen te vervangen. Het recent opgeleverde renovatie- en nieuwbouwproject voor de huisvesting van energienetwerkbeheerder Alliander levert daarin een mooi voorbeeld.

Definieer ambities

In 2010 besloot het bedrijf dat het tijd was voor herhuisvesting. Verschillende gebouwen in verschillende steden van het bedrijf waren verouderd en functioneerden niet optimaal. Er werd besloten om de locatie in Duiven te renoveren en te upgraden tot centrale locatie. Doel was een state-of-the-art kantorencomplex, met flinke uitbreiding van het aantal medewerkers. De ambities van Alliander waren vooraf hoog. Vijf kernpunten werden gedefinieerd voordat er een uitvraag naar de markt werd gedaan: Integraliteit, circulair bouwen, energieneutraliteit, verbinden (het nieuwe werken) en als laatste de relatie met de omgeving (zie kadertekst).
Na oplevering en ingebruikname van het pand, eind 2015, is duidelijk dat de gestelde ambities rijkelijk zijn gehaald. Het project heeft een ontwerpcertificaat voor de breeam-score ‘outstanding’. Het zal voor het eerst zijn dat een renovatieproject de hoogst mogelijke kwalificatie in ontvangst neemt. Daarnaast is niet alleen het gebouw zelf energiepositief, maar was er sprake van een energiepositieve bouwlocatie. BU spreekt de betrokkenen over hoe dit resultaat is bereikt, binnen het gestelde budget. De wijze waarop de uitvraag voor aanbesteding van het project in de markt is gezet, speelde een cruciale rol.

Circulair bouwen

Eugenie Knaap, projectleider van Alliander, legt uit. “We wisten heel duidelijk welke ambitie we hadden, maar niet hoe dat geconcretiseerd zou moeten worden. Daarom hebben we als opdrachtgever en eigenaar twee a4’tjes geschreven met onze vijf kernpunten, een heldere en hoge ambitie, maar zonder enig voorschrift hoe die ambities gerealiseerd zouden moeten worden. Dat was aan de specialisten in de markt.” VolkerWessels Vastgoed en RAU architecten sloegen de handen ineen om werk te maken van de ambitieuze, abnormale vraag, die de markt veel ruimte bood voor eigen creativiteit. Onno Dwars, hoofd acquisitie & innovatie bij VolkerWessels Vastgoed: “De twee a4’tjes dwongen ons min of meer om een liefdesbrief te schrijven, de liefde verklarend aan de opgestelde ambities. Een week voor de indiening van onze plannen twijfelden we nog. ‘Wat doen we, maximaal sturen op prijs? Of maximaal sturen op de ambities, en een heel interessant project neerzetten?’ We namen het lef om te sturen op de ambities, maar besloten direct om er dan een schepje bovenop te doen, om de verwachtingen en eisen te overtreffen.” De ambitie voor een energieneutraal pand werd omhoog gebracht naar energiepositief. De ambitie voor circulair bouwen werd herschreven tot minimaal 80% hergebruikt materiaal op de bouwplaats. Mede hierdoor kreeg het consortium VolkerWessels-RAU de opdracht toegewezen.

Geen programma van eisen

Voor architect Marijn Emanuel van RAU, was het uniek dat het aanbestedingsdocument zoveel ruimte liet voor eigen inbreng van het consortium. “De belangrijkste beslissing is in het begin van het traject genomen. Namelijk dat in overleg kon worden bepaald hoe hoog we de lat wilden leggen en dat het aan het consortium werd overgelaten hoe dat resultaat werd bereikt. Er was geen bestek of programma van eisen. Die vrijheid heeft onze creativiteit ontzettend gestimuleerd.” Knaap geeft aan dat deze constructie is gekozen vanuit de overtuiging dat specialisten uiteindelijk beter weten hoe op een succesvolle manier een interactieve werkvloer kan worden gecreëerd, hoe zo veel mogelijk materiaal uit het oude gebouw kan worden hergebruikt, hoe een gebouw zo energiezuinig mogelijk wordt ontworpen. Daarbij is van belang dat de vijf ambities een integrale aanpak vereisen, een aanpak die niet zomaar naar voorbeeld van andere projecten kon worden nagedaan. Juist de hoge ambities vereisten intelligente, innovatieve oplossingen. In dat licht is de herhuisvesting een voorbeeldproject waar overheid en bedrijfsleven, met in het achterhoofd de energieambities, lering uit kunnen trekken.

‘Gebouw is een middel’

“Toen wij in 2011 deze uitvraag deden was het uniek dat een opdrachtgever zo hoog inzette op bijvoorbeeld circulariteit. Maar de bouw wil er wel naar toe. Leveranciers weten dat grondstoffen en faciliteiten eindig zijn”, aldus Knaap. Onno Dwars vult aan: “Elke opdrachtgever heeft de kans om het verschil te maken. Dit geldt niet alleen voor de overheid, maar voor alle partijen.” Een opdrachtgever heeft dus de keuze om creativiteit en innovatie te stimuleren door specialisten ruimte te geven, of om vanaf het begin maximaal te sturen op de kosten, waardoor een consortium voor de goedkoopste, conventionele oplossing zal kiezen. Dwars pleit daarom voor een andere kijk op financieel rendement. Innovatie en rendement gaan volgens hem heel goed samen. Juist wanneer te snel naar de financiën wordt gekeken, kan men op de lange termijn minder voordelig af zijn. De rol van vastgoed, ook financieel, gaat verder dan het gebouw op zichzelf, stelt Dwars. De mens staat centraal. “Het gebouw is een middel. Een middel om medewerkers te huisvesten en hun werk te laten doen. Als middel is het gebouw de plaats waar een medewerker enthousiast binnen komt en direct aan de slag gaat, of waar hij of zij zich met hangen en wurgen achter een bureau sleept en moeite heeft zich te concentreren.” Met andere woorden, een gebouw heeft invloed op de arbeidsproductiviteit van werknemers. Een economisch model waar volgens Dwars nog te weinig aandacht voor is. “Daarnaast zijn er ook nog indirecte gevolgen. Wat betekent een gebouw voor de uitstraling van een bedrijf, en welke invloed heeft dat op bijvoorbeeld het aantrekken van personeel. Parameters die nog onvoldoende gedefinieerd worden, maar wel een belangrijke rol spelen.”

Nieuw verdienmodel

Volgens Dwars is er in de bouw een wereld te winnen op het gebied van duurzaamheid, zonder dat daar extra, onverantwoorde kosten voor nodig zijn. “Doe het met bestaande budget en ga anders kijken en inkopen. Verminder het aantal vierkante meters, maak een gebouw efficiënter en slimmer, koop kwalitatief in op producten.” Architectenbureau RAU is al sinds 2008 druk bezig met cradle-to-cradle, op het gebied van bouwmaterialen. Marijn Emanuel legt uit dat het bureau liever ‘levensvatbaar’ als term gebruikt dan ‘duurzaamheid’. “Duurzaam is een bijvoeglijk naamwoord en zegt niet zo veel over waar je naar toe wilt. Fouten kunnen heel duurzaam doorgezet worden. Daarom hanteren wij levensvatbaarheid als term. De zoektocht naar een levensvatbaar systeem, waarin bedrijven en gebouwen op maatschappelijk verantwoorde wijze worden ontwikkeld, is momenteel volop actueel. De gestelde ambities in de hoeveelheid aan akkoorden vragen om een mentaliteitsverandering. In combinatie daarmee zal er een verdienmodel moeten worden ontwikkeld, waardoor verantwoorde keuzes rendabel worden. Het project in Duiven toont dat dit laatste mogelijk is, juist vanuit een andere mentaliteit, waarover vooruitstrevende partijen in de bouw al beschikken. “De wijze waarop de maatschappij momenteel is georganiseerd, is niet vol te houden. Maar ik zie de toekomst hoopvol in. Studenten vinden het namelijk steeds vanzelfsprekender om vanuit dit perspectief te kijken,” aldus Emanuel. Zowel Emanuel als Dwars zijn overtuigd dat de resultaten die zijn geboekt, op het gebied van energie en circulair materiaalgebruik, heel goed kopieerbaar zijn voor de rest van Nederland. De volgende vraag is hoe overheid en bedrijfsleven zo ver komen dat ze even hoog durven inzetten op ambities als in Duiven is gebeurd. De eerste, en misschien wel belangrijkste stap is dat men ziet, begrijpt en beseft wat er mogelijk is. Een omdenken, dat verantwoorde keuzes niet altijd meer hoeven te kosten, maar juist ook rendement kunnen opleveren, wanneer vanuit een integrale visie wordt gewerkt.

Energiereductie

Energiereductie is daarin het beste voorbeeld. Energiebesparing levert direct winst, voor zowel de portemonnee als voor het milieu. Daarnaast is een belangrijke les dat een gedeelde ambitie tussen samenwerkende partijen een band schept, waardoor meer mogelijk wordt en iedereen bereid is een stapje extra te zetten. Bouwen vanuit het gevoel ‘goed bezig te zijn’ klinkt misschien goedkoop, maar het werkt wel om bijvoorbeeld zaken bij de gemeente in een stroomversnelling te krijgen, zo merkte Knaap.
Bedrijven en overheidsinstanties regelen vaak als eigenaar en opdrachtgever hun eigen huisvesting.
Of er al dan niet ambities zijn op gebieden als energiereductie en circulariteit, is afhankelijk van de kennis en ambitie van de mensen binnen een organisatie.
Die kennen niet altijd de mogelijkheden van de bouw en zijn vaak specialist op een ander gebied dan vastgoed, waardoor snel een conservatieve weg wordt ingeslagen. Het is niet toevallig dat een energienetwerkbeheerder erin is geslaagd een maatschappelijk verantwoord pand te – laten – ontwikkelen. Ten eerste kan het bedrijf het zich niet veroorloven om de eigen energiehuisvesting niet zo optimaal mogelijk in te richten. Ten tweede heeft het bedrijf, met het opstellen van de vijf ambities, blijk gegeven van een sterk besef van waar de bouw momenteel toe in staat is. Als energienetwerkbedrijf zit Alliander met de neus op de vernieuwingen, in de energiewereld, maar zijdelings ook in de bouw. Zo gezien is het ambitieuze aanbestedingsplan een logisch gevolg van het karakter van de opdrachtgever. De vijf pijlers zijn min of meer een samenvatting van de huidige vernieuwing binnen kantoorgebruik en vastgoedontwikkeling. In theorie zou elke eigenaar zo’n ambitiedocument open in de markt kunnen leggen, maar in de praktijk weet niet elke eigenaar dat dit een succesformule kan zijn.

Transitie

De ambitie voor een transitie naar een meer duurzame, danwel levensvatbare, samenleving wordt onderschreven door heel Nederland. De weerbarstige praktijk, waar idealen en dromen verwezenlijkt moeten worden, blijft achterlopen. Het is in de vastgoedwereld geen cultuur om leefbaarheid, welzijn en maatschappelijke verantwoordelijkheid, als bepalende factoren mee te laten spelen bij de ontwikkeling van een gebouw. Ook overheidsinstanties zijn gewend om financieel rendement als premisse voor een vastgoedproject te zien en van daaruit te redeneren en te argumenteren. Een voorbeeld zijn de bouwleges, die gemeenten berekenen op basis van de financiële investering bij de start van een project, zonder wat wordt gekeken naar wat een project aan maatschappelijke waarde op kan leveren. Zo bestaan er momenteel twee culturen naast elkaar, die elkaar moeten zien te vinden: de noodzaak en ambitie om gebouwen minder vervuilend te maken en de andere noodzaak om geld te verdienen met het ontwikkelen van vastgoed. Dat dit samen kan gaan, bevestigt het project in Duiven, maar vanzelfsprekend is dit niet. Er is een omslag nodig in denken, handelen en technische kennis. Naar een systeem waarin de weg naar rendement uit vastgoed vanzelfsprekend via verantwoorde, levensvatbare en groene gebouwen loopt. Het recente klimaatakkoord lijkt de bal neer te leggen bij het bedrijfsleven, voor het ondernemen van actie. De overheid wil vooral verkondiger van de boodschap zijn, maar laat het aan de markt om de handschoen op te pakken. Middels een dergelijke vrije marktwerking is het niet vanzelfsprekend dat er snel een grootschalige transitie plaats zal vinden, aangezien bedrijven binnen de markt als individuen opereren en vanuit het economische systeem als vanzelfsprekend uit zijn op maximale winst. Dit wordt bevestigd door het project in Duiven. Dwars geeft aan dat de opgave voor duurzaamheid een logische bijkomstigheid was van de vraag naar optimalisatie van de werkvloer. Knaap licht de hoge inzet op duurzaamheid als volgt toe: “We weten met z’n allen waar het de komende jaren naar toe gaat op het gebied van energie. Mensen gaan veel meer zelf opwekken en leveren. Dan is het voor ons als energienetwerkbeheerder niet meer dan logisch om daar als organisatie in mee te gaan en een proeflocatie te zijn.”

Vliegwiel voor nieuwe standaard

De quote maakt duidelijk dat zelfs de meest vooruitstrevende bedrijven slechts reageren op signalen uit de samenleving. Dat in feite de burger, de mens, de aanjager is van een transitie. Verandering ligt dus opgesloten in de samenleving. De overheid heeft hier invloed op middels publiciteit, subsidies, onderwijs, wetgeving en opdrachtgeverschap.
De uitdaging voor politiek en bedrijfsleven is dus om een transitie te bewerkstelligen naar een systeem waarin het economisch rendabel is om te investeren in maatschappelijk verantwoorde gebouwen. Wanneer de meest verantwoorde keuze ook de meest logische en meest rendabele keuze wordt, zal de markt direct meebewegen en zal niets een transitie op grote schaal in de weg staan. Voorbeeldprojecten, waarbij innovatieve bouwers samen de opdracht krijgen om iets nieuws te verzinnen, kunnen als aanjager van zo’n vernieuwde economie fungeren. Door dergelijke projecten te initiëren, aandacht te geven, en eventueel te subsidiëren, kan een vliegwiel voor een nieuwe standaard ontstaan. Subsidie voor de aanleg van een zonne- of windmolenpark biedt bijvoorbeeld geen structurele verandering, in tegenstelling tot investeringen in de doorontwikkeling van zonnepanelen en windmolens, waardoor de aanleg ervan rendabel wordt zonder subsidie. Hetzelfde geldt voor een verantwoord gebruik van grondstoffen. Daarbij kan een opdrachtgever tegen een consortium zeggen: ‘ik wil 3000 zonnepanelen specifiek op dit dak’, of de opdracht kan zijn: ‘ik wil een energieneutraal gebouw, en zie maar hoe je dat voor elkaar krijgt’. Dat laatste stimuleert natuurlijk veel meer de creativiteit bij bouwers om iets moois te maken en kan uiteindelijk nog voordeliger zijn ook. In ieder geval in Duiven.

[tabs]
[tab title=”vijf ambities”]
De vijf ambities die Alliander in het ‘aanbestedingsdocument’ formuleerde, zijn uiteindelijk door het consortium op volgende wijze vorm gegeven:


Energiepositief

De locatie wekt per saldo meer energie op dan het verbruikt. Ook de bouwperiode was energiepositief, doordat er zonnepanelen werden aangelegd aan het begin van het bouwproces. Een belangrijke rol speelt het nieuwe dak, dat als een isolerende klimaatkas fungeert voor de zes gebouwen. Lichtkoepels zorgen dat bespaard kan worden op verlichting. Energie wordt opgewekt door zonnepanelen en het gebruik van grondwater voor warmte/koudeopslag, waardoor het complex CO2-neutraal is. De samenwerking tussen architect en installatieadviseur resulteerde in een efficiënte vorm van het atrium, wat betreft ventilatie en verwarming.


Nieuwe werken

Door de uitbreiding van 600 naar 1550 medewerkers in Duiven en sluiting van locaties elders, is het kantooroppervlak verminderd, verschillende afdelingen van Alliander bij elkaar gekomen en zijn praktijkruimtes als opleidingslokalen, magazijnen, werkplaatsen en laboratoria bij elkaar gebracht. In het gebouw is hierop ingespeeld door verschillende verdiepingen een verschillend karakter te geven. Zo is er een stilteverdieping, waar een bibliotheekachtige sfeer heerst, een verdieping voor ontmoeting en een verdieping met een kantoorsfeer. Onderling contact tussen medewerkers en afdelingen wordt gestimuleerd doordat koffiezetapparaten op de loopbruggen tussen de gebouwen zijn geplaatst. Deze loopbruggen zijn vormgegeven als ruimten voor ontmoeting. De werkomgeving is tot stand gekomen in samenspraak tussen binnenhuisarchitect en medewerkers.


Relatie met omgeving

Samen met bedrijven uit de omgeving en gemeentelijke en provinciale overheden is de Groene Alliantie opgericht, dat wil nadenken over duurzame ontwikkeling door bijvoorbeeld uitwisseling van reststromen en energie. Zo wil de gemeente Duiven ruimte bieden aan bedrijven die de transitie naar een duurzame energiehuishouding stimuleren. Dat dit geen holle frase is, heeft Knaap gemerkt toen zij een aanvraag indiende of een geplande snelfietsroute, die door het bedrijventerrein zou gaan lopen, sneller gerealiseerd kon worden, zodat werknemers de fiets kunnen pakken naar kantoor. “Dat is vervolgens gerealiseerd, terwijl het fietspad een project was dat over gemeentegrenzen heen ging en ook de provincie betrokken moest worden. Ik vond het een hele mooie ontdekking dat je, omdat je hetzelfde doel voor ogen hebt, een versnelling kunt aanbrengen in zo’n proces.”


Integraliteit

Integraliteit is toegepast door te zoeken waar de ambities elkaar overlappen en door steeds, ook op financieel gebied, het totaalplaatje voor ogen te houden. Dat betekent dat waar ergens bezuinigd kan worden, budget overblijft om op een andere plek te investeren. Dat niet alleen naar de realisatiekosten wordt gekeken, maar ook onderhouds- en energiekosten van de komende vijftien jaar worden doorberekend. Dat geeft ruimte om te investeren. Daarnaast werd integraal, middels co-creatie, met elkaar samengewerkt. Het consortium vormde met de opdrachtgever een gezamenlijk blok, dat tijdens het project steeds bleef nadenken over eventuele verbeteringen. Eugenie Knaap, projectleider namens Alliander, noemt als voorbeeld van het belang van de samenwerking, het feit dat de installatieadviseur en de architect samen aan tafel zaten tijdens de ontwerpfase van het nieuwe dak. Dat dak was de grootste opgave wat betreft nieuwbouw en moest een energiezuinig ontwerp krijgen. “Het komt vaak voor dat de architect een ontwerp tekent, waarna de installatieadviseur er achter komt dat het ontwerp niet optimaal is voor de technische installaties of energiegebruik. Overleg tussen architect en installatieadviseur aan de tekentafel leidt tot een optimalisatie, minder installaties, minder energieverbruik.”


Circulariteit

Het consortium sprak de ambitie uit om minimaal 80 procent van de aanwezige materialen op de locatie in Duiven te hergebruiken. De bouwlocatie werd daarbij als akkerland benaderd, aldus Onno Dwars van VolkerWessels. “We hebben alle grondstoffen maximaal hergebruikt. En optimaal gekeken waar we energie konden oogsten middels zon, water en wind op locatie. Zo wordt regenwater opgevangen om toiletten door te spoelen en planten water te geven.” Ook de medewerkers van Alliander droegen hun steentje bij. Een medewerker bij de inkoop tipte dat oude bedrijfskleding in een fabriek terecht komt waar isolatiemateriaal wordt geproduceerd. Door dit isolatiemateriaal te gebruiken voor de locatie in Duiven werd de cirkel rond, het gebouw wordt in feite geïsoleerd met de oude werkkleding. Een ander onderdeel is het grondstoffenpaspoort, dat is ontwikkeld door architectenbureau RAU. Van al het materiaal op de bouwplaats wordt zorgvuldig gedocumenteerd wat de eigenschappen zijn. Zo kunnen ideeën voor hergebruik ontstaan en ook wordt hergebruik in de toekomst mogelijk. Een gedegen basis om nieuwe manieren te verzinnen hoe grondstoffen hergebruikt kunnen worden. Dat ging zover dat afvalhout, bestemd voor de oven, met behulp van TNO opnieuw is gedefinieerd. Door verschillende brandproeven werden de eigenschappen van het afvalhout bepaald en kreeg het een nieuwe identiteit als grondstof, uiteindelijk bruikbaar voor design binnengevels die zijn toegepast. Van de oorspronkelijke staalconstructie is 93 procent hergebruikt. Betongevels aan de buitenkant van het gebouw werden vermalen en als basis voor de aanleg van de atriumvloer gebruikt.

[/tab]
[/tabs]

Green Deal Groene Daken

0
Green Deal Groene Daken Leven op Daken

Gemeente Rotterdam als gastheer voor begroeide daken

De gemeente Rotterdam is al vele jaren actief in zijn beleid om meer begroeide daken te laten aanleggen. Middels subsidieregelingen en evenementen zoals Rotterdamse Dakendagen (10-12 juni 2016) wordt veel aandacht aan het voor de gemeente noodzakelijke groen-blauw aspect van groendaken geschonken en is in Rotterdam inmiddels een behoorlijk aantal spraakmakende projecten gerealiseerd. Snel genoeg gaat het vergroenen van alle platte daken binnen haar gemeentegrenzen zeker nog niet vandaar de deelname van de gemeente aan de Green deal Groene Daken waar wordt gekeken hoe het toepassen van groendaken kan worden versneld. In Rotterdam bezochten de 43 deelnemende partijen aan de Green Deal Groene Daken enkele spraakmakende projecten.

Dakakker

De ‘Dakakker’ ligt op het oude kantoordak van het Schieblock net naast het Hofplein en is onderdeel van de nieuwbouw stadsontwikkeling Rotterdam Central District. Vanwege de crisis is de uitvoering van het stedenbouwkundige plan, vanaf het station naar het Hofplein, al enige jaren uitgesteld. Op het bestaande dak van het oude kantoor wordt al enige jaren groente gekweekt in de volle grond (daksubstraat). Het Rotterdams Milieucentrum heeft indertijd met de oude eigenaar en samen met ZUS architecten en steun van de gemeente Rotterdam (inmiddels eigenaar van het pand) de Dakakker ontwikkeld als oogstbare tuin, vergroening voor de stad en waterbuffer tijdens piekbelastingen van regenbuien. De moestuin is gerealiseerd op de oude dakbedekking van het kantoorpand dat nog steeds op de nominatie staat om een keer gesloopt te worden. De dakrand is voorzien van een inventieve, lichtgewicht gecoate EPS opstand in de vorm van een bak die na plaatsing gevuld wordt met substraat en dient als veilige dakrand. Inmiddels zit het oude kantoor, na leegstand, weer geheel gevuld met allerhande creatieve bedrijfjes en is de Dakakker een voorbeeld voor Europese initiatieven voor dakmoestuinen en trekt het jaarlijks veel toerisme vanuit Azië en is recent de gemeente Rotterdam de nieuwe eigenaar van het kantoorpand geworden.
Leveringen aan restaurateurs, rondleidingen, connecting the people zoals ook op de dakmoestuin Zuidpark in Amsterdam, workshops en verhuur met catering van het dakpaviljoen zijn momenteel de grootste verdienmodellen van de Dakakker. Of het uitsluitend telen van groente op daken rendabel is blijft natuurlijk de vraag.
“Inclusief de aantrekkingskracht van toerisme, buitenlandse bezoeken en alle netwerkcontacten in de wereld vanuit de Rotterdamse havenstad en verhuur van het paviljoen voor bijeenkomsten kan het, overigens met een kleine subsidie van de gemeente Rotterdam, nog steeds uit”, aldus Emile van Rinsum, directeur van het Rotterdams Milieucentrum.
Binnenkort wordt het dak van het paviljoen op de dakakker verder ontwikkeld tot permanente regenwateropvang voor hergebruik van regenwater op de dakakker.

Hofbogen

Het aan de overzijde van Schieblock liggende treinemplacement, genaamd De Hofbogen (officieel vroegere naam het Hofpleinviaduct) bestaat uit een 1,9 km lange oude spoorlijn gelegen op in eerste aanleg open bogen die later werden omgevormd naar dichte verhuurbare ruimte voor het gebruik als kleine winkel, werkplaats of café. Destijds een bakermat voor activiteiten maar in de jaren ’90 inzet van verdere verpaupering. In 2006 kochten vier woningcorporaties het verpauperde viaduct en inmiddels is het eigendom van Hofbogen bv, bestaande uit de Rotterdamse samenvoeging van deze woningcorporaties tot Havensteder en Vestia. Voor deze vroegere spoorlijn van Rotterdam Hofplein naar Den Haag en Scheveningen -nog aanwezig vanaf het station Hofplein tot aan de rijksweg A20- is jaren geleden voor het dakgedeelte op het Station Hofplein door ZUS architecten een ontwerp gemaakt en is de status van het gehele traject een Rijksmonument.

In beginsel hebben de crisis en wellicht het diverse eigenaarschap van de beide woningcorporaties nog niet geleid tot het gewenste resultaat om het langgerekte dak te voorzien van een volledige inrichting.
De mooie plannen zijn zeker door de crisis vanaf 2008 onder druk komen te staan om snel en daadkrachtig het volledige spoorweg­emplacement om te vormen tot groen-blauw gebruiksdak met wandelgebieden. In 2015 is nog door Pro Rail een aanbesteding afgeblazen om door aannemers het volledige dak van de hofbogen vrij van spoorstaven, dwarsliggers, bovenleidingsportalen en grind op te leveren inclusief een nieuwe duurzame waterdichting. Deze werkzaamheden konden nog alleen onder de ontvangen EFRO (Europees Fonds voor regionale Ontwikkeling) subsidie in 2015 gerealiseerd worden. De offerte van de enig overgebleven inschrijver met de daarbij meegerekende risico’s voor te laat opleveren lag ver boven budget.

Het eerste gedeelte, station Hofplein is al enige jaren voorzien van de juiste dakbedekking en de onderliggende ruimtes zijn inmiddels verhuurd aan ondernemers voor ludieke winkels en verschillende restaurateurs waaronder een sterrenrestaurant.

Langzaam komt ook de dakinrichting op gang van dit gedeelte. Het oude stationsgebouw Hofplein wordt opgeknapt en krijgt deze zomer een dakterrasfunctie met inrichting van een heuse dakgaard met fruitbomen en het gebruik van oude rails als omlijsting van wandelpaden. Hekwerken zijn geplaatst en een deel van het dak krijgt straks een functie als evenemententerrein. Rob Luyk van Binder Groenprojecten, die de huidige groene inrichting realiseert, gaf tijdens zijn rondleiding aan dat er al vele jaren wordt gesproken over de plannen. Nog onbekend is wat er verderop gaat gebeuren en de afgelopen jaren is ook veel geld verspild aan dit eerste gedeelte. “Onze inrichting wordt momenteel gerealiseerd bovenop een deelinrichting die enige jaren geleden al is uitgevoerd door andere bedrijven.” Als de vraag wordt gesteld hoe het jaarlijks groen en onderhoud is geregeld geeft hij aan: “de aanleg van het eerste nieuwe gedeelte wordt nu gerealiseerd, voor wie het groenonderhoud is in de toekomst weten wij nog steeds niet. Een eerste stap is gezet om in ieder geval van de zomer gebruik te gaan maken van een mooi Rotterdams gebruiksdak.”

De High Line van Rotterdam

Leven op Daken heeft de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar veranderingen in de stad New York na oplevering van de High Line op een vergelijkbaar spoorwegemplacement zoals in Rotterdam en hierover gepubliceerd. Positieve aantrekkingskracht voor heel veel toeristen, groene wandelgebieden voor de eigen stadbewoner en daardoor de snel opgewaardeerde omgeving, geven een enorme boost aan de economische omstandigheden van de naastgelegen bebouwde omgeving. De renovatie van oude panden, nieuwbouw en aantrekkingskracht voor nieuwe horeca met winkels is versneld en inmiddels in die gebieden gerealiseerd. Bewoners bedanken openlijk, middels tekstborden op de gevel, de burgemeester voor deze actie om de High Line te realiseren. Rotterdam heeft wat dat betreft met Hofbogen het toekomstige goud in handen en voldoende mogelijkheden om met dit Rijksmonument New York te gaan evenaren.

Brussel

Wellicht ook met steun vanuit Brussel voor grootschalige demonstratieprojecten. In het kader van Horizon 2020 heeft Kurt Vandenberghe, Directeur Climate Action and Resource Efficiency bij de Europese Commissie, recent in Groene Poort gesproken over het nieuwe programma: ‘Nature Based Solutions in Renaturing the Cities,’ waarbij 250 miljoen euro beschikbaar gesteld wordt voor het versneld vergroenen, verduurzamen en leefbaar maken van de stedelijke omgeving in Europa.

Het programma Nature Based Solutions is ontwikkeld door een expertgroep waaraan ook VHG directeur Egbert Roozen heeft deelgenomen. Het plan beoogt een systematische aanpak, die niet alleen gericht is op technologische innovaties, maar ook nieuwe businessmodellen onderzoekt. Het programma richt zich op het ontwikkelen van nieuwe kennis en vaardigheden en op sociale innovaties.

Ontwikkelingen

Inmiddels zijn bestaande en bewezen daktuintechnieken voor waterbuffering en waterberging te koppelen aan reinigingstechnieken van regenwater tot waterkwaliteiten die geschikt zijn voor hergebruik van water in en rondom nieuwbouw of renovatie projecten. Het gereinigde opgeslagen water is inzetbaar voor toiletdoorspoeling, waswater, bluswater en met kleine aanpassingen zelfs voor drinkwater. Deze ontwikkelingen zijn nu nog gemakkelijk inpasbaar bij de herinrichting van het 1,9 km langgerekte Hofbogen op het gebruiksdak waarbij een andere hoge waarde wordt toegekend voor de verbetering van de stedelijke biodiversiteit. Als het dak eerst volledig wordt ingericht komt, zo blijkt ook uit het onderzoek in New York, de verhuur van onderliggende ruimten en economische aantrekkingskracht naar alle omliggende wijken vanzelf. Nog altijd wordt vaak vanuit de economische gedachte anders beredeneerd: eerst de verhuur regelen en daarna de omgeving. Met als eerste inzet een groene ‘mindset’ en op langere termijn de economische opbrengst heeft New York een voorbeeld gesteld voor Rotterdam. Vooralsnog voor alle partijen in Rotterdam een wijze van anders gaan denken en vooral doen; oftewel een typerende uitspraak van Rotterdammers: geen woorden maar daden!

Wat doen we met technologie in gebouwen?

0
Bits, Bricks & Behavior over gebouwautomatisering

Wat doet technologie eigenlijk met een gebouw en wat doet het met de gebruiker van een gebouw? Tijdens de Nationale Conferentie Gebouw Automatisering, ‘Bits, Brics & Behaviour’, begin november 2015, kwam het heel pregnant over de bühne. Technologie in gebouwen.

Bits, Bricks & Behavior

Keynote speakers van Cisco, Deloitte, Microsoft, Plantronics en de TU Eindhoven rolden over elkaar heen om duidelijk te maken wat er allemaal staat te gebeuren in de wereld van The Internet of Everything. Ronduit verontrustend. Lees ook het boek ‘Het Digitale Proletariaat ‘ van Hans Schnitzler maar eens….
‘Futurologenpraat, ver van ons bed’ denken veel bedrijven uit de vastgoedwereld.
O ja? Wat bleek uit de andere vijftig verhalen tijdens de conferentie? Het is er overal al in gebouwen. Overal hangen camera’s gekoppeld aan databases. Overal registreren sensoren allerlei variabelen die beïnvloed worden door menselijk gedrag en
dus analyse van dat gedrag mogelijk maken. Hoe kunnen we anders het klimaat in een gebouw adequaat regelen, energie-efficiënt opereren, toegangscontrole uitoefenen?
Dat willen we toch allemaal?

Ladingen data worden verzameld in ziekenhuizen. Je omgeving zodanig beïnvloeden dat je in een kantoortuin ongestoord kunt werken en telefoneren, dat regel je op basis van geluidsarchitectuur, via sensoren en gedragsprofielen. Moderne ouderenzorg met een hoge kwaliteit van leven, ook boven de 75 jaar? Onbestaanbaar zonder datasystemen met gegevens van mensen.
De vraag is niet langer óf we big data gaan toepassen. Het is al overal aanwezig. De kwestie is hoe we er mee omgaan en wie welke verantwoordelijkheid heeft en neemt. Het voorbeeld dat Roel van Rijsewijk van Deloitte schetste in april tijdens het FHI federatiecongres: Vier mensen zitten in een zelfsturende auto. Een kind steekt onverwachts de weg over. De auto moet kiezen; met de vier inzittenden tegen een boom of het kind overrijden. Leggen we de keuzeverantwoordelijkheid bij de programmeur van de zelfrijdende auto?
Het probleem is er al en is niet op te lossen met een wetje over meldingsplicht datalekken, zoals die per 1 januari 2016 van kracht is geworden. De vraag is al helemaal of wetgeving hier oplossingen biedt.

Twee dingen. De problematiek moet hoog op de agenda bij zowel bedrijven als overheden en maatschappelijke organisaties. Ten tweede, en daar kunnen we vandaag mee beginnen, we moeten zorgen dat de mensen die digitale systemen bouwen en beheren, competent zijn en daar naar betaald krijgen. Dat besef ontbreekt nog steeds in de wereld van installatie en bouw. Het gaat hier niet meer om ‘installatie’werk, maar om ICT hardware/software systeemarchitectuur. Uit de voorbereiding van de opleiding voor systeemarchitect gebouwautomatisering blijkt hoe nauw dat luistert. De FHI-brancheorganisatie voor gebouwautomatisering en TVVL werken hier samen hard aan. Het is te hopen dat het niet weer zo gaat als wel vaker in de installatie en bouw: het woord wordt omarmd, maar vervolgens blijft iedereen opereren zoals hij altijd al deed. We noemen het nu systeemarchitectuur, maar we blijven houtje touwtje aanrotzooien zonder kennis van zaken.
Ja, dan vráág je enerzijds om strenge wetgeving en blijf je anderzijds de markt zodanig op het verkeerde been zetten, dat de potentie van de technologie er nooit uit komt en elke investering er één te veel is.
“Waar moet je voor uitkijken?” Daarover moet het gaan volgens Masi Mahammadi van de TU Eindhoven. Als je daar steeds de antwoorden op weet te vinden, dan kunnen we alleen maar beter worden van technologie. Wat een mooi vooruitzicht in het nieuwe jaar, dat we kunnen constateren dat de conferentie van november de hele keten op het goede spoor heeft gezet en dat er dit jaar een passend vervolg komt. Veel voorbeeldprojecten kwamen langs, reeds uitgevoerd, in uitvoering of nog in de ontwikkelfase.
Een aantal daarvan uitgelicht.

[tabs]
[tab title=”9 Voorbeeldprojecten”]

Het nieuwe Europese hoofdkantoor van

Plantronics op Park 20|20 Hoofddorp

Het gebouw wordt in de zomer van 2016 opgeleverd als Plantronics ‘Soundscape’. De naam verwijst naar de technologie van het bedrijf zelf, professionele systemen in de sfeer van headsets en alles wat te maken heeft met geluidselektronica. Plantronics bouwt in het bedrijf een ‘geluidslandschap’ waar digitale technologie zorgt voor optimalisering van werkplekken.
Tegelijk bouwt het bedrijf, waarin ook de Nederlandse uitvinder van Blue Tooth Jaap Haartsen werkzaam is, zijn kantoor volgens het ‘cradle to cradle’ principe. Dankzij de automatiseringstechnologie dus. Het was senior VP en Managing Director Pantronics Europe & Africa Philip Vanhautte die op de conferentie in november een en ander presenteerde.


Seats2Meet in de toekomstige stadscampus

Voormalige Lochal bij station Tilburg

Seats2Meet is een franchise organisatie voor de exploitatie van een kantoorhotelconcept op basis van wat men zelf noemt ‘The Serendipity Machine’. Alles is er op gericht dat mensen die ruimte huren ook met elkaar in contact komen en daar toegevoegde waarde uit halen. Uiteraard is de inzet van social media daarbinnen heel belangrijk.
Omdat men zelf beseft nog lang niet uitputtend gebruik te maken van alle technologische mogelijkheden, legde Roger van den Berg in de conferentie de vraag neer om mee te denken. De voorbereiding van een concreet project gebruikte hij als kapstok: de herontwikkeling van de oude grote locomotiefhal bij het station van Tilburg tot een multifunctionele ‘Stadscampus’.


Zero Energy Hotel Breeze

Amsterdam IJburg

Een volledig nieuwe technologie gaat worden toegepast bij de bouw van Hotel Breeze in IJburg. Wetenschapper Ben Bronsema van de TU Delft bedacht de technologie op basis van zijn jarenlange ervaring met klimaatsystemen in gebouwen. Samen met ‘groene’ projectontwikkelaar Dutch Green Company presenteerde hij hun plannen voor een hotel dat zichzelf van energie moet gaan voorzien op basis van het EWF, Earth, Wind & Fire principe.
De drie elementen van het EWF-concept zijn een Powerdak, de Klimaat cascade en de Zonneschoorsteen. De Klimaat cascade is wellicht het meest vernieuwend. Het werkt als een ­natuurlijke warmtewisselaar, terwijl de ­zonneschoorsteen een schacht is waarin de zonnewarmte geoogst wordt om het gebouw en het tapwater op te warmen. De heren waren eerlijk bij hun presentatie. Ze wisten nog niet hoe een en ander regeltechnisch moet gaan passen in de digitale wereld, maar het is duidelijk dat het project daar niet zonder kan.


Zorgcentrum Savelberg

Gouda

In gebouwen voor de zorg gaat het hard. Overal duikt automatiseringstechnologie op. De weegschaal tussen de voor- en nadelen van het volgen van mensen slaat al snel door. Bijvoorbeeld als het gaat om dementerende ouderen daarmee meer bewegingsvrijheid te geven. Uit het voorbeeld van zorgcentrum Savelsberg in Gouda blijkt dat de toepassing eigenlijk in vrijwel ieder gebouw relatief eenvoudig is te realiseren. Het werkt daar alleen maar positief. ‘Dwaaldetectie’ heet het en het werkt via slimme camera-sensoren in combinatie met tags die worden gedragen als een soort polshorloge. De begeleiders in het zorgcentrum kunnen alles volgen met een normale smartphone. Zorgcentrum-directeur Irene Feenstra telde tijdens de conferentie een dubbele benefit: de patiënten krijgen een hogere kwaliteit van leven en het personeel wordt minder belast.


De voormalige De Gruyter fabriek

’s Hertogenbosch

Ook bij herontwikkeling blijkt een technologische aanpak vanuit zon, lucht, aarde en water, goede basisvoorwaarden te kunnen zijn. Joost de Bruijn van BOOST Herontwikkeling gebruikte deze benadering voor de herontwikkeling van de oude De Gruyter fabriek in ’s Hertogenbosch. Als de basis voldoende is om gedeeltes van een groot oud gebouw te kunnen exploiteren, dan kan daarna worden geïnvesteerd in verdere technologische ontwikkeling voor toekomstige gebruikers. Hoe snel de tech­nologische ontwikkeling qua digitale infrastructuur ook gaat, naar de aard van de nieuwe open netwerktechnologie worden aanpassingen steeds gemakkelijker te realiseren.


Park Strijp

Eindhoven

De voormalige grootschalige Philips fabriekswijk Strijp-S, naast het PSV stadion in Eindhoven, wordt een Smart City visitekaartje. De ambities van de gemeente Eindhoven en partner VolkerWessels liggen hoog. ‘Integrated Connectivity’ is het toverwoord. In de stad is overal inmiddels sprake van the Internet of Things. Door netwerken te koppelen, te integreren, de beschikbare data als informatie beschikbaar te maken, wordt het stadsdeel hip en aantrekkelijk voor alle functies die mensen in de stad willen ervaren. Alwin Bloem is als manager door de gemeente gedetacheerd bij Park Strijp Beheer. Zijn aanstekelijke verhaal op de conferentie bewijst hoe zeer een lokale overheid een voortrekkende rol kan vervullen in revitalisatie met gebruik van nieuwe technologie in de gebouwde omgeving.


Kasteel Biljoen in Velp

Technologie achter het behang geplakt

Kasteel Biljoen in Velp is van significante historische waarde. Het werd aangekocht door het Gelderse Landschap, uit de nalatenschap van de laatste bewoner. In diens testament stond dat het ook in de toekomst bewoond moet blijven. De oplossing: een restauratie waarin alles in de oorspronkelijke staat wordt hersteld, maar waarbij het pand via moderne technologie bewoonbaar wordt voor huurders van deze tijd. Het is te danken aan een combinatie draadloze en bedrade digitale netwerktechnologie dat het is gelukt. Koen van de Donk, directeur-eigenaar van Hevac Controls, vertelde tijdens de conferentie hoe de nieuwe bewoner, een Nederlands/Amerikaanse plastisch chirurg, nu met een app alles onder controle houdt in het kasteel. In de kamers zijn alleen de oude porseleinen schakelaars te zien. De intelligentie is achter alle schakelaars weggewerkt. Ook de tientallen mediakoppelaars, die de draadloze signalen van alle schakelaars en sensoren opvangen en naar de visualisaties doorsturen zijn, soms letterlijk, achter het behang geplakt.


Erasmus Universiteit

Virtuele classrooms

Universiteiten hebben veel gebouwen in gebruik. Wetenschappers stellen hoge eisen aan de infrastructuur in die gebouwen. Maar studenten tegenwoordig ook. Zij zijn van de generatie die gewend is altijd, overal, met iedereen te kunnen communiceren, ‘all over the world’. De Erasmus Universiteit Rotterdam ervaart dat elk gewenst college waar ook ter wereld gevolgd moet kunnen worden. De audio/video diensten en het ICT netwerk van de universiteit zijn daarom volledig geïntegreerd.
Ondersteund door de firma AMX Harman, liet Gert van Ginkel van de EUR in de conferentie zien hoe ver dat gaat en hoe de netwerkstructuur is opgebouwd en wordt uitgebreid. Alles is overal altijd beschikbaar.


KPN Datacenter

HTC Eindhoven

Het beste bewijs dat de digitalisering overal is, wordt wellicht gevormd door de enorme booming business van datacenters. Ze rijzen als paddenstoelen uit de grond. Vrijwel elke campus telt inmiddels één of meer van dergelijke gebouwen. Recent opende burgemeester Van Gijzel het KPN datacenter op de High Tech Campus in Eindhoven. Het is het eerste Tier IV datacenter in Nederland, hetgeen inhoudt dat een enorm hoge graad van beschikbaarheidszekerheid is gegarandeerd. Dat tegelijk KPN voor dit gebouw de ICT Milieu Award heeft gekregen is eigenlijk wat paradoxaal. Een zwaar op energie leunende, complexe technologie infrastructuur combineren met het realiseren van scherpe milieudoelstellingen is een heftige uitdaging. Ronald van Veen, Consultant Cyber Center Services bij KPN en Martin Matse, CEO bij System Integrator Perf-IT, maakten duidelijk dat je met inzet van de juiste expertise de complexiteit en de paradoxale stress onder controle kunt krijgen en houden.

[/tab]
[/tabs]