Home Blog Pagina 420

Wet HOF

0
Wet hof

Wie bepaalt budget decentrale overheden?

Gemeenten en provincies houden de ruimte om te investeren in bijvoorbeeld water- en wegenbouw. Ook zal een nieuwe wet over een maximaal begrotingstekort voor decentrale overheden niet 40.000 banen kosten. Dat heeft minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën (PvdA) gezegd in een debat in de Tweede Kamer over de wet Houdbare Overheids Financiën (wet HOF).

Vanuit de oppositie en een groot aantal gemeenten en provincies blijft er echter veel kritiek. Vijf van de twaalf provincies en 116 van de 406 gemeenten zijn tegen de Wet Hof. Ook Bouwend Nederland heeft in de afgelopen maanden kritisch gekeken naar het nut van een dergelijke wet.

Boekhouden

De reden voor de wet HOF is volgens het kabinet de afspraak in Brussel, over het beperken van het nationale begrotingstekort tot maximaal 3 procent. Provincies, gemeenten en waterschappen moeten zich volgens deze wet óók aan die norm gaan houden. Decentrale overheden werken echter met een ander boekhoudsysteem dan de Rijksoverheid en Brussel. Zo kan het dat in hun eigen boekhoudsysteem de inkomsten en uitgaven in evenwicht zijn, maar dat er volgens de boekhoudsystematiek van de Rijksoverheid en Brussel sprake is van een overschrijding van hun tekort-norm. Terugdringen daarvan betekent dan: of het schrappen van investeringen – of de inkomsten verhogen door extra belastingen te heffen bij burgers en bedrijven. En niet voldoen aan de norm betekent in het uiterste geval een boete.

Werkgelegenheid

Bouwend Nederland is verbaasd dat een boekhoudkundige discussie leidt tot de vraag wie straks gaat over de bouwinvesteringen van provincies, gemeenten en waterschappen: zij zelf, de Minister van Financiën of Brussel? Elke onnodige beperking van investeringen in de bouw- en infrasector is volgens Bouwend Nederland slecht voor de werkgelegenheid en betekent stagnatie voor nuttige projecten. De aandacht moet volgens de brancheorganisatie gericht zijn op de ook door het kabinet zo gewenste economische groei.

Banen minder

Dat sluit aan bij de beleving van provincies, gemeenten en waterschappen. Zij vrezen dat hun ruimte wordt inperkt om te investeren in wegen- en waterbouw, natuur of schone energie. De provincies Overijssel, -Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en Friesland waarschuwden onlangs dat de wet 40.000 tot 60.000 arbeidsplaatsen in heel Nederland kon kosten, vooral in de bouw. Ook omdat die het hen zou belemmeren om hun financiële reserves in te zetten. En deze provincies hebben samen nog miljarden euro’s in kas, dankzij de verkoop van hun aandeel in energiebedrijven. Bouwend Nederland riep de provincies al eerder op om een deel van die reserves versneld in te zetten voor een economische impuls. Volgens Dijsselbloem biedt de wet de mogelijkheid om provincies extra ruimte toe te kennen om reserves in te zetten. De zorgen over investeringsruimte voor de decentrale overheden noemde de bewindsman onterecht. Wel heeft hij de Tweede Kamer toegezegd om, voordat er over de wet wordt gestemd, een brief aan de Kamer te sturen waarin hij de waarschuwingen van de provincies zal weerleggen.

Klik hier voor meer informatie

Lees verder in editie 3-2013

Baat bij Energielabel ‘light’

0
Energielabel

De bouw heeft baat bij een eenvoudige variant van het energielabel. In plaats van voor elke woning maatwerk te verrichten, kan de bouw bij een lichtere variant straks op straat- en wijkniveau aan de slag. ‘Met een klein aantal variabelen heb je al snel een goede indicatie van het energielabel’, zegt Chris Bruijnes, directeur van programmabureau ‘Meer met Minder’.

Al jaren loopt er een slepende politieke discussie over de invoering van een energielabel. Dat moet huizenbezitters inzicht geven in het energieverbruik van hun woning, zodat zij maatregelen kunnen nemen om dat verbruik terug te dringen. Nederland is verplicht zo’n label in te voeren op basis van de Europese richtlijn voor energieprestatie van gebouwen EPBD.

Kosten en sancties

Op zich is in 2008 het energielabel verplicht gesteld bij de bouw, verkoop en verhuur van woningen en kantoren. Maar omdat er nog geen sancties staan op het ontbreken van het label, kunnen huizen in Nederland nog steeds zonder energielabel verkocht worden, mits koper en verkoper het daar alle twee over eens zijn. De politiek steggelt al jaren over de vraag of het energielabel verplicht moet zijn, over hoe eventuele sancties er uit moeten zien en vooral ook over de kosten van het label.
Deze maand komt minister Stef Blok van Wonen met een nieuw wetsvoorstel. Daarin zet hij in op vereenvoudiging van het energielabel, een nadrukkelijke wens van de Tweede Kamer. Dat sluit aan bij wat programmabureau ‘Meer met Minder’ wil. Dat stelde al eerder een energielabel ‘light’ voor. 
‘Meer Met Minder’ is de nationale energiebesparingsaanpak voor bestaande woningen en andere gebouwen.

Simpel label beter

‘Sanctionering en implementatie worden nog wel eens door elkaar gehaald’, zegt directeur Chris Bruijnes over de hele discussie rondom het energielabel. ‘Het ligt voor de hand huizenverkopers te sanctioneren als ze niet aan de wet voldoen. Maar die discussie wordt vermengd met hoe we het energielabel vaststellen.’
Voor de implementatie is een simpel label beter, zegt Bruijnes. ‘Met zeven tot tien variabelen lukt het ook om het energielabel vast te stellen. We hebben namelijk al veel woningen gelabeld. Omdat veel woningen nu eenmaal van hetzelfde type zijn, zijn we goed in staat zijn om te modelleren. Zo’n meer indicatieve aanpak is interessant voor de bouw omdat de aannemers daarmee sneller kunnen werken. Het detailadvies komt toch pas aan de orde bij het uitbrengen van een offerte.’

Klik hier voor meer informatie

Lees verder in editie 3-2013

Baat bij Energielabel ‘light’. Zie ook: Labelsubsidie behaalt niet het beoogde resultaat.

Drijvend Park voor Rotterdamse Rijnhaven

0
Drijvend_park

Vergroting leefbaarheid binnenstad

KCAP Architects&Planners, advies-, ingenieurs- en projectmanagementbureau Royal HaskoningDHV en initiatiefnemer Emergo hebben een plan voor een drijvend park gepresenteerd aan de Gemeente Rotterdam. Dit innovatieve en duurzame stedenbouwkundige concept voor de Rijnhaven moet een grote bijdrage leveren aan de leefbaarheid van de Rotterdamse binnenstad.

Mocht de gemeente akkoord gaan dan krijgen het centrum, de Kop van Zuid en de wijk Feyenoord er in één klap 15000 m2 groen bij, 30000 m2 parkeerplaatsen en 17000 m2 voor leisure-functies zoals een ijsbaan. Bovendien biedt het plan veel werkgelegenheid voor de Rotterdammers. Het drijvende park kan binnen vijf jaar gerealiseerd zijn en wordt geheel privaat gefinancierd.

De Rotterdamse binnenstad heeft een groot tekort aan ruimte en groen. Mede door de intensieve bebouwing op de Kop van Zuid en de toegenomen parkeerdruk is de leefbaarheid onder druk komen te staan. Met het plan voor een drijvend park zoekt het consortium de ruimte op het aanwezige water van de stadshavens. De grote Rijnhaven biedt een oplossing voor meerdere vraagstukken en voegt veel ruimtelijke kwaliteit toe aan de omliggende stad.

Het concept heeft de ‘klassieke’ ronde eilandvorm. Het is een schijf met een diameter van 185 meter. Het park is ook rond en omcirkelt een lagergelegen binnenterrein waar voldoende ruimte is voor leisure-functies zoals een ijsbaan of sportveld. Onder het park liggen twee ringvormige parkeerlagen voor in totaal 1250 auto’s. Door afmetingen en de ronde vorm kan de constructie niet omslaan en is hij niet vatbaar voor golfslag. Mocht het nodig zijn dan kan het eiland worden verplaatst.
Integraal onderdeel van het plan is de sociale inbedding in de stad. Het drijvende park en de daarop aanwezige functies moeten werkgelegenheid bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het drijvende park levert daarmee niet alleen stedenbouwkundig maar ook sociaal een duurzame bijdrage aan Rotterdam en de Rotterdammers.

‘New York heeft The High Line, Parijs La Promenade -Plantée en Rotterdam het Drijvend Park’, zegt Han van den Born, architect en partner van KCAP. ‘Het is fantastisch als een idee realiteit wordt. Hiermee zetten we de eeuwenlange Nederlandse traditie voort om van water land te maken’, aldus Marco Huibrechtse van initiatiefnemer Emergo. ‘De Rotterdammers krijgen er een nieuwe ontmoetingsplek bij. Dit Drijvend Park is niet alleen een innovatieve oplossing voor het ruimtegebrek maar verbetert ook de leefbaarheid van de stad’, zegt Eugene Grüter, directeur Royal HaskoningDHV.

Lees verder in editie 3-2013

Bouw kan economie impuls geven

0
Impuls

De Nederlandse economie krimpt dit jaar naar verwachting met 0,5 procent. De negatieve spiraal is dus nog steeds niet doorbroken. Om ons land uit de crisis te halen, is een economische impuls nodig.

De geschiedenis leert ons, dat het herstel van de economie begint bij de export. Vervolgens zijn de investeringen aan de beurt en als laatste doen de consumenten een duit in het zakje. In de huidige conjunctuurfase is de hoop nog vooral gevestigd op de export. Maar het wordt tijd, dat de investeringen aan het herstel gaan bijdragen. Hier kan de bouw een belangrijke rol spelen. De bouwsector remt de economische groei momenteel immers met 0,5 procentpunt. Wil ons land dus snel en sterk uit de crisis komen, dan moeten we meer investeren in bouw en infra. De bouw kan de economie weer snel op sleeptouw nemen, daar waar de sector nu nog als sleepanker fungeert, zo bericht Wim Schreurs, beleidsmedewerker van Bouwend Nederland.

Een belangrijke rol is hier dan weggelegd voor de woningbouw. De cijfers over het eerste kwartaal 2013 waren nog niet best. Er werden maar 3.500 nieuwbouwwoningen verkocht en in de bestaande woningvoorraad wisselden zo’n 23.750 woningen van eigenaar. Cijfers over het aantal gerealiseerde nieuwbouwwoningen ontbreken nog.

Toch zijn er signalen dat de bodem op de koopwoningenmarkt in zicht is. De betaalbaarheid van koopwoningen ten opzichte van huurwoningen neemt toe en de verkooptijden van te koop staande woningen stabiliseren. Daaruit blijkt dat het evenwicht tussen vraag en aanbod langzaam herstellende is. Verder hebben zowel het Centraal Planbureau (CPB) als de Nederlandsche Bank (DNB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) de afgelopen tijd positieve uitspraken gedaan over de woningmarkt. Vanuit de markt is ook positief gereageerd op de voorstellen van de commissie Dijkhuizen om pensioenfondsen banken te laten helpen bij de financiering van hypotheken. Hierdoor kan de hypotheekrente omlaag, waardoor consumenten goedkoper kunnen lenen. Al met al signalen die zullen bijdragen aan herstel van consumenten-vertrouwen. Nu maar hopen dat de consument de signalen ook daadwerkelijk oppikt. De bouw is er in ieder geval klaar voor. De bouw maakt het!

Klik hier voor meer informatie

Lees verder in editie 3-2013

Tekort aan technici!

0
Technici

In 2016 dreigt een tekort van 155.000 technici op alle niveaus. FME herkent het geschetste beeld. De ondernemersorganisatie dringt al lange tijd aan op actie om het tekort aan technici te bestrijden. Het is daarom goed dat het kabinet dit grote maatschappelijke probleem aanpakt. Dat gebeurt met het Techniekpact.

FME-voorzitter Ineke Dezentjé Hamming:

‘We moeten nú actie ondernemen. Als door een tekort aan technici de maakindustrie uit ons land verdwijnt, verdwijnt daarmee de welvaart uit ons land. Dat mogen we niet laten gebeuren.’ Samen met bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en ­overheid geeft FME op dit moment invulling aan het Techniekpact. Dezentjé: ‘De sleutel voor dit vernieuwende partnerschap ligt bij samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs. Daarnaast moeten onderwijsinstellingen
de kans en het geld krijgen om aan te sluiten bij de ­praktijk van de arbeidsmarkt. Dan denk ik aan het in de klas halen van gastdocenten uit bedrij­ven, de school ­openstellen voor bijscholing van technici uit de bedrijven en gemeenschappelijk gebruik van up-to-date apparatuur.’

Maakindustrie keihard nodig

Dezentjé: ‘Als we niets doen, verdwijnen bedrijven uit de technologische industrie uit ons land. De technologische industrie biedt werk aan bijna een half miljoen mensen. Daar komt nog een veelvoud aan indirecte banen bij. De sector heeft een omzet van € 87 miljard, nog los van economische spin-off. Als de technologische industrie uit Nederland verdwijnt, is het gedaan met onze ­kenniseconomie en verdwijnt de welvaart. En dan laat ik nog buiten beschouwing dat juist deze industrie keihard nodig is om oplossingen te blijven vinden voor grote vraagstukken op het gebied van klimaat, zorg, mobiliteit en veiligheid.’

Aanpak tekort technici

De afgelopen periode heeft FME diverse voorstellen gedaan om het tekort aan technici te verkleinen, zoals meer geld beschikbaar stellen voor arbeidsmarktrelevante opleidingen dan voor opleidingen die minder kansen bieden op de arbeidsmarkt, het verhogen van de bekostigingsfactor voor het techniekonderwijs en het wegnemen van belemmeringen in de personele uitwisseling tussen scholen en bedrijven. Deze oplossingen worden door FME ingebracht in het Techniekpact.

Over FME

De Vereniging FME-CWM is de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie. De bedrijvigheid in de sector betreft engineering, productie, handel, industrieel onderhoud en industriële automatisering. Bij FME zijn 2.500 lidondernemingen (metaal, kunststof, elektronica en elektrotechniek) met 225.000 vaste medewerkers aangesloten.
De totale omzet van de leden is ruim 60 miljard euro. Daarvan wordt 60 procent in het buitenland behaald. FME behartigt de belangen van de lidbedrijven (nationaal en internationaal) en verleent hen diensten op sociaal, economisch en technisch gebied. Bij FME zijn 120 brancheorganisaties aangesloten.

Romeinen keren terug

0
Romeinen

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed betaalt mee aan reconstructie van de Romeinse limes

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, RCE, trekt 500.000 euro uit ter bevordering van zichtbaarheid, herkenbaarheid en beleefbaarheid van de limes, de voormalige Romeinse rijksgrens in Nederland. De laatste twintig jaar is het al een bedrijvigheid van jewelste langs de limes. Nieuwbouwwijk Leidsche Rijn kwam regelmatig in het nieuws wanneer er weer een Romeinse boot werd ontdekt in de grond en ontleende direct een eigen identiteit aan haar Romeins verleden. De Romeinen zijn
op de een of andere manier sexy.

Wanneer archeologen dat woord gebruiken zal het wel waar zijn. Historie blijkt zich uitermate goed te lenen voor het creëren van een regionale identiteit van woongebieden. Reconstructies van Romeins erfgoed schieten als paddenstoelen uit de grond. Het Nederlandse deel van de limes wordt langzaam geprepareerd om voorgedragen te worden als onderdeel van UNESCO Werelderfgoed. Dat is de uiteindelijke droom van de RCE en de samenwerkende beheerders van de Romeinse limes in Nederland; de provincies Gelderland, Utrecht een Zuid-Holland

Archeologievriendelijk bouwen

Leidsche Rijn is een van de beste voorbeelden hoe erfgoed ingezet kan worden om een nieuwbouwwijk een identiteit te verlenen, voordat de wijk goed en wel bewoond is. In de wijk lopen verschillende secties van honderd meter verbeelde limesweg, op plekken waar die weg daadwerkelijk is aangetroffen. Bekend is de weg die schuin ingesneden door een appartementencomplex loopt. Verder zijn wachttorens gemarkeerd in de openbare ruimte, met lichtarmaturen op de plek waar de hoekpalen van de wachttorens hebben gestaan. En is er een fietsroute uitgezet langs panelen met info over de limes. Dit mes snijdt niet aan twee, maar aan vijf kanten. De makelaar kan zijn huizen verkopen onder het motto ‘wonen aan de Romeinse rijksgrens’, de bewoners zijn trots op het stukje historie van hun woonplaats, de gemeente is tevreden met trotse inwoners, de provincie is blij met tevreden gemeenten en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed ziet weer een stukje limes zichtbaar gemaakt boven de grond. En dat is belangrijk voor de nominering van de Nederlandse limes voor UNESCO Werelderfgoed. De huizen in Leidsche Rijn zijn zelfs archeologievriendelijk gebouwd, met het oog op toekomstige opgravingen.

Lees verder in editie 2-2013

High-end gebouw tegen low-end kosten

0
Gebouw

De Fabriek van Delfshaven, tot voor kort een vervallen bedrijfspand aan de Schie, stamt uit de negentiende eeuw. Het deed destijds dienst als wasserij en ververij, verwerd eind twintigste eeuw tot kraakpand, daarna tot culturele broedplaats en daarop volgde jarenlange leegstand. Nu schoolvoorbeeld van herontwikkeling tot inspirerend bedrijfsverzamelgebouw voor slimme, creatieve ondernemers én ruimte voor maatschappelijke activiteiten: een zangschool, balletschool, yogastudio en pannenkoekenrestaurant.

Het pand kent een rijke historie. De laatste bewoners vóór de leegstand en herinrichting waren krakers die in de jaren negentig ­kunstenaarscollectief ‘De Fabriek’ oprichtten. Zij boden oefenruimte aan bands, atelier­ruimte aan kunstenaars en richtten zelfs een filmstudio in.

Nu wordt de fabriek bevolkt door gameontwikkelaars, advocaten, architecten, grafisch ontwerpers, icoonontwerpers en webdesigners. Industrieel ontwerpbureau MAX Designers is een mooi voorbeeld van een bedrijf dat past bij de creatieve uitstraling van het pand en die naar hun aard die uitstraling ook inhoud geven. De markante oranje werkplaats die in hun bedrijfsruimte staat, trekt de aandacht. Een knap staaltje werk van Marien Korthorst. Design uiteraard in de huisstijl. De buitenkant van de Fabriek is volledig blijven staan, slechts opgeknapt. De binnenkant is gemoderniseerd, met veel glas, veel wit en een grote open trapruimte in het hart van het gebouw. Wie doet er nou zoiets? Zo’n bouwval opknappen middenin een wereldstad, waar elke vier­kante meter ooit goud waard kan worden en waar niemand schrikt van sloop en nieuwbouw. Of ligt dat tegenwoordig anders? Havensteder is de maatschappelijke vastgoedonderneming/woningcorporatie, die ‘met én voor bewoners samenwerkt aan krachtige wijken met toekomstwaarde’. Herontwikkeling van de Fabriek van Delfshaven moet bijdragen aan revival van de wijkeconomie van Delfs­haven.
Lingotto is de projectontwikkelaar die de realisatie van het plan op zich nam. Zij houden zich, in eigen woorden, bezig met ‘restructieve’, ‘bruikdienstige’ en ‘futumorfante’ concepten en projecten. Eric-Jan de Rooij, een van de partners in Lingotto, vertelt er graag en met passie over. ‘We zijn gespecialiseerd in de herontwikkeling van bestaande bedrijfspanden. Kortgeleden hebben we de pitch gewonnen om de Shelltoren in Amsterdam-Noord te gaan herontwikkelen. Maar het is niet makkelijk.

Regionale Gebiedsontwikkeling

0



Volgens Joost Schrijnen, Spatial Management Consultant, heeft regionale gebiedsontwikkeling de toekomst. We praten met deze deskundige over zijn visie, de regionale, landelijke en internationale ontwikkelingen, samenwerking en alle aspecten die hierbij een rol spelen. Deze keer dus een kijkje in de keuken van bouwen in Nederland vóór bouw en uitvoering.

Regionale gebiedsontwikkeling verdiept zich in de inrichting van stad, landschap, waterhuishouding, infrastructuur en programmering. Trajecten die alle opgaven van gemeente, stad of dorp overstijgen’, legt Joost Schrijnen uit. ‘Bijvoorbeeld, waar bouw je wat en waar niet? We kijken niet alleen vanuit de planologie, ook vanuit het ontwerp. Het is de rol van de ontwerper toekomstvisies te bedenken.’ Geen gemakkelijke rol, lijkt ons, gezien de belangen van vele betrokken partijen. Schrijnen beaamt dit: ‘Inderdaad. Het aantal partijen kan gigantisch zijn. Van havens en boeren tot bestuurders. Hoe we iedereen op een lijn krijgen? Allereerst zorgen voor een benoembare regionale urgentie, dat is noodzaak. Ten tweede dient deze urgentie ook door alle partijen gezien te worden. De volgende stap: wat gaan we vervolgens doen, wat is het perspectief? Het is de ‘klus’ van een regionaal gebiedsontwikkelaar om met alle partijen dit perspectief te bespreken. Van bestuurders tot maatschappelijke organisaties. Een traject waar vaak een lange tijd overheen gaat.’ Regionale gebiedsontwikkeling, het is na al die jaren nog steeds een uitdaging voor Schrijnen. ‘Wat is er nu leuker om aan dit land te werken? Aan de fysieke ruimtelijke werkelijkheid van Nederland. Het is een ‘gemaakt’ land. Elke generatie werkt aan Nederland. Dat heb ik ook mogen doen. Dat is toch mooi!’

Lees verder in editie 2-2013

Internationale BouwBeurs 2013

0
BouwBeurs

Natuurlijke materialen

Bezoekers van de Internationale BouwBeurs waren vooral op zoek naar natuurlijke bouwmaterialen, integrale oplossingen en producten voor energiezuinig bouwen. Bezoekers hebben en masse gevonden wat ze zochten. En meer, getuige hun oordeel over de 2013-editie van de BouwBeurs. Zeventig procent beoordeelde de beurs met ‘goed’ en ‘ uitstekend’.

De bouw kan in crisis verkeren, op de beursvloer was daar allerminst sprake van. Exposanten hebben over de volle breedte goede zaken gedaan. Het totaal aantal bezoekers is uitgekomen op 80.040.

De crisis bestond even niet in Utrecht. De paden waren wat ruimer van opzet; de stands wat groter gepositioneerd en één hal dit jaar niet in gebruik. Ook de Material Experience was overgevlogen vanuit Rotterdam. Over de hele linie zijn exposanten tevreden.
Het ging even niet over een teruglopend bouwvolume, maar over innovaties en hoe we de markt gezamenlijk een boost kunnen geven. Ook de daarvoor apart ingerichte GreenBuild Boulevard trok veel bezoekers.
Uit de bezoekersregistratie van VNU Exhibitions blijkt dat het merendeel directeur/eigenaar (35%) is, acht procent werkt in de verkoop, zeven procent is lid van de bedrijfsleiding/management. Zeventien procent van het bezoek werkt als werkvoor­bereider, werkuitvoerder of projectleider in de bouw. Het overgrote deel van het bezoek werkt in de aan­nemerij (23%), heeft een klussenbedrijf, inclusief ZZP-ers (8%) of is werkzaam in de afbouw (4%). Architectenbureaus en advies- en ingenieursbureaus waren met tien procent goed op de beursvloer vertegenwoordigd.

Week van de Bouw 2015

Acht van de tien bezoekers hebben aangegeven ook de volgende editie van de BouwBeurs te bezoeken.
Dat zal dan gebeuren als onderdeel van de Week van de Bouw 2015. De initiatieven hiervoor werden na maandenlange voorbereiding tijdens de BouwBeurs gelanceerd. De reacties van de aanwezige exposanten waren unaniem enthousiast. De komende maanden gaat VNU Exhibitions met alle partijen verder in gesprek om de Week van de Bouw vanaf de allereerste beursdag als het nieuwe ijkpunt in de bouw te positioneren.

Bouwen in de zorg

0
Zorg

Investeringen in ­zorgvastgoed nemen toe

Er bestaat een grote behoefte aan investeringen in zorgvastgoed, op de korte en lange termijn. Enerzijds neemt de vraag naar zorg toe vanuit de vergrijzende bevolking. Bovendien zal dit deel van de bevolking steeds vermogender worden. Anderzijds is het zorgvastgoed voor een groot deel in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw gebouwd. Deze gebouwen moeten de komende decennia worden vervangen.

Dit concludeert het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) in de studie ‘Bouwen voor de zorg; Perspectief voor de Nederlandse bouw’, die in opdracht van Bouwend Nederland is uitgevoerd. De voorraad zorgvastgoed is hiervoor kwantitatief in kaart gebracht. Deze studie naar de toekomst van het bouwen voor de zorg biedt inzicht in de gevolgen van ontwikkelingen in demografie, beleid en trends op de korte en lange termijn.

Groei zet door

De voorraad zorgvastgoed is sterk gegroeid en zal dat blijven doen. In 1990 was 35 miljoen vierkante meter vastgoed in gebruik door zorginstellingen. In 2010 was dit opgelopen naar 52 miljoen vierkante meter. De verwachting is dat dit in 2030 verder zal oplopen naar bijna 80 miljoen vierkante meter. Tegelijkertijd zullen door de veroudering van zorggebouwen de vervangingsinveste-ringen in 2030 verdrievoudigd zijn. Vooral de toename van het aantal ouderen en oudere ouderen zal bepalend zijn voor de uitbreiding van het zorgvastgoed. De sterkste groei zit zowel historisch als voor wat betreft de toekomst in de care sector, waaronder verpleging, verzorging, thuiszorg en wijkverpleging. De cure sector, gericht op genezing, kent ook een sterke groei, maar blijft iets achter bij de care sector.

Beleidseffecten

De effecten van beleid in de afgelopen decennia zijn duidelijk zichtbaar in de samenstelling van het zorgvastgoed. In de jaren zestig en zeventig is door het systeem van nacalculatie en relatief soepele voorwaarden veel gebouwd. In de jaren tachtig en negentig zijn maatregelen ingevoerd om te besparen op bouwkosten, waardoor er in deze periode minder gebouwd is. De opleving van de zorgbouw sinds begin deze eeuw hangt waarschijnlijk samen met het loslaten van de strakke budgettering en het wegwerken van de wachtlijsten in de zorg.

Lees verder in editie 2-2013