Home Blog Pagina 157

VMRG – Zorgen over oplopende kosten gevelbouw

0
VMRG - Zorgen over oplopende kosten gevelbouw

Binnen de gevelbouw ontstaan steeds meer zorgen over de oplopende kosten en levertijden met ernstige gevolgen voor de cashflow en angst voor faillissementen. Dit meldt de brancheorganisatie voor de metalen gevelbouw, de VMRG.

De gehele grondstoffenmarkt is instabiel en wordt geconfronteerd met een opwaartse prijsdruk en oplopende levertijden

De gevelbranche heeft te maken met onverwacht sterk gestegen kosten en oplopende levertijden van bouwmaterialen, waaronder aluminium en staal. Deze materialen nemen een aanzienlijk aandeel voor hun rekening in de kostprijs van geveltoepassingen, zoals de vliesgevel of elementengevel.

Dubbele cijfers

De VMRG ziet dat bedrijven geconfronteerd worden met snel opeenvolgende prijsstijgingen met dubbele cijfers in het afgelopen jaar en extra investeringen uit het eigen vermogen om de crisis het hoofd te bieden.

VMRG-directeur Hans Zwaanenburg: “Deze ontwikkelingen maken dat de benodigde financiële ruimte er bij de gevelbouwers steeds minder is om dit zelf op te vangen. Niet alleen aan prijsverhogingen voor aankomende projecten maar vooral ook aan prijsaanpassingen van al in uitvoering zijnde projecten valt dan ook niet meer te ontkomen.”

Aluminium en staal

De staalprijzen zijn de afgelopen periode explosief gestegen en inmiddels ruim verdubbeld ten opzichte van medio 2020. Voor aluminium is dat niet anders met een prijs die inmiddels het hoogste niveau in tien jaar tijd heeft bereikt.

“Voor de gevelbouw een serieus probleem”, aldus Zwaanenburg, “in het bijzonder bij al vergunde en in uitvoering zijnde projecten met een langere doorlooptijd waarbij onvoldoende rekening is gehouden met deze explosieve prijsstijgingen. In 2020 maakte het aandeel aluminium of staal in de gevel ongeveer 25 procent uit van de kostprijs. Inmiddels is dat bijna het dubbele en het einde is mogelijk nog niet in zicht.”

(Lees verder onder de afbeelding.)

Instabiele grondstoffenmarkt

De schrale troost is dat de gevelbouw hierin niet alleen staat. De gehele grondstoffenmarkt is momenteel instabiel en wordt geconfronteerd met een opwaartse prijsdruk en oplopende levertijden. Deze zijn mede te wijten aan de toeleveringsproblemen in de productieketen en hebben hun wortels in de pandemie.

En daar ondervinden de aluminium- en staalmarkt meer dan gemiddeld hinder van. Zwaanenburg benadrukt dat het hierin belangrijk is het projectbelang van zowel nieuwe als lopende projecten voorop te stellen en met elkaar in gesprek te blijven. “De met elkaar van toepassing verklaarde voorwaarden zoals tussen aannemer en gevelbouwer kunnen daarbij zeker helpen. In het bijzonder wanneer er daarnaast ook begrip is voor redelijkheid en billijkheid en daarmee het gezamenlijke projectbelang.”

Oplossingen

De markt wordt steeds inzichtelijker, waardoor partijen in het bouwproces en de eindgebruiker steeds dichter bij elkaar komen. Voor de eindgebruiker worden exploitatiekosten van een gebouw steeds meer van doorslaggevend belang, waardoor de laagste prijs minder bepalend wordt.

De trend is, dat wordt gekozen voor de economisch meest rendabele en duurzame oplossing en dat zal in de toekomst steeds meer gebeuren. “Een duurzaam en onderhoudsarm product levert namelijk in de exploitatiefase een aanzienlijk hogere kostenbesparing op dan het doen van eventuele concessies om toch vooral vast te houden aan de lagere inkoopprijs”, aldus Zwaanenburg.

(Lees verder onder de afbeelding.)

VMRG-directeur Hans Zwaanenburg.

Extra investeringen

Innovaties en toekomstgerichte ontwikkelingen vragen extra investeringen van de gevelbranche. Het volstaat niet meer om enkel een product te leveren. “Steeds meer wordt van de industrie verwacht dat zij in de ontwerpfase kennis inbrengt en meedenkt over efficiëntere en duurzame oplossingen. De gevelbranche wordt daarmee steeds meer een partner in het proces en daarmee vraagt deze manier van ondernemen een andere aanpak”, weet Zwaanenburg.

“Producenten en toeleveranciers worden ketenpartners, die niet alleen een product leveren, maar vanaf de ontwerpfase kennis en ervaring inbrengen. Dat vraagt niet alleen ’innovatieve en financiële’ inspanningen voor het realiseren van de gevraagde onderhoudsarme en levensloopbestendige gevels, maar vooral ook een intensieve samenwerking tussen partijen.”

Zwaanenburg: “Het gezamenlijke projectbelang dient daarin dan ook voorop te staan waarbij partijen ook een adequate beloning krijgen voor de geleverde prestatie. Het negeren daarvan schaadt de continuïteit van de bedrijven. Niet alleen van de gevelbouw, maar ook van de aannemer. En daarmee is het belangrijk om met elkaar in gesprek te blijven.”

Het bespreekbaar maken van tussentijdse noodzakelijke aanpassingen in de prijs of levertermijn maakt daar volgens Zwaanenburg deel van uit.

Lees ook: Vijf brancheorganisaties samen in circulaire gevels

Project – Terrasappartementengebouw De Veluwse Proeftuin Zuid

0
Project - Terrasappartementengebouw De Veluwse Proeftuin Zuid

MIX architectuur heeft een getrapt gebouw ontworpen. Op de overgang van de centrale as van het World Food Center in Ede en de uitgestrekte Veluwse bossen komt een terrasappartementengebouw dat lijkt op te gaan in de bosrand.

Complete wintertuinen en royale daktuinen versterken de connectie tussen hde Veluwse Proeftuin Zuid en de rustgevende natuur

MIX architectuur maakte het ontwerp van De Veluwse Proeftuin Zuid in opdracht van ontwikkelcombinatie World Food Center Development.

Het gebouw met 43 appartementen ligt aan het einde van de as die het WFC-terrein doorkruist. Deze centrale as rijgt de verschillende (woon)velden aan elkaar en loopt van het stedelijke gebied aan de westzijde naar het bos aan de oostkant. De manier waarop de velden aan de as liggen maakt het mogelijk om elk veld een kenmerkend kopgebouw te geven dat past bij de gradiënt van stedelijk naar landschappelijk.

Materiaalkeuze

Het hoogste deel is een getrapt, L-vormig gebouw de hoek. Het lagere deel ligt aan de boszijde en heeft grote, begroeide daktuinen die overvloeien in de Veluwe. De uitkragende, horizontale vloerdelen van het gebouw gaan op in de steilrand bij het bos. De heldere materiaalkeuze met in de basis gedempte kleuren sluit aan bij het landschap. De zwarte geveldelen worden gecombineerd met kozijnen en lamellen in semi-transparant blank hout.

Groene wintertuinen

Alle appartementen krijgen woningbrede buitenkamers gericht op het uitzicht, groen en de zon. De basisappartementen zijn één tot drie beuken breed (6,2 tot 18,6 meter). De twee- en driebeukige appartementen aan de centrale as krijgen naast een overdekt terras ook een wintertuin. Deze wintertuin wordt compleet met wasbak en werkbank opgeleverd.

Glazen vouwwanden creëren een tussenklimaat om ook in de koudere periodes planten en groenten op het terras te laten groeien. Het gebouw heeft zo jaarrond een groene uitstraling. De glazen wanden van de wintertuinen gecombineerd met de houten lamellen voor de terrassen geven het gebouw een interessante gevel met wisselende dieptes en spiegeling.

(Lees verder onder de afbeelding.)

Foodontmoetingsplek

Naar verwachting start aannemer Van Wijnen in het voorjaar van 2022 met de bouw. BPD Gebiedsontwikkeling vormt samen met Van Wijnen en Green Real Estate ontwikkelcombinatie World Food Center Development, de opdrachtgever voor dit project.

Goudstikker De Vries is constructeur en het landschapsontwerp is van LOOSvanVLIET. De komende jaren wordt het terrein van de voormalige Mauritskazerne in Ede getransformeerd tot dé foodontmoetingsplek van Nederland. Dit World Food Center in de regio Foodvalley huisvest bedrijven en organisaties verbonden met de agrifoodsector.

In het 28 hectare grote gebied naast station Ede-Wageningen komen ook circa 600 woningen en verschillende evenementenlocaties. In de noordoostelijke hoek van het WFC-terrein wordt op dit moment gebouwd aan de groene woontoren die MIX architectuur ontwierp.

Monitor Bouwketen najaar 2021 – Omzetverwachting bouwketen positief

0
Monitor Bouwketen 2021 - Omzetverwachting bouwketen positief

De omzetverwachting van de bedrijven in de bouwketen blijft per saldo zeer positief. Ruim veertig procent van de ondernemers verwacht een hogere omzet in het vierde kwartaal. Wel geeft een meerderheid van de ondernemers aan bij hun werkzaamheden in meer of mindere mate last te hebben van prijsstijgingen en leveringsproblemen.

Per saldo verwacht ruim één op de zes bouwbedrijven een toename van de omzet

Alles over de positieve omzetverwachting is te lezen in de Monitor Bouwketen najaar 2021 die het EIB twee keer per jaar publiceert in opdracht van Koninklijke BNA , Bouwend Nederland, NLingenieurs en Techniek Nederland.

Positief Saldo

Vier op de tien bedrijven in de bouwketen verwachten per saldo een hogere omzet in het vierde kwartaal 2021. Bij de architecten- en ingenieursbureaus en installatiebedrijven is de verwachting flink positiever dan een half jaar geleden, alleen de bouwbedrijven zijn minder positief.

Per saldo verwacht ruim één op de zes bouwbedrijven een toename van de omzet, in de voorjaarsmeting was dat per saldo nog één op de drie. De gemiddelde werkvoorraad in de bouwketen is ten opzichte van de voorjaarsmeting met 0,9 maand gestegen naar 9,9 maanden werk. De verwachting over het personeelsbestand is gelijk gebleven.

(Lees verder onder de afbeelding.)

Conclusies

Hieronder volgen voor iedere schakel de belangrijkste conclusies, waarbij de resultaten worden vergeleken met de uitkomsten van een half jaar geleden.

Architectenbureaus
Architectenbureaus melden een gemiddelde werkvoorraad van 5,8 maanden, wat gelijk is aan de voorjaarsmeting. Per saldo verwacht ruim een kwart van de architecten een hogere omzet in de komende maanden. De personeelsverwachting is nagenoeg hetzelfde als bij de voorjaarsmeting; één op de elf architectenbureaus verwacht in de komende maanden het personeelsbestand te zullen vergroten.

Ingenieursbureaus
De gemiddelde orderportefeuille bij de ingenieursbureaus is ten opzichte van de voorgaande meting sterk gestegen; de werkvoorraad ligt nu op 6,7 maanden, een stijging van 1,2 maand. De omzetverwachting is zeer positief; de helft van de ingenieursbureaus verwacht een hogere omzet in de komende maanden, 3% verwacht een lagere omzet. Ook verwacht ruim een vijfde van de bureaus het personeelbestand uit te breiden.

Bouwbedrijven
Bouwbedrijven zien de gemiddelde werkvoorraad ten opzichte van de voorjaarsmeting met 0,4 maand stijgen tot 10,1 maanden werk. Per saldo verwacht een zesde van de bouwbedrijven een verbetering van de omzet in de komende maanden. Dit saldo ligt bijna de helft lager dan een half jaar geleden. Ongeveer een vijfde van de bouwbedrijven verwacht het personeelsbestand uit te breiden, dit ligt op hetzelfde niveau als in de voorjaarsmeting.

Installatiebedrijven
Ook bij de installatiebedrijven is de gemiddelde werkvoorraad ten opzichte van de voorjaarsmeting sterk gestegen. De gemiddelde orderportefeuille ligt nu op 10,8 maanden werk, 1,5 maand hoger dan een half jaar geleden. Per saldo verwacht twee derde van de bedrijven een omzetstijging, terwijl slechts 5 procent van de bedrijven geen omzetverandering verwacht. Ook de personeelsverwachting ligt onveranderd hoog; per saldo verwacht bijna twee derde van de installateurs de komende maanden meer personeel aan te nemen.

Prijsstijgingen en leveringsproblemen

Bij de najaarsmeting van de Monitor Bouwketen zijn extra vragen gesteld over prijsstijgingen en leveringsproblemen. Een meerderheid van de ondernemers zegt in meer of mindere mate last te hebben van zowel grote prijsstijgingen als leveringsproblemen. Van deze groep zegt het grootste deel problemen te ondervinden van een combinatie van de twee factoren. De uitvoerende bouw lijkt het meest last van te hebben van de problemen.

Ondernemers hebben vooral te maken met prijsstijgingen en leveringsproblemen bij zowel veel toegepaste als specialistische bouwmaterialen, installaties en technische componenten. Acties die bedrijven hierdoor hebben moeten nemen zijn het toepassen van andere materialen, het uitstellen van projecten en het eerder inkopen van materialen of aanleggen van voorraden. Ondernemers voegen ook aanvullende voorwaarden toe aan offertes en contracten.

Monitor Bouwketen

Monitor Bouwketen is een gezamenlijk initiatief van de brancheverenigingen in de bouwketen: de BNA, Bouwend Nederland, NLingenieurs en Techniek Nederland. De bouwketen beslaat circa vijf procent van het bruto binnenlands product (bbp) en is goed voor 450.000 arbeidsjaren aan werk in Nederland. De Monitor Bouwketen is gebaseerd op de gegevens van ongeveer 1.500 bedrijven en verschijnt twee keer per jaar.

Download: Monitor Bouwketen najaar 2021

Lees ook: Ruim 44.000 woningen erbij in derde ronde woningbouwimpuls

Circulair bushokje van rijstvlies door studenten HAN University

0
Circulair bushokje van rijstvlies door studenten HAN University
Circulair bushokje van rijstvlies door studenten HAN University

Burgemeester Sjoerd Potters van De Bilt heeft het allereerste bushokje van rijstvlies in Nederland in gebruik genomen. Het bushokje is bedacht en ontwikkeld door studenten van de HAN University of Applied Sciences (HAN).

Het uiteindelijke ontwerp van het bushokje is geheel modulair, flexibel en demontabel

Het gebruik van rijstvlies als basis voor de constructie maakt het bushokje bijzonder duurzaam en circulair. Vergeleken met de productie van een traditioneel bushokje wordt een besparing van ruim tachtig procent uitstoot van CO2 gerealiseerd.

Het sedumdak van het bushokje zorgt naast een groene en vriendelijke uitstraling ook voor de opname van CO2 en is een plek waar plantjes, insecten en vogels zich thuis voelen waardoor het bijdraagt aan de biodiversiteit.

Verder is het bushokje voorzien van zonnepanelen waarmee de verlichting en de apparatuur waarmee de verkeersintensiteit wordt gemeten van energie worden voorzien.

Levensduur

Het uiteindelijke ontwerp is geheel modulair, flexibel en demontabel. Aan het einde van de levensduur wordt het gedemonteerd, hergebruikt of gerecycled.

Het gebruik van rijstvlies als basis voor de bouw van het bushokje is een duurzame keuze. Rijstvlies komt vrij als restmateriaal bij de verwerking van rijst voor consumptie. Rijstvlies is de huls rondom een rijstkorrel die wordt verwijderd voordat rijstkorrel voor consumptie in de winkel ligt. Er is voor deze biobased grondstof dus geen aparte landbouwgrond nodig.

De Bilt

Het bushokje staat in de Bilt, halte Houdringe. Gemeente De Bilt is enthousiast over deze innovatie en maakte de plaatsing op deze plek mogelijk. Burgemeester Potters over het initiatief: “Naast dit circulaire bushokje gaan we ook duurzame lantaarnpalen plaatsen langs een fietspad in onze gemeente. Met dit soort voorbeelden hopen we ook ondernemers en inwoners te inspireren om een bijdrage te leveren aan een duurzame toekomst.”

Lees ook: Groene bushalte met materialenpaspoort

Uitdagers

Opdrachtgevers voor de ontwikkeling van het circulaire bushokje zijn de bedrijven OFN en Sweco Nederland. Zij daagden studenten van de HAN uit om een bushokje te ontwikkelen dat bijdraagt aan de landelijke doelstellingen om in 2030 maar liefst vijftig procent minder primaire grondstoffen (mineralen, metalen en fossiel) te gebruiken.

Uiteindelijk moet dat in 2050 leiden tot een volledig circulair Nederland. “Wij gebruiken rijstvlies en andere biobased en circulaire grondstoffen als materiaal is voor verkeersborden en banken in de openbare ruimte. Deze duurzame innovaties zijn voor iedereen goed zichtbaar. Daarom werkt het als een vliegwiel voor mensen om erin te geloven dat het mogelijk is om volledig circulair te zijn in 2050”, zegt Mark Hofman van OFN.

In het ontwerp is ook rekening gehouden met apparatuur voor het meten van verkeersintensiteit. “Deze bushokjes geven daardoor kansen aan gemeenten om op een efficiënte manier permanent real-time de verkeersintensiteit te meten”, aldus Emiel Meijers van Sweco.

Winnend ontwerp

Het ontwerp van het circulaire bushokje won in 2020 de eerste prijs tijdens de Cleantech Battle. In de jaarlijkse Cleantech Battle strijden onderwijsinstellingen uit Oost- en Midden Nederland om de beste duurzame technologische ontwikkeling.

De jury roemde het totaalconcept en de brede toepasbaarheid in Nederland: “Een uniek concept ontworpen voor een duurzame, circulaire, milieuvriendelijke (biobased) en multi-inzetbaar bushokje dat goed past in het straatbeeld van de toekomst.”

Bijschrift
Burgemeester Potters neemt bushokje iaw studenten HAN in gebruik. Fotograaf Rogier Boogaard

Ruim 44.000 nieuwbouwwoningen er bij in 3e Woningbouwimpuls

0
Ruim 44.000 nieuwbouwwoningen erbij in derde ronde Woningbouwimpuls

In 33 gemeenten door heel Nederland kunnen binnenkort 44.277 nieuwe woningen worden gebouwd. Hiervan valt 64 procent in de categorie ‘betaalbaar’. Binnenlandse Zaken geeft hiervoor een financiële bijdrage van € 253 miljoen in deze derde ronde van de Woningbouwimpuls.

In de derde ronde van de Woningbouwimpuls krijgen 36 projecten een financiële bijdrage voor de versnelde bouw van betaalbare woningen

Het ministerie draagt met de bijdrage bij aan projecten die anders moeilijk of traag tot stand komen omdat ze een financieel tekort hebben. De woningen die worden gebouwd zijn voor het grootste deel bedoeld voor starters en mensen met een middeninkomen.

Grote interesse

Ook bij de derde tranche was er vanuit gemeenten veel interesse in een bijdrage uit de Woningbouwimpuls. In totaal werden er 65 aanvragen ingediend. Een onafhankelijke Toetsingscommissie heeft zich over deze aanvragen gebogen. In totaal krijgen 36 projecten een financiële bijdrage voor de versnelde bouw van betaalbare woningen.

De gehonoreerde projecten kennen een gezamenlijk publiek tekort van circa € 463 miljoen, oftewel bijna € 10.500,- per te realiseren woning. Vanuit medeoverheden wordt 53 procent van het publieke tekort gefinancierd. De bijdrage bedraagt bijna € 4.900,- euro per gerealiseerde woning.

Vierde tranche

Minister Ollongren: “Het is heel goed nieuws dat we, op locaties waar de woningnood het grootst is, snel betaalbare woningen kunnen gaan bouwen. Dit is met name van belang voor starters en mensen met lagere inkomens. Omdat er ook de komende jaren nog een groot tekort is aan betaalbare woningen, heeft het demissionaire kabinet besloten om de woningbouwimpuls voort te zetten. In 2022 kunnen gemeenten zich inschrijven voor een vierde tranche. Ik verwacht ook dan weer veel aanmeldingen.”

Overzicht gemeenten die bijdrage ontvangen, Beeld: BZK

Projecten

De 36 projecten die geld krijgen, zijn verdeeld over het land. Van de 44.277 woningen die in deze tranche gebouwd worden, valt 64 procent in de categorie ‘betaalbaar’. Dit zijn woningen bedoeld voor de sociale huursector, middenhuur en betaalbare koopwoningen.

In vergelijking met de eerdere tranches bevat de derde tranche relatief veel verdichtingsopgaven rond stationslocaties. Daarnaast is er sprake van vijftien transformaties van bedrijventerreinen, er wordt verdicht in bestaande verouderde wijken en er worden drie aanvragen van uitleglocaties gehonoreerd.

Groot tekort

Er is een groot tekort aan woningen. Tot 2030 moeten er in Nederland circa 900.000 woningen bijkomen. Het kabinet blijft daarom investeren om die bouwopgave voor elkaar te krijgen. In 2019 stelde het kabinet al € 1 miljard beschikbaar voor de eerste drie tranches van de Woningbouwimpuls. Voor 2022 is er €250 miljoen vrijgemaakt voor een vierde tranche van de Woningbouwimpuls. Dit moet de bouw van circa 40.000 woningen mogelijk maken.

Lees ook: Dankzij Woningbouwimpuls ruim 51.000 woningen erbij

Aeres Hogeschool Almere in gebruik genomen

0
Aeres Hogeschool Almere in gebruik genomen
Aeres Hogeschool Almere in gebruik genomen

Aan een van de hoofdwegen naar Floriade Expo 2022 werd bij aanvang van het nieuwe collegejaar de nieuwbouw van groene onderwijs- en kennisinstelling Aeres Hogeschool Almere in gebruik genomen.

Aeres Hogeschool Almere is een energieneutraal, klimaatadaptief en circulair gebouw

Op basis van een uitdagend programma van eisen en prikkelende selectie van het ontwerpteam is door HEVO een innovatief team samengesteld met een uitgesproken visie over duurzaamheid en circulariteit. Het ontwerp van BDG Architecten weerspiegelt zowel de duurzame identiteit van het onderwijs van de faculteit in Almere als het centrale thema van de aanstaande wereldtuinbouwtentoonstelling: ‘Growing Green Cities’.

‘Groen’ is dan ook een belangrijke bouwsteen. Enerzijds als het gaat om duurzame, circulaire en zelfvoorzienende oplossingen. Anderzijds is het letterlijk een groene school met planten in, aan en op het gebouw. De ‘groene long’ met verschillende soorten groene wanden, planten en bomen, beweegt zich als een landschap door het gebouw, van entree tot dak.

Zintuigen

Het groen is niet alleen goed voor de luchtzuivering, vochtbalans en akoestiek in de school. Het prikkelt de zintuigen en heeft als onderdeel van het living lab ook een educatieve waarde; studenten in Almere doen onderzoek naar stedelijke voedselvoorziening en gezond leven in de groene stad en naar de wijze waarop het groen in de school bijdraagt aan de leerprestaties.

Omdat er op verschillende manieren wordt onderwezen, onderzoek verricht en samengewerkt zijn de ruimtebehoeften vertaald in een functionele en gevarieerde mix aan leer- werk- en overlegruimten. Door de flexibele inrichting en meubels passen ruimtes zich eenvoudig aan. Tijdens Floriade Expo 2022 transformeert een deel van de school zelfs naar ontvangstgebouw.

Smart building

De nieuwe hogeschool is een slim energetisch gebouw met smart-skin; afhankelijk van de positie en oriëntatie hebben de gevels verschillende eigenschappen. Zo zorgen PV-panelen aan de westkant naast energieopwekking ook voor zonwering. De oostzijde, gericht op de bomentuin van het Floriade-terrein, is volledig groen en kleurt mee met de seizoenen.

Het levendige natuurinclusieve groendak is zowel een aangename verblijfsruimte in de frisse lucht als een inspirerend leer- en experimenteergebied. Opgevangen regenwater dient als warmte-/ koelingsbuffer en voorziet in de bewatering van het groen op en aan het gebouw. Een luifel van semi-transparante pv-panelen beschermt de studenten tegen de zon.

Building Circularity Index

Passend bij de duurzame ambities voor de nieuwe hogeschool heeft het ontwerp- en bouwteam continu onderzocht hoe het gebouw zo circulair mogelijk kon worden. Dat startte met de selectie van die partijen, middels een Europese aanbesteding, mede op criteria betreffende duurzaamheid en circulariteit.

Door gebruik te maken van de Building Circularity Index is gestuurd op het maken van een ontwerp dat demontabel en aanpasbaar is. Er zijn allerlei circulaire materialen en toepassingen in het gebouw verwerkt, zoals betongranulaat, hergebruikt hout voor de trappen, vloeren en buitenmeubels en gerecyclede metal studs voor de binnenwanden. Door registratie van materialen in Madaster wordt hergebruik in de verre toekomst beter mogelijk.

Platinum WELL-certificering

Naast een duurzaam beeldmerk moest de nieuwe Aeres Hogeschool vooral een plek worden waar studenten graag naartoe gaan. Om te studeren én om te verblijven. De gezondheid en het welzijn van medewerkers en studenten kreeg daarom veel aandacht in het ontwerp.

Het ruimschoots aanwezige levend groen heeft op zich zelf al veel positieve effecten op het binnenklimaat. Daarnaast zijn ook andere relevante factoren als daglicht, ventilatie, thermisch comfort, akoestiek, beweging en het gebruik van non-toxische materialen geoptimaliseerd. De gebouwprestaties worden continu gemonitord en aangestuurd door een intelligent gebouwbeheersysteem. Dit resulteert, als eerste hogeschool van Nederland, in een gouden of zelfs platinum WELL certificering voor Aeres Almere.

Lees ook: Woontoren Flores met glazen blormengevel op terrein Floriade 

Warmte uit asfalt gaat huizen Veenendaal verwarmen

0
Warmte uit asfalt gaat mogelijk huizen in Veenendaal verwarmen
Warmte uit asfalt gaat mogelijk huizen in Veenendaal verwarmen

Enkele duizenden woningen in Veenendaal zullen in de toekomst mogelijk duurzaam verwarmd worden met warmte uit asfalt. Utrecht en gemeente Veenendaal hebben in een intentieverklaring afgesproken zich hier samen hard voor te maken. Het gaat om bestaande en toekomstige woningen (en andere gebouwen) naast de N233, Rondweg-Oost Veenendaal.

Asfaltcollectoren bestaan al langer, maar worden in Nederland nog beperkt toegepast

Uit onderzoek door een onafhankelijk ingenieursbureau in opdracht van de provincie Utrecht blijkt het technisch realiseerbaar en financieel mogelijk haalbaar om bij de reconstructie van de N233 die al voorzien was, warmte uit het asfalt te halen en te gebruiken. In de bermen en geluidsschermen kunnen zonnepanelen verwerkt worden voor de opwek van duurzame elektriciteit en eventueel ook warmte.

De provinciale Rondweg-Oost Veenendaal N233 zal tussen 2024 en 2027 op de schop gaan. De weg wordt over een lengte van 3,5 kilometer gereconstrueerd en krijgt beschikking over 2×2 rijstroken. Verder wordt een kruispunt verdiept aangelegd en worden twee kruispunten aangepast.

Dubbelgebruik

Gedeputeerde Huib van Essen van energietransitie: “Als provincie willen we onze infrastructuur zoveel mogelijk benutten om duurzame energie op te wekken. Deze reconstructie biedt een uitgelezen kans voor dit dubbelgebruik van ruimte”.

Wethouder Engbert Stroobosscher van Fysieke Leefomgeving: “Als gemeente werken wij hard aan de warmtetransitie. Wat een mooie kans om een deel van onze woningen te verwarmen met de warmte uit het asfalt van de naastgelegen weg! Bovendien geeft dit extra energie om samen de verbreding van de Rondweg-oost zo snel als mogelijk te realiseren.”

Lees ook: Wegenbouw vergroenen met ligninehoudend asfalt

Ervaring opdoen

Asfaltcollectoren bestaan al langer, maar worden in Nederland nog beperkt toegepast. Omdat Nederland aardgasvrij wil gaan verwarmen, wil de overheid meer ervaring opdoen met deze duurzame manier van energie opwekken. Nog niet eerder werd over een lengte van 3,5 km warmte uit asfalt gehaald om huizen te verwarmen.

Haalbaarheidsstudie uitwerken

De provincie gaat met Veenendaal nu de haalbaarheidsstudie op detailniveau verder laten uitwerken. Onderzocht gaat worden:
– in welke mate de warmte bruikbaar is;
– welk deel van de warmte en tegen welke prijs warmtebedrijven in Veenendaal warmte kunnen afnemen;
– wat de aanleg- en beheerkosten zijn van een geïntegreerd energiesysteem;
– welke subsidiemogelijkheden er zijn;
– wat de consequenties zijn voor het beheer en onderhoud van de weg.

Uitkomsten vervolgonderzoek

Voor het op detailniveau uitwerken van een ontwerp voor de uitbreiding van de N233 waarbij energieopwekking is geïntegreerd in de weg heeft de provincie een bedrag van 250.000 euro gereserveerd. De kosten van de investeringen in de energiesystemen worden op dit moment geschat op een bedrag van tussen 15 en 20 miljoen euro. Bij een positieve uitkomst van het vervolgonderzoek wordt een financieringsvoorstel aan Provinciale Staten voorgelegd. De uitkomsten van het onderzoek worden uiterlijk in 2023 verwacht.

Bron: Provincie Utrecht

Amsterdam gaat met taskforce elektriciteitsprobleem aanpakken

0
Amsterdam gaat met taskforce elektriciteitsprobleem aanpakken
Amsterdam gaat met taskforce elektriciteitsprobleem aanpakken

Gemeente Amsterdam en netbeheerders Liander en TenneT vormen een gezamenlijk taskforce om de gevolgen van het volgelopen elektriciteitsnet aan te pakken.

Het elektriciteitsnet in vrijwel de hele stad heeft bijna of helemaal zijn maximale capaciteit bereikt

De taskforce gaat aan de slag met de energie-opgave van de stad. Door de uitbreiding van infrastructuur te coördineren en te versnellen, manieren om de schaarse ruimte op het net op een maatschappelijk verantwoorde manier te verdelen en slimme korte termijn oplossingen te bedenken om de congestieproblematiek te verzachten

Onder druk

Liander heeft 8 december congestie afgekondigd voor het deel van de stad dat bediend wordt door elektriciteitsstation Hemweg. Dat betekent dat inmiddels in bijna de helft van de stad nieuwe grootverbruikers van elektriciteit niet kunnen worden voorzien van stroom.

Onder deze toekomstige grootverbruikers zitten ook maatschappelijke voorzieningen zoals scholen en aanvragen die belangrijk zijn voor de verduurzaming van de stad. De ontwikkeling van Amsterdam komt daardoor steeds meer onder druk te staan.

Grote vraag

Liander constateert dat sinds de aankondiging van knelpunten op het Amsterdamse elektriciteitsnet bedrijven grote hoeveelheden elektriciteit contracteren. In 2021 hebben grootverbruikers van elektriciteit in het gebied dat station Hemweg van stroom voorziet vier keer zoveel elektriciteit aangevraagd als in de afgelopen tien jaar.

Rigoureuze aanpak

Wethouder van Doorninck: “Deze situatie vraagt om een rigoureus andere manier van samenwerken. We gaan niet langer vanuit ons eigen belang met elkaar onderhandelen. We hebben een gedeelde opgave en we moeten allemaal kijken wat we kunnen bijdragen aan de oplossing. Ik ga er daarbij ook vanuit dat de grote aanvragers uit de commerciële sector hun steentje bij gaan dragen. Door hun eigen aanvragen nog eens kritisch te bezien en samen te zoeken naar slimmere oplossingen.”

Daan Schut, lid van de Raad van Bestuur van Alliander, de holding waar netbeheerder Liander onder valt: “De vraag naar elektriciteit in Amsterdam is snel extreem hard gestegen. Het elektriciteitsnet in vrijwel de hele stad heeft bijna of helemaal zijn maximale capaciteit bereikt. Wij werken hard aan de uitbreiding van het net. Dat kost veel tijd. Ondertussen moeten we de schaarse capaciteit zo goed mogelijk verdelen. Om deze opgave te versnellen is het cruciaal dat we de volgende stap zetten in de samenwerking. Door samen de taskforce in te richten geven we daar invulling aan. Daarbij willen we graag ook intensiever met het bedrijfsleven in gesprek. We zien dat er bedrijven zijn die veel meer capaciteit contracteren dan ze daadwerkelijk nodig hebben. We willen graag met deze bedrijven in gesprek over andere manieren om zekerheid te bieden.”

[Lees verder onder de afbeelding.]

Complexe puzzel

Maarten Abbenhuis, COO bij landelijk hoogspanningsnetbeheerder TenneT: “De verzwaring van het elektriciteitsnet in Amsterdam is een complexe puzzel. In nagenoeg alle stadsdelen zal de schop de grond in gaan de komende jaren. TenneT investeert tot 2035 voor ruim 650 miljoen euro in het hoogspanningsnet in de regio Amsterdam.”

Abbenhuis: “De aangewezen ruimte, zowel boven als onder de grond, is mede bepalend voor de snelheid van de netuitbreiding. Het vinden van geschikte locaties moet echt prioriteit krijgen. Van belang is dat we veilig blijven werken en dat het licht blijft branden terwijl de netuitbreidingen plaatsvinden. Modulair bouwen en standaardiseren zijn van groot belang om versnelling in de realisatie van infrastructuur te krijgen. TenneT juicht het dan ook toe dat er een taskforce komt waarin alle betrokken partijen helpen om versnelling aan te brengen in deze grote opgave voor de stad.”

De taskforce levert begin 2022 een eerste plan op. In dit plan zal staan hoe betrokken partijen versneld de nodige netuitbreidingen gaan realiseren en tijdelijke oplossingen gaan implementeren die ervoor zorgen dat ten tijde van congestie de ontwikkelingen in de stad zo min mogelijk stil komen te staan.

Bijschrift openingsfoto
De elektriciteitsvoorziening bij IJburg.

Klimaatdoel groene elektra door energieregio’s op schema

0
Klimaatdoel groene elektriciteit door energieregio’s loopt op schema
Klimaatdoel groene elektriciteit door energieregio’s loopt op schema

Het doel van dertig energieregio’s om tenminste 35 terawattuur (TWh) hernieuwbare elektriciteit te produceren met windturbines op land en zonnepanelen, is haalbaar. Dit blijkt uit de Monitor RES 1.0 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Bij de energieregio’s is er een sterke groei van het geïnstalleerd vermogen aan zonnepanelen

In het Klimaatakkoord uit 2019 hebben dertig energieregio’s het doel meegekregen om uiterlijk in 2030 tenminste 35 terawattuur (TWh) hernieuwbare elektriciteit te produceren met windturbines op land en zonnepanelen.

Alle energieregio’s hebben een Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 opgesteld. De gezamenlijke ambities leiden naar schatting tot een productie van elektriciteit uit zon en wind van 35 tot 46 TWh in 2030, met een middenwaarde van 41 TWh.

Veel plannen

Het is dus goed mogelijk dat het doel van 35 TWh wordt gehaald. Om dit doel met voldoende mate van zekerheid te kunnen halen, zijn – behalve lopende projecten en projecten waarvoor inmiddels subsidie is toegekend en vergunning is verleend – aanvullende projecten nodig. De RES’en bevatten daarvoor ruim voldoende plannen. Toenemende schaarste op het elektriciteitsnet is daarbij een knelpunt.

Dat zijn enkele van de hoofdconclusies in de Monitor RES 1.0 van het PBL, een analyse van de per 1 juli 2021 aangeboden RES’en 1.0. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft het PBL gevraagd om de ontwikkeling van de RES’en continue en onafhankelijk te monitoren. De Monitor RES 1.0 is de derde PBL-analyse van de RES’en.

(Lees verder onder de afbeelding.)

Grote stappen

Uit de RES’en 1.0 blijkt dat de regio’s hard hebben gewerkt aan de uitwerking van de concept-RES’en, ondanks de beperkingen vanwege de coronapandemie. Ten opzichte van de concept-RES’en is er een toename van vijf procent in de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die de regio’s zeggen te willen produceren in 2030.

Het totaalbod is nu 55,1 TWh. Qua technologie zit de groei tussen concept-RES en RES 1.0 vooral in zonnepanelen; de hoeveelheid wind op land in het bod bleef ongeveer gelijk.

Knelpunten

Met de sterke groei van het geïnstalleerd vermogen aan zonnepanelen is de schaarste op het elektriciteitsnetwerk sinds 2018 sterk toegenomen en zal deze de komende jaren een chronische belemmering vormen. Dit vraagt een hoger tempo om planning en realisatie van hernieuwbare energieopwekking af te stemmen op beschikbare en nieuwe netcapaciteit.

Daarbij gaat het zowel om prioriteit als om fasering in de tijd. Bij de groei van wind op land zorgt de recente uitspraak van de Raad van State over de beperkte geldigheid van milieuregels bij plaatsing van windmolens voor onzekerheid en vertraging. Nieuwe algemene milieuregels zijn daarom wellicht nodig voor vergunningverlening van wind op land projecten.

(Lees verder onder de afbeelding.)

Langere termijn

De energieregio’s samen hebben met circa 55 TWh een meer dan toereikend bod uitgebracht om het 35 TWh-doel te behalen. Voor de realisatie moet nog veel werk worden verzet, maar tegelijk geeft dit bod de regio’s de mogelijkheid om verder te kijken dan 2030.

Dit vraagt duidelijkheid van het Rijk over het traject voorbij 2030. Belangrijk daarbij is de samenhang met de behoefte aan hernieuwbare energie uit andere trajecten, zoals de verduurzaming van de warmtevoorziening van huizen en gebouwen, het Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) en de Nationale Agenda Laadinfrastructuur voor het elektrisch vervoer.

Een goede fasering van de projecten wordt bij een hogere vraag naar elektriciteit in de toekomst steeds belangrijker. Gelet op de lange doorlooptijd van ruimtelijke planprocessen, zijn de overwegingen in de RES’en ook van betekenis voor de periode na 2030, zowel wat betreft de productie van hernieuwbare elektriciteit als de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Het zou verstandig zijn als het Rijk nu vast in gesprek gaat met de regio’s over de verwachtingen voor de lange termijn.

Download de Monitor RES 1.0 

 

‘Nieuwe definitie van sociale huisvesting is nodig’

0
‘Nieuwe definitie van sociale huisvesting is nodig’
‘Nieuwe definitie van sociale huisvesting is nodig’

Gemeenten geven vaker private partijen opdracht om goedkope huurwoningen te bouwen die voorheen de corporaties voor hun rekening namen. Aedes maakt zich zorgen dat het aantal echte sociale huurwoningen daardoor langzaam maar zeker afneemt.

‘De doelgroep waarvoor we juist sociale huisvesting hebben, komt steeds minder aan de bak’

Aedes-voorzitter Martin van Rijn: “Sociale huur draait om meer dan de huurprijs. We hebben niet voor niks regels om te zorgen dat iedereen aan de beurt komt, óók mensen met lage inkomens en urgenten. We hebben een nieuwe definitie van sociale huisvesting nodig.”

Woningnood

Aedes heeft geen principiële bezwaren dat ook andere partijen huurwoningen in het gereguleerde segment (tot 752 euro per maand) bouwen. Martin van Rijn: “Dat was altijd al zo en de woningnood is nu erg hoog.” Maar commerciële verhuurders zijn niet gebonden aan de regels voor toewijzing van sociale huurwoningen, waar woningcorporaties wel mee werken. Deze verhuurders stellen vaak juist eisen aan het minimum-inkomen van huurders. En vaak schuiven deze woningen na tien of vijftien jaar door naar de vrije huur sector, waar de verhuurder meer rendement kan maken.

Nep sociale huur

Van Rijn: “Een logische afweging voor een commercieel verhuurder. Maar we hebben het over appels en peren en daarom noemen we het ook wel nep sociale huur. De schoen wringt namelijk als deze woningen de echte sociale huurwoningen verdringen. Dan komt de doelgroep waarvoor we juist sociale huisvesting hebben steeds minder aan de bak, terwijl in het rapport van de commissie Ter Haar er op wordt gewezen dat voor de verschillende doelgroepen eigenlijk overal dertig procent sociale huurwoningen moeten worden gerealiseerd. Ook de aandacht die corporaties hebben voor hun bewoners en de leefbaarheid in wijken en buurten wordt zo moeilijker.”

Corporatiewoningen

Aedes heeft het Kadaster gevraagd te onderzoeken wat voor woningen er van 2017 tot 2020 zijn gebouwd. Daaruit is niet precies op te maken hoe de verhouding tussen commerciële partijen en corporaties zich ontwikkelt. De cijfers laten wel zien dat er van de 262.000 nieuwe woningen slechts 42.000 (16 procent) een corporatiewoning is.

Dat is veel minder dan de gangbare gemeentelijke normen voor het aandeel sociale woningen in nieuwbouw. Dat is in grote gemeenten vaak dertig tot veertig procent. Als de gemeente zo’n ambitie wil realiseren, zou een groot deel van de overige huurwoningen binnen het sociale segment moeten vallen. Dat is echter niet te controleren. Ook is niet bekend aan welke doelgroepen de woningen worden aangeboden.

De cijfers van het Kadaster geven ook sterke indicaties dat er in een aantal gemeenten rondom de grotere steden de afgelopen jaren nauwelijks of geen huurwoningen in het gereguleerde segment zijn gebouwd.

Achter het net vissen

Martin van Rijn maakt zich grote zorgen over deze cijfers: “Het strookt met geluiden van corporatiebestuurders dat ze steeds vaker achter het net vissen bij de bouw van sociale huurwoningen. Ik vraag me af of gemeenten zich deze consequenties realiseren als ze grond uitgeven voor nieuwbouw. Sociale huur draait niet alleen om de huurprijs: woningcorporaties bieden betaalbare huurwoningen voor de langere termijn. Maar ze zorgen dat er ook plek is voor inwoners die urgent een betaalbare woning nodig hebben. En ze werken met de gemeente aan leefbare wijken.”

Nieuwe definitie

Aedes wil samen met de partners van de Actieagenda Wonen een scherpere definitie van wat we onder een echte sociale huurwoning verstaan. Daarnaast gaan we met elkaar ook betere spelregels ontwikkelen om gedifferentieerde bouwprogramma”s mogelijk te maken die leiden tot gemengde inclusieve wijken, te beginnen met het aandeel van 25% sociale huur. De financiële randvoorwaarden worden hierbij ook vastgesteld.

Van Rijn: “Wat heb je aan een afspraak over een minimumaandeel sociale huur, als je niet scherp hebt wat je daaronder verstaat?” Zo wil Van Rijn opkomen voor de doelgroep van woningcorporaties: “Er is voorlopig voor iedereen genoeg te doen. Dus we kunnen afspraken maken over ieders aandeel in de woningbouw, zoals we in de landelijke Actieagenda Wonen hebben vastgelegd.”

Lees ook: Verduurzaming bij woningcorporaties zet gestaag door